Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16372

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL25.35376 en NL26.2690
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 31, tweede lid, VwArt. 30b, eerste lid, onder h, VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering en schending samenwerkingsverplichting

Eiseres, een Turkse activiste sinds 2004, diende een asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister het asielrelaas onvoldoende en te globaal heeft vastgesteld, met name de politieke activiteiten en de risico’s bij terugkeer zijn niet deugdelijk beoordeeld. De minister heeft de samenwerkingsverplichting uit WI 2024/6 geschonden door niet alle relevante elementen afzonderlijk te identificeren en onvoldoende te motiveren waarom bepaalde verklaringen als ongeloofwaardig zijn aangemerkt.

De rechtbank stelt vast dat eiseres geloofwaardige verklaringen heeft afgelegd over bedreigingen door Turkse autoriteiten en haar ex-vriend, en dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de algemene situatie in Turkije en de gevolgen van haar politieke overtuiging. De risicobeoordeling bij terugkeer is niet toekomstgericht en niet in lijn met het beleid IB 2024/10.

Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en draagt de minister op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De minister wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 2.802,-.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.35376 (beroep)
NL26.2690 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres],geboren op [geboortedag] 1986, van Turkse nationaliteit, eiseres/verzoekster, hierna: eiseres
(gemachtigde: mr. E. Arslan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. A.E .van der Burg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en haar verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiseres heeft op 9 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiseres heeft in eerste instantie beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op haar asielaanvraag [1] . De minister heeft op 12 januari 2026 alsnog beslist op deze aanvraag en de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiseres heeft daarom geen belang meer bij haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.
1.2.
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb [2] heeft het beroep tegen het niet
tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het
beroep tegemoet komt. Eiseres is het niet eens met het inhoudelijke besluit op haar
asielaanvraag, zo heeft zij bij brief van 13 januari 2026 laten weten. Het beroep van eiseres heeft daarom mede betrekking op het besluit van 12 januari 2026 (hierna: het bestreden besluit).
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2025, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, T. Cetinkaya als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
2. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is sinds 2004 activistisch. Zij zet zich in voor de rechten van vrouwen en andere achtergestelde groepen in Turkije. Hierdoor is zij regelmatig mishandeld door de autoriteiten. Sinds 2012 verricht zij activiteiten voor de HDP [3] , waar zij als vrijwilliger betrokken is. In 2022 hebben er huiszoekingen plaatsgevonden bij haar thuis en ook bij haar ouders. Verder heeft eiseres verklaard door haar ex-vriend te zijn bedreigd met de dood. Zij stond daarvoor onder politiebescherming. Desondanks is haar ex-vriend naar haar werk gekomen en heeft hij haar collega’s mishandeld. De officier van justitie heeft meerdere malen haar adres openbaar gemaakt. Dit heeft zij tegen de media gezegd. In december 2022 heeft haar ex-vriend de ramen en deur van haar woning kapotgeslagen. In 2023 ging eiseres naar Hatay om te helpen na de aardbeving. Zij werd daar ook bedreigd door een lokale agent. Eiseres heeft besloten Turkije te verlaten. In Nederland is zij nog steeds doorgegaan met het schrijven en delen van activistisch materiaal. Bij terugkeer naar Turkije vreest eiseres te worden vervolgd vanwege haar politieke overtuiging en de door haar uitgevoerde politieke activiteiten.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende drie relevante asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen vanwege politieke activiteiten;
3. problemen met haar ex-vriend.
3.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres, evenals de problemen met haar ex-vriend, geloofwaardig. De problemen vanwege politieke activiteiten acht de minister deels geloofwaardig. De minister acht het geloofwaardig dat eiseres een politieke overtuiging heeft, gelet op haar activiteiten voor de HDP en haar betrokkenheid bij de vrouwenbeweging, waaronder het opzetten van een platform, het organiseren van acties, deelname aan demonstraties en haar publicaties. Maar de vrees hierdoor wordt niet geloofwaardig geacht. Dit wordt volgens de minister verder getoetst onder het kopje ‘Vluchtelingenschap’. De geloofwaardig geachte asielmotieven leveren volgens de minister geen asielgrond op, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiseres een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag [4] of dat zij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM [5] . De asielaanvraag is kennelijk ongegrond [6] verklaard, omdat eiseres niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.
