Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16512

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33747 en NL26.33749
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Spanje op grond van interstatelijk vertrouwensbeginsel

Verzoekers hebben een voorlopige voorziening gevraagd om te voorkomen dat zij worden overgedragen aan Spanje, omdat zij bezwaar maken tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun asielaanvragen in Nederland. De minister had deze aanvragen niet-ontvankelijk verklaard omdat Spanje reeds internationale bescherming aan hen verleent.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er wel sprake is van een spoedeisend belang vanwege de geplande overdracht op 18 juni 2026. Echter, het beroep van verzoekers heeft geen redelijke kans van slagen. Verzoekers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Spanje zijn internationale verplichtingen jegens hen niet zal nakomen of dat zij bij terugkeer een reële kans lopen op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.

De verwijzing naar het AIDA-rapport en de gezinssituatie van verzoekers overtuigt niet dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor de overdracht aan Spanje kan plaatsvinden. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen overdracht aan Spanje wordt afgewezen, waardoor overdracht kan plaatsvinden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33747 en NL26.33749

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker, en

[naam], V-nummer: [nummer], verzoekster

gezamenlijk te noemen: ‘verzoekers’,
mede namens hun minderjarige kinderen:
[naam], geboren op [datum],
[naam], geboren op [datum],
[naam], geboren op [datum]
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M. Weerman).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers. Zij vragen de voorzieningenrechter te bepalen dat zij niet overgedragen mogen worden aan Spanje tot dat op hun beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaring van hun asielaanvragen is beslist.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Bij besluiten van 1 april 2026 (het bestreden besluiten) heeft de minister de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard omdat Spanje reeds internationale bescherming heeft verleend.
2.1.
Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
Voor verzoekers is op 18 juni 2026 een overdracht gepland aan de autoriteiten van Spanje. Omdat onverwijlde spoed dat vereist doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder partijen uit te nodigen voor een zitting [1] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Het standpunt van verzoeker
3. Verzoekers voeren – samengevat – aan dat ten aanzien van Spanje niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Het standpunt van de minister
4. De minister stelt zich primair op het standpunt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, omdat sprake is van een gecontroleerde vrijwillige overdracht aan Spanje en niet van een gedwongen overdracht.
4.1.
Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. In dat kader voert de minister primair aan dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het door verzoeker te laat is ingediend. Gelet hierop dient het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewezen. Subsidiair stelt de minister dat ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 25 november 2025 [2] , waarin is geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat ten aanzien van Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
Spoedeisendheid
5. De voorzieningenrechter volgt de minister niet in zijn primaire standpunt dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Uit de kennisgeving volgt dat verzoekers op een concreet tijdstip, namelijk op 18 juni 2026 om 11:00 uur, worden overgedragen aan Spanje. Tegen deze achtergrond is de overdracht niet zodanig vrijblijvend dat geen sprake zou zijn van een dreigende feitelijke situatie. Daarbij acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat het niet voldoen aan deze kennisgeving gevolgen voor verzoekers kan hebben. Daarom acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de beoordeling van hun verzoek.
5.1.
Nu sprake is van een spoedeisend belang, dient te worden beoordeeld of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter laat in het midden of het beroep tijdig is ingesteld. Ook als wordt uitgegaan van ontvankelijkheid van het beroep, leidt hetgeen verzoekers hebben aangevoerd niet tot het voorlopige oordeel dat het beroep gelet op de aangevoerde gronden een redelijke kans van slagen heeft. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
5.2.
Voor zover verzoekers stellen dat zij in Spanje geen zorgvuldige asielprocedure zullen krijgen of dat zij geen rechtsmiddelen zullen kunnen aanwenden tegen een eventuele afwijzende beslissing, volgt de voorzieningenrechter hen daarin niet. Aan het bestreden besluit ligt immers ten grondslag dat verzoekers al internationale bescherming genieten in Spanje. Tegen die achtergrond hebben verzoekers niet inzichtelijk gemaakt waarom zij bij terugkeer naar Spanje alsnog een asielprocedure zouden moeten doorlopen of waarom de door hen gestelde tekortkomingen in de Spaanse asielprocedure op hun situatie van toepassing zouden zijn.
5.3.
Uitgangspunt is voorts dat de minister ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan verzoekers om aannemelijk te maken dat Spanje zijn internationale verplichtingen tegenover hen niet zal nakomen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn verzoekers daarin niet geslaagd.
De verwijzing naar het AIDA-rapport 2025 biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat zij, die internationale bescherming genieten in Spanje, bij terugkeer in het algemeen een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de door verzoekers aangehaalde passages voornamelijk betrekking lijken te hebben op de asielprocedure en de opvang van asielzoekers, terwijl verzoekers al internationale bescherming in Spanje genieten. Ook hetgeen verzoekers hebben aangevoerd over hun gezinssituatie en de aanwezigheid van jonge kinderen leidt niet tot een ander oordeel. Verzoekers hebben geen concrete aanknopingspunten aangedragen waaruit volgt dat zij als statushouders bij terugkeer naar Spanje zullen worden geconfronteerd met omstandigheden die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest bereiken. Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat sprake is van zodanige tekortkomingen dat de minister ten aanzien van Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht uitgaan.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dat betekent dat verzoekers kunnen worden overgedragen aan Spanje. Verzoekers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. Hoekstra – Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.ABRvS 25 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5661.