Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16598

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30874
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 6.5a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 66a Vreemdelingenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod van twee jaar ongegrond verklaard

De minister van Asiel en Migratie heeft op 2 juni 2026 een terugkeerbesluit genomen tegen eiser, waarbij tevens een inreisverbod van twee jaar is opgelegd. Eiser, die de Braziliaanse nationaliteit bezit en in 1994 is geboren, heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag.

Eiser betoogde dat het inreisverbod verkort had moeten worden tot één jaar vanwege zijn wens om in de toekomst terug te keren naar Nederland voor werk, zakelijke belangen of vakantie met zijn gezin. Hij voerde aan geen strafblad te hebben en niet meer illegaal in Nederland of de EU te zullen verblijven.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht een inreisverbod van twee jaar heeft opgelegd, zoals het uitgangspunt is volgens artikel 6.5a van het Vreemdelingenbesluit 2000. Eiser heeft onvoldoende bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd die een verkorting van het inreisverbod rechtvaardigen. De enkele stelling dat een korter inreisverbod minder bezwarend zou zijn, is onvoldoende.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod van twee jaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30874

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Jankie),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Braziliaanse nationaliteit heeft en op [geboortedatum] 1994 is geboren.
Gronden
2. In het terugkeerbesluit heeft de minister vermeld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware grond vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert aan dat de minister de duur van het inreisverbod had moeten verkorten, omdat hij in de toekomst wil kunnen terugkeren naar Nederland in verband met werk, andere zakelijke belangen of voor vakantie met zijn gezin. Eiser heeft geen strafblad en zal in de toekomst ook niet meer illegaal in Nederland of de EU verblijven. Een inreisverbod voor de duur van één jaar was minder bezwarend en meer passend geweest.
4. Nu eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten, bestond voor de minister in beginsel de verplichting een inreisverbod uit te vaardigen. [1] Uit artikel 6.5a van het Vb volgt als uitgangspunt dat de duur van het inreisverbod twee jaar bedraagt. De duur van het inreisverbod wordt verkort, of achterwege gelaten, als de vreemdeling bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd.
5. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn situatie sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, waardoor de minister de duur van het inreisverbod had moeten verkorten. De enkele stelling dat een inreisverbod voor de duur van één jaar minder bezwarend is, leidt niet tot een ander onderdeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 juni 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.