Beoordeling
Vaststellen asielmotieven
4. Eiseres voert aan dat de minister de asielmotieven onvolledig heeft vastgesteld, zoals wel vereist is conform WI 2024/6 [7] . De minister heeft de samenwerkingsverplichting geschonden. Eiseres heeft meerdere onderscheiden elementen naar voren gebracht die elk relevant zijn voor de beoordeling van haar beschermingsbehoefte, namelijk: haar vrouwenrechtenactivisme, haar zichtbaarheid als HDP-activist, de bedreigingen en intimidatie door de Turkse overheid, het structureel uitblijven van bescherming en haar activiteiten na vertrek uit Turkije. De minister heeft deze echter globaal samengevoegd onder één algemene noemer ‘problemen vanwege politieke activiteiten’. Daarmee heeft de minister nagelaten het asielrelaas volledig en zorgvuldig vast te stellen. In het bijzonder is stap 1 van WI 2024/6 onvoldoende uitgevoerd. Dat de minister stelt dat deze elementen alsnog zijn meegenomen in de beoordeling van de zwaarwegendheid, gaat volgens eiseres niet op. De vaststelling van de asielmotieven dient namelijk in een eerdere fase plaats te vinden. Wanneer deze vaststelling onvolledig is, ontbreekt een juiste basis voor de latere beoordeling van de zwaarwegendheid. Het besluit is daardoor gebaseerd op een onzorgvuldige en onvolledige vaststelling van het asielrelaas, wat de kern van de besluitvorming aantast.
5. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt de beroepsgrond. De rechtbank legt dat hierna uit.
5.1.
Volgens artikel 31, tweede lid, van de Vw brengt de vreemdeling alle elementen ter staving van zijn aanvraag zo spoedig mogelijk naar voren en is het aan de minister om in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen te beoordelen. De minister oordeelt dan of de elementen geloofwaardig zijn en of ze aanleiding vormen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. In WI 2024/6 heeft de minister nader uitgewerkt hoe deze toetsing wordt verricht. In stap 1 gaat het om het verzamelen van informatie. De vreemdeling dient hierbij alle relevante elementen ter onderbouwing van zijn asielaanvraag in te dienen. Bij het vaststellen van de relevante feiten en omstandigheden bestaat er een samenwerkingsverplichting tussen de vreemdeling en de minister. De minister stelt in stap 1 uiteindelijk de asielmotieven vast. In stap 2 toetst de minister deze asielmotieven op geloofwaardigheid. Een asielmotief wordt in de werkinstructie gedefinieerd als een feit of omstandigheid die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming. In de WI staat ook dat een verzoek om internationale bescherming gebaseerd kan zijn op meerdere, van elkaar te onderscheiden asielmotieven en dat het bestaan van afzonderlijke asielmotieven niet hoeft te betekenen dat deze motieven volledig los van elkaar staan of elkaar op geen enkele wijze beïnvloeden of overlappen.
5.2.
De rechtbank constateert het volgende.
5.2.1.
Eiseres heeft in het aanmeldgehoor (als antwoord op de vraag ‘Wat is de reden of wat zijn de redenen dat u Turkije hebt verlaten?’) het volgende verklaard:
Ik verrichte politieke activiteiten in Turkije. Ik was activiste voor de vrouwenrechten. Ik ben ook lid van de toerismevakbond. Ik ben door mijn ex bedreigd met de dood. Ik stond onder politiebescherming. Hij is ondanks verbod naar mijn werk gekomen en heeft mijn collega’s mishandeld. De officier van justitie heeft meerdere malen mijn adres openbaar gemaakt. Dit heb ik tegen de media gezegd. Ik werd door de overheid als doel gesteld. In december 2022 heeft mijn ex mijn ramen en deur kapot geslagen. Daarom besloot ik te vertrekken. Ik wil leven en niet vermoord worden.
