ECLI:NL:RBDHA:2026:16458

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.21127
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 18 DublinverordeningArt. 20 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag niet in behandeling genomen wegens verantwoordelijkheid Kroatië volgens Dublinverordening

Eiser, met de Sierra Leoonse nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in, die niet in behandeling werd genomen omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling. Dit volgde uit Eurodac-gegevens en een terugnameverzoek aan Kroatië dat werd geaccepteerd.

Eiser voerde aan dat Kroatië niet langer kon worden vertrouwd vanwege zijn persoonlijke ervaringen van detentie, slechte behandeling en gebrek aan effectieve bescherming, wat volgens hem een risico op schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro opleverde. Hij stelde dat verweerder dit had moeten onderzoeken en motiveren.

De rechtbank oordeelde dat Kroatië met de aanvaarding van het terugnameverzoek zijn verantwoordelijkheid bevestigde en dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen niet zou nakomen of dat er sprake was van ernstige tekortkomingen.

Ook waren er geen bijzondere individuele omstandigheden die overdracht aan Kroatië onevenredig maakten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21127

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2003 en de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend in Kroatië. Op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening [3] heeft Nederland aan Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Op 13 februari 2026 hebben de Kroatische autoriteiten het verzoek aanvaard op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat ten aanzien van Kroatië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft verklaard dat hij in Kroatië is gedetineerd, geen of onvoldoende eten en drinken kreeg, zich daar niet veilig voelde en geen effectieve bescherming ontving. Deze persoonlijke ervaringen vormen volgens eiser concrete aanwijzingen voor een risico op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [4] en artikel 4 van Pro het Handvest [5] na overdracht aan Kroatië. Verweerder had deze omstandigheden nader moeten onderzoeken en moeten betrekken bij de beoordeling of overdracht aan Kroatië mogelijk is, dan wel of Nederland de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening zelf moet behandelen. Eiser betwist dat verweerder op basis van de Eurodac-registratie zonder meer heeft mogen aannemen dat hij in Kroatië een asielverzoek heeft ingediend. Hij stelt dat zijn vingerafdrukken tijdens detentie zijn afgenomen, zonder duidelijke uitleg over de betekenis daarvan, en dat hij nooit heeft gewild om in Kroatië asiel aan te vragen. Volgens eiser had verweerder, gelet op zijn verklaringen over het ontbreken van een gehoor, uitleg en effectieve begeleiding, nader moeten motiveren waarom toch van een geldig verzoek om internationale bescherming in Kroatië wordt uitgegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat niet gebleken is dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag en dat verweerder nader onderzoek had moeten verrichten. Met de aanvaarding van het terugnameverzoek hebben de Kroatische autoriteiten hun verantwoordelijkheid bevestigd en gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verdragen. Verweerder heeft hierin geen aanleiding hoeven zien voor nader onderzoek of het vragen van aanvullende garanties. Eisers stelling dat hij geen asiel heeft willen aanvragen in Kroatië is daarvoor niet voldoende. Door deze stelling niet nader te onderbouwen, heeft eiser namelijk geen aanknopingspunten voor twijfel aan de Eurodac-registratie aangeleverd. Ook de omstandigheid dat de Kroatische autoriteiten het terugnameverzoek hebben geaccepteerd onder verwijzing naar artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening is daarvoor onvoldoende. Ook daarmee is namelijk het terugnameverzoek aanvaard. Hierbij is van belang dat de Dublinverordening niet voorziet in voorlopige claimakkoorden of claimakkoorden onder voorbehoud.
5. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Kroatië, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is reeds bevestigd in de uitspraken van de Afdeling [6] van 20 augustus 2025 [7] en 21 november 2025. [8] Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval daar niet van kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de Kroatische autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hem niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Ook is niet gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen. Indien eiser in Kroatië toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Kroatische (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Kroatische autoriteiten voor eiser niet mogelijk was of bij voorbaat zinloos is. Ook is niet gebleken dat eiser een klacht heeft ingediend over de gestelde ontoereikende omstandigheden in de asielprocedure, opvangvoorzieningen en behandeling door de Kroatische autoriteiten die hij tijdens een eerder verblijf in Kroatië zou hebben meegemaakt.
6. Verder heeft verweerder in de door eiser gestelde omstandigheden evenmin reden hoeven zien om de verantwoordelijkheid aan zich te trekken. Het betreffen namelijk geen bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië onevenredig moet worden geacht. Daarbij heeft verweerder ervan uit mogen gaan dat eisers eerdere ervaringen in Kroatië al betrokken zijn bij de beoordeling op het punt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en daarom niet nogmaals een rol kunnen spelen in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. [9] Eiser heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die overdracht naar Kroatië onevenredig hard maken. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
7. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.