Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16574

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL25.50381
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.15 Vb 2000Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor gezinshereniging ondanks gezinsleven

Eiser, van Syrische afkomst, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn partner en minderjarige zoon in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat de minderjarige zoon geen referent kon zijn en de partner als referent werd aangemerkt. De aanvraag werd getoetst aan de voorwaarden voor verblijf als gezinslid bij partner, waarbij het middelenvereiste niet werd gehaald.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht een belangenafweging heeft gemaakt ondanks het erkende gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. De minister weegt het gezinsleven mee, maar ook het economische belang van Nederland en het ontbreken van een eigen inkomen van de partner. Daarnaast is er geen objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië of Turkije uit te oefenen.

Eiser betoogde dat de minister onzorgvuldig was en onvoldoende belangen had meegewogen, waaronder het belang van de minderjarige zoon en de situatie van de partner. De rechtbank verwerpt deze stellingen en bevestigt dat de belangenafweging zorgvuldig en volledig is gemaakt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50381

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de door hem ingediende aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij zijn partner, [naam partner] (referente).
1.1.
De minister heeft de aanvraag met het besluit van 21 maart 2024 afgewezen. Met het besluit op bezwaar van 3 november 2025 is de minister bij deze afwijzing gebleven, waartegen eiser beroep heeft ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister
.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een mvv voor verblijf bij referente. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiser is van Syrische afkomst. Eiser heeft een echtgenote (referente) en een minderjarige zoon in Nederland. Eiser heeft op 1 september 2023 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) bij zijn minderjarige zoon. In het primaire besluit van 21 maart 2024 merkt de minister op dat de minderjarige zoon van eiser geen referent kan zijn, omdat uit artikel 3.15, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), onder andere blijkt dat de hoofdpersoon (referent) een vreemdeling van 21 jaar of ouder moet zijn. Omdat de minderjarige zoon van eiser geen referent kan zijn heeft de minister ervoor gekozen om de partner van eiser aan te merken als referente. Daarom is de aanvraag getoetst aan de voorwaarden die gelden voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het verblijf als familie- of gezinslid bij partner. Referente beschikt sinds 11 augustus 2022 over een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als nagereisd gezinslid. Uit een bericht van de verloskundige van referente van 20 januari 2026 blijkt dat referente momenteel opnieuw zwanger is. Referente is uitgerekend op 18 mei 2026.
Het bestreden besluit
5. In het bestreden besluit heeft de minister de aanvraag van eiser afgewezen. De minister legt hieraan ten grondslag dat niet wordt voldaan aan het middelenvereiste. Aan eiser is geen wachttijd van een jaar op grond van artikel 3.15, derde lid, sub c, van het Vb 2000 tegengeworpen. In het bestreden besluit wordt wel familie- en gezinsleven aangenomen tussen referente en eiser en hun minderjarige zoon. De belangenafweging valt echter in het nadeel van eiser uit. Hierbij weegt de minister in het voordeel van eiser mee dat op afstand invulling wordt gegeven aan het gezinsleven met referente en hun minderjarige zoon. Het economisch belang van de Nederlandse overheid weegt in het nadeel van eiser. Ook bestaat er voor eiser en referente geen objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen.
6. Eiser heeft de beroepsgrond die ertegen is gericht dat zijn minderjarige zoon in deze procedure geen referent kan zijn op de zitting ingetrokken, waardoor deze grond geen verdere bespreking behoeft.
Heeft de minister ten onrechte geen contact gezocht over de mogelijkheid voor referente om een zelfstandige asielaanvraag in te dienen?