5.2.2.
In het nader gehoor verklaart eiseres verder (als antwoord op de vraag ‘Wat heeft voor u de directe aanleiding gevormd om uw land te verlaten?’):
Omdat door de politie openlijk werd gezegd dat ze me zullen ombrengen. Dit soort dingen zijn ze zonder enige terughoudendheid gaan zeggen in mijn gezicht. Uiteindelijk ben ik naar Hatay gegaan in februari. Er was toen een aardbeving. 2023. Ik had bij de gemeente een reddingscertificaat want ik wilde deelnemen aan reddingsacties. De vierde of vijfde dag ben ik naar het appartement gegaan waar mijn ooms wonen. Ik was met vrienden van de HDP. Ik heb toen de kinderen van mijn oom onder het puin vandaan gehaald. Iemand vroeg mij om mijn id-bewijs. Die vroeg ‘wie van jullie is [eiseres]’. Die nam mij apart en zei ‘als ik jouw lijk nu in een lijkzak stopt en begraaf, heeft niemand dat in de gaten. Want overal liggen doden.’ Ik was als door de bliksem getroffen. De woning van mijn ouders was ingestort. Ze verbleven in een tent. De politie is naar die tent toegekomen om naar mij te vragen. Ik was daar sowieso al. Zoveel extreme drukte en dreiging was niet nodig. Ze hadden het in hun hoofd gezet om mij om te brengen. In dezelfde periode, ook februari, is de politie naar mijn woning in Istanboel gegaan om daar een doorzoeking te doen. Zonder dat ze daar toestemming voor hadden, hebben ze het huis doorzocht. Het was niet makkelijk voor mij te
beslissen het land te verlaten. Uit lijfsbehoud was er geen andere oplossing.
5.2.3.
Ook verklaart eiseres (in antwoord op de vraag ‘Zijn er behalve de door u genoemde redenen nog andere redenen voor uw vertrek?’):
Dit waren de redenen. De overheid die is niet in staat om mij rechtstreeks zelf om het leven te brengen. De actief waaraan ik deelnam, waren democratische acties ter verdediging van de mensenrechten. Zij proberen het zover te krijgen dat iemand anders een wapen pakt en mij neerschiet. Net als die [naam]. Daar heb ik drie maanden mee geflirt en het is niet normaal dat die persoon mij jarenlang obsessief volgt. Ook dat de officier van justitie mijn adres deelt. Ze willen het laten voorkomen alsof het een gewoon geval van femicide is. De politie heeft het in mijn gezicht gezegd, dat ze dat willen doen.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de vaststelling van het tweede asielmotief als ‘problemen vanwege politieke activiteiten’, gelet op de uitvoerige verklaringen van eiseres over haar redenen om Turkije te verlaten, te algemeen van aard is en ontoereikend is en daarmee onvoldoende recht doet aan het asielrelaas van eiseres. De rechtbank stelt vast dat eiseres herhaaldelijk heeft verklaard dat zij werd bedreigd en geïntimideerd door de Turkse autoriteiten, waaronder de politie, en dat zij voor hen vreest. [8] Tijdens het nader gehoor is zij ook bevraagd over de gestelde huisbezoekingen en arrestaties, een element dat dan ook de kern van haar asielrelaas vormt. Het had daarom op de weg van de minister gelegen om, in samenwerking met eiseres, dit element te identificeren als relevant en als afzonderlijk asielmotief vast te stellen en te beoordelen overeenkomstig de wijze zoals bepaald in WI 2024/6.
5.4.
In het bestreden besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat dit element wel bij de beoordeling van de zwaarwegendheid is meegewogen. Omdat het wel is meegenomen zal dit niets veranderen aan het besluit zoals genomen in het voornemen, aldus de minister. De rechtbank kan dit niet zonder meer volgen. Immers vindt de vaststelling van de asielmotieven plaats in een eerdere fase van de beoordeling. Wanneer die vaststelling onvolledig is, ontbreekt een juiste basis voor de daaropvolgende beoordeling van de zwaarwegendheid. De rechtbank verwijst in dit verband naar paragraaf C1/4.1 van de Vc [9] , waarbij zij opgemerkt dat in deze zaak geen sprake is van een situatie als bedoeld in punt 5 van deze paragraaf.
