Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Inleiding
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Syrische afkomst, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn partner en minderjarige zoon in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat de minderjarige zoon geen referent kon zijn en de partner als referent werd aangemerkt. De aanvraag werd getoetst aan de voorwaarden voor verblijf als gezinslid bij partner, waarbij het middelenvereiste niet werd gehaald.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht een belangenafweging heeft gemaakt ondanks het erkende gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. De minister weegt het gezinsleven mee, maar ook het economische belang van Nederland en het ontbreken van een eigen inkomen van de partner. Daarnaast is er geen objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië of Turkije uit te oefenen.
Eiser betoogde dat de minister onzorgvuldig was en onvoldoende belangen had meegewogen, waaronder het belang van de minderjarige zoon en de situatie van de partner. De rechtbank verwerpt deze stellingen en bevestigt dat de belangenafweging zorgvuldig en volledig is gemaakt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.