7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen contact heeft gezocht met referente over de mogelijkheid voor haar om een zelfstandige asielaanvraag in te dienen. Daarover was overleg nodig, wat er nu niet is geweest. Bovendien valt niet in te zien waarom het niet mogelijk is voor referente om een mvv in het kader van nareis aan te vragen voor eiser.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat het wenselijk was geweest dat referente was gewezen op de mogelijkheid om een zelfstandige asielaanvraag in te dienen. De omstandigheid dat referente daar niet op is gewezen, maakt echter niet dat het nu bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Referente heeft geen zelfstandige asielvergunning, waardoor een mvv in het kader van nareis geen mogelijkheid is omdat nareis op nareis niet mogelijk is.
Heeft de minister een belangenafweging mogen maken, nu sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM?
8. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte een belangenafweging heeft gemaakt. De minister heeft gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM aangenomen tussen referente en eiser. Om die reden is er geen ruimte voor een belangenafweging, omdat dit strijd oplevert met artikel 8 van Pro het EVRM.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister een belangenafweging mogen maken. Hoewel de minister familie- en gezinsleven aanneemt tussen referente, eiser en hun minderjarige zoon, is dit op zichzelf geen reden om aan eiser verblijf toe te staan. Zoals blijkt uit de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet de minister na het vaststellen van het gezinsleven een belangenafweging maken. [1] Het enkele feit dat sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM maakt dan ook niet dat geen sprake kan zijn van een belangenafweging.
Heeft de minister de belangenafweging ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen?
9. Eiser betoogt dat de minister de belangenafweging ten onrechte in zijn nadeel heeft laten uitvallen. Eiser erkent dat het economisch belang in het voordeel van de Nederlandse staat weegt, maar andere belangen hadden in het voordeel van eiser meegewogen moeten worden. Uit het bestreden besluit blijkt niet kenbaar welke belangen nog meer in het nadeel van eiser worden meegewogen. Eiser betoogt dat alle overige belangen in het voordeel van eiser moeten worden meegenomen. De minister heeft ten onrechte niet meegewogen dat referente bezig is met het verkrijgen van een eigen inkomen. Bij de belangenweging had de minister verder mee moeten wegen dat verblijf in Syrië voor eiser en referente niet mogelijk is, verblijf in Turkije nagenoeg onmogelijk is en dat sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Ook had de minister het belang van de minderjarige zoon van eiser en referente moeten betrekken in de belangenafweging. Hierbij staat de eenheid van het gezin voorop. Eiser betoogt dat om deze redenen niet valt in te zien dat het enkele economische belang van de Nederlandse staat zwaarder moet wegen dan de belangen van eiser.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Hierbij heeft de minister alle belangen kenbaar in de belangenafweging betrokken. Het weegt daarbij in het voordeel van eiser dat sprake is van familie- en gezinsleven tussen hem en referente en hun minderjarige zoon. De minister weegt in het nadeel van eiser het economisch belang van de Nederlandse staat en de omstandigheid dat referente niet voldoet aan het middelenvereiste en geen eigen inkomen heeft om in de kosten van het levensonderhoud van haar gezin te voorzien. Ook weegt de minister in het nadeel van eiser mee dat hij door eventuele zorgkosten een beroep zal doen op de algemene middelen. Het is mogelijk dat referente in de toekomst wel een eigen inkomen krijgt, waardoor geen sprake is van een uitzichtloze situatie waarin zij nooit zal voldoen aan de voorwaarden voor gezinshereniging. De minister weegt verder mee dat voor referente en eiser geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in een ander land uit te oefenen. Referente heeft geen eigen asielvergunning, maar een nareisvergunning zodat er geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen en de omstandigheid dat eiser illegaal in Turkije verblijft betekent niet automatisch dat het gezinsleven met referente en hun zoon niet in Turkije kan worden uitgeoefend. Eiser bestrijdt dat, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van de minister op dit punt onjuist is. De minister heeft het belang van de minderjarige zoon van eiser en referente om bij beide ouders te verblijven in het voordeel van eiser gewogen. De minister stelt zich echter niet ten onrechte op het standpunt dat alle omstandigheden in samenhang bezien maken dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het belang van eiser, referente en hun minderjarige zoon.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.ABRvS 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:425.