Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16600

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.31371
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking aan toezicht

De minister van Asiel en Migratie legde op 4 juni 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, vanwege een risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken.

Eiser betwistte een van de zware gronden, maar de rechtbank achtte de overige gronden voldoende en feitelijk juist om de maatregel te dragen. Eiser voerde aan dat een lichter middel passend was, gezien zijn eerste detentie, afwezigheid van crimineel verleden, bereidheid tot medewerking en medische klachten.

De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstond, mede vanwege het niet naleven van het terugkeerbesluit en het ontbreken van aantoonbare terugkeeractiviteiten. De medische omstandigheden maakten de bewaring niet onevenredig bezwarend, mede omdat adequate medische zorg beschikbaar is.

De ambtshalve toetsing bevestigde dat de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31371

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Jankie),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Bourik. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en op [geboortedatum] 2002 is geboren.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de zware grond onder 3a. De rechtbank is echter van oordeel dat de overige niet-betwiste gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, omdat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De rechtbank laat de door eiser betwiste grond om die reden verder onbesproken.
Lichter middel
4. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Dit is de eerste keer dat eiser vastzit en hij is geen crimineel. Eiser wil graag de procedure in vrijheid afwachten, bijvoorbeeld op een AZC. Ook is eiser bereid om contact op te nemen met de Algerijnse ambassade en terug te keren naar Algerije met behulp van het IOM. Eiser heeft psychische en lichamelijke klachten als gevolg van een auto-ongeluk. Hij ervaart veel stress en angstaanvallen. Hierdoor is de detentie onevenredig bezwarend voor hem en had kunnen worden volstaan met een lichter middel.
5. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de niet-betwiste gronden van de maatregel en de motivering blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Verder heeft eiser niet voldaan aan zijn terugkeerbesluit van 9 april 2026, is hij met onbekende bestemming vertrokken op 10 november 2025 en is niet gebleken van aantoonbare activiteiten in het kader van terugkeer. De aangevoerde medische omstandigheden maken niet dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is. In de maatregel van bewaring wordt er terecht op gewezen dat de beschikbare medische zorgverlening binnen het detentiecentrum gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat de medische omstandigheden van eiser zijn meegenomen in de besluitvorming. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de
rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 juni 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.