6. Met betrekking tot het standpunt zoals neergelegd in het voornemen, waarnaar de minister in het bestreden besluit verwijst, wordt nog het volgende opgemerkt. In het voornemen acht de minister het tweede asielmotief (problemen vanwege politieke activiteiten) deels geloofwaardig. De minister merkt daarbij in het bestreden besluit het volgende op: “Gelet op IB 2024/10 [10] wordt het geloofwaardig geacht dat u een politieke overtuiging hebt. Dit blijkt uit uw werkzaamheden bij de HDP en uw betrokkenheid bij de vrouwenbeweging door het opzetten van een platform, het organiseren van acties, uw deelname aan demonstraties en uw publicaties. Dat u een politieke overtuiging heeft wordt derhalve geloofwaardig geacht, uw vrees hierdoor niet, dit wordt verder getoetst onder Vluchtelingschap.” De rechtbank vindt het opmerkelijk dat de minister zich op het standpunt stelt dat het hebben van een politieke overtuiging geloofwaardig wordt geacht, terwijl het asielmotief is aangeduid als ‘problemen vanwege politieke activiteiten’. Dat roept de vraag op waarom deze elementen niet van elkaar zijn onderscheiden. Gelet op de verklaringen van eiseres ligt het voor de hand om ook de politieke overtuiging als zelfstandig asielmotief van het asielrelaas te duiden. Daar komt bij, voor zover het gaat om de problemen vanwege politieke activiteiten – die deels geloofwaardig zijn geacht –, dat uit het voornemen noch uit het bestreden besluit ondubbelzinnig blijkt welke verklaringen door de minister als ongeloofwaardig worden beschouwd. De rechtbank kan dit niet uit de besluitvorming afleiden. Op zitting kon de gemachtigde van de minister hier eveneens geen antwoord op geven.
7. Gelet op het voorgaande heeft de minister in strijd gehandeld met de samenwerkingsverplichting uit WI 2024/6 bij de vaststelling van het asielrelaas en onvoldoende gemotiveerd waarom een deel van haar verklaringen als ongeloofwaardig wordt aangemerkt. Daardoor is ook de beoordeling van de risico’s bij terugkeer niet deugdelijk uitgevoerd.
Beoordeling politieke overtuiging aan de hand van IB 2024/10
8. Eiseres voert daarnaast – kort gezegd – aan dat de minister haar politieke overtuiging ten onrechte niet heeft beoordeeld in het licht van IB 2024/10 inzake politieke overtuiging. De minister stelt zich slechts op het standpunt dat niet valt in te zien waarom eiseres zich bij terugkeer niet opnieuw op dezelfde wijze zou kunnen uiten. Daarmee is echter niet beoordeeld welk risico zij bij die uitingen loopt. IB 2024/10 vereist niet alleen een uitvraag of iemand zich zal blijven uiten, maar ook een beoordeling van de gevolgen die dergelijke uitingen bij terugkeer kunnen hebben. Die risicobeoordeling ontbreekt in het besluit.
9. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt ook deze beroepsgrond. De rechtbank legt dat hierna uit.
9.1.
Het Hof [11] heeft in het arrest S en A [12] ten aanzien van een politieke overtuiging, voor zover van belang, het volgende overwogen:
“Uit het voorgaande volgt dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten een uitputtend en grondig onderzoek moeten verrichten van alle relevante omstandigheden met betrekking tot de specifieke persoonlijke situatie van deze verzoeker en van de meer algemene context van zijn land van herkomst, met name wat de politieke, juridische, gerechtelijke, historische en sociaal-culturele aspecten ervan betreft, teneinde vast te stellen of die verzoeker een gegronde vrees heeft om persoonlijk te worden vervolgd wegens zijn politieke overtuiging, en met name wegens enige overtuiging die hem kan worden toegedicht door potentiële actoren van vervolging in zijn land van herkomst.” [13]
9.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister naar aanleiding van het arrest S en A van het Hof beleid [14] heeft opgesteld over de beoordeling van een politieke overtuiging. Naar aanleiding van dit arrest en rechtspraak [15] van de Afdeling [16] gaat de minister eerst na of sprake is van een geloofwaardige politieke overtuiging en zo ja, of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wegens een dergelijke politieke overtuiging.
9.3.
De rechtbank stelt verder vast dat zowel een aantal door eiseres verrichte activiteiten en ondervonden problemen als haar politieke overtuiging geloofwaardig worden geacht. Ook staat niet ter discussie dat eiseres onder twee risicoprofielen valt, namelijk personen die actief zijn in de politiek, journalistiek of op het gebied van mensenrechten en DEM-leden en -activisten (voormalig HDP). Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of eiseres daardoor gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Turkije en of het onderzoek naar die vraag in deze procedure zorgvuldig – meer specifiek: in lijn met IB 2024/10 – heeft plaatsgevonden.
9.4.
De minister heeft zich in dit verband in het bestreden besluit enkel op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. De minister heeft nagelaten te beoordelen hoe sterk de politieke overtuiging van eiseres is en evenmin of eiseres de negatieve belangstelling van de autoriteiten heeft gewekt of kan wekken en wat daar de gevolgen van zijn. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende uitputtend en grondig onderzoek heeft verricht naar de algemene situatie in Turkije, teneinde te kunnen vaststellen of eiseres een gegronde vrees heeft voor persoonlijke vervolging wegens haar politieke overtuiging. De rechtbank neemt daarvoor het volgende in aanmerking.
9.4.1.
Uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 blijkt het volgende:
“Voorgaand ambtsbericht meldde dat er ongeveer vijfduizend HDP -leden in de gevangenis zaten. Het was lastig om het precieze aantal gevangengezette HDP leden bij te houden, omdat het oppakken en vrijlaten van HDP -leden voortdurend doorging. Gedurende de verslagperiode bleef het een komen en gaan van DEM -leden in de gevangenis. Een bron schatte het aantal gevangengezette DEM -leden op zeven- à achtduizend. Deze baseerde zich daarbij op mediaberichten en signalen uit het veld. Begin januari 2025 telde DEM 14.741 leden. Dit betekende dat gedurende de verslagperiode ongeveer 47,49% tot 54,27% van het DEM -ledental in de gevangenis zat.” [17]
9.4.2.
Ook benoemt het ambtsbericht dat er een aantal factoren zijn die kunnen leiden tot negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten zoals arrestaties, detenties, strafrechtelijke onderzoeken en veroordelingen. Het ambtsbericht noemt dan de volgende, niet uitputtende, factoren:
-
het plaatsen, delen en liken van DEM -gezinde berichten op de sociale media;
-
het deelnemen aan demonstraties (bijvoorbeeld tegen de benoeming van bewindvoerders);
-
het geven of bijwonen van persverklaringen;
-
het sturen van geld naar gevangengezette familieleden (dit laatste kon worden beschouwd als het financieel steunen van de PKK).” [18]
9.4.3.
Ten aanzien van mensenrechtenverdedigers benoemt het ambtsbericht onder meer het volgende:
“Net als tijdens de voorgaande verslagperiode trokken mensenrechtenverdedigers de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten. Zij werden onderworpen aan strafrechtelijke onderzoeken, boetes en gevangenisstraffen.” [19]
(…)
“In de voorgaande verslagperiode werden familieleden van mensenrechtenverdedigers benadeeld door de Turkse autoriteiten. Deze situatie duurde voort in de verslagperiode. Zo konden familieleden van mensenrechtenverdedigers worden tegengewerkt in hun streven om ambtenaar, academicus of arts te worden. Ook kwam het voor dat familieleden van gevangen mensenrechtenverdedigers door de autoriteiten werden gedwongen om te fungeren als informant. Het bleef onduidelijk op welke schaal dergelijke praktijken plaatsvonden.” [20]
9.4.4.
Wat betreft vrouwenrechtenactivisme vermeldt het ambtsbericht onder meer het volgende:
“Tijdens de voorgaande verslagperiode kreeg de vrouwenbeweging te maken met repressie van de Turkse staat. Deze situatie duurde voort tijdens de verslagperiode. Desalniettemin toonde de vrouwenbeweging in Turkije zich strijdbaar en vitaal.” [21]
9.5.
De enkele conclusie van de minister in het bestreden besluit dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de negatieve belangstelling staat, is onvoldoende gemotiveerd en niet in overeenstemming met het eigen beleid [22] van de minister. De verklaringen van eiseres zijn niet kenbaar beoordeeld in het licht van de beschikbare landeninformatie. Ook de herhaaldelijke conclusie van de minister dat niet valt in te zien waarom de (huidige) uitingen van eiseres tot andere problemen zouden leiden dan de problemen die zij eerder in Turkije heeft ondervonden, is onvoldoende gemotiveerd. Die redenering impliceert immers dat pas sprake kan zijn van een reëel risico bij terugkeer indien eiseres in het verleden reeds ernstige problemen heeft ondervonden. Daarmee wordt miskend dat de beoordeling ook een toekomstgerichte risicobeoordeling vergt.
9.6.
Ten aanzien van de specifieke persoonlijke situatie van eiseres geeft de rechtbank de minister het volgende mee. Omdat de minister het asielrelaas (deels) geloofwaardig heeft geacht, zullen de relevante omstandigheden met betrekking tot de specifieke persoonlijke situatie van eiseres moeten worden bezien tegen de uitkomst van het door de minister nog nader te verrichten onderzoek naar de algemene context in Turkije. Met de specifieke persoonlijke situatie bedoelt de rechtbank in elk geval de geloofwaardig geachte gebeurtenissen in Turkije, maar ook de (politieke) activiteiten van eiseres in Nederland. De rechtbank benoemt dit in deze overweging afzonderlijk omdat eiseres specifieke persoonlijke situatie niet los gezien kan worden van de algemene context in Turkije. In het nieuw te nemen besluit dient de minister de geloofwaardige gebeurtenissen in het licht van de nader onderzochte algemene context in Turkije te beoordelen.

Conclusie en geloven

10. Het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit is, gelet op wat hiervoor is overwogen, al gegrond. Wat partijen verder hebben gesteld behoeft daarom op dit moment geen bespreking. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Gelet op de aard van de geconstateerde gebreken draagt de rechtbank de minister op eiseres te horen. De rechtbank ziet dus geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank zal daarom de minister opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van twaalf weken. Het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk.
11. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL25.35376:
  • verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op om binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.2690:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Het beroep niet tijdig is ingediend op 8 augustus 2024. Dit beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats gegrond verklaard bij uitspraak van 21 november 2024. Vervolgens heeft eiseres opnieuw een beroep niet tijdig beslissen ingediend op 31 juli 2025.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Halkların Demokratik Partisi (vertaling: De Democratische Volkspartij), veelal omschreven als een pro-Koerdische politieke partij, inmiddels bekend als DEM.
4.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
5.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
6.Artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
7.Werkinstructie 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (WI 2024/6).
8.Pagina’s 17, 18, 19, 22 en 23 van het verslag nader gehoor.
9.Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
10.Informatiebericht 2024/10 Werkwijze politieke overtuiging.
11.Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof).
12.Arrest van 13 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688 (arrest S en A).
13.Zie punt 45 van het arrest S en A.
14.Zie IB 2024/10 en paragraaf C2/3.2.5.3 van de Vc.
15.Zie de uitspraken van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:63, en van 28 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:138.
16.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
17.Pagina 63 van het Algemeen Ambtsbericht Turkije februari 2025.
18.Pagina’s 64 en 65 van het Algemeen Ambtsbericht Turkije februari 2025.
19.Pagina 26 van het Algemeen Ambtsbericht Turkije februari 2025.
20.Pagina 27 van het Algemeen Ambtsbericht Turkije februari 2025.
21.Pagina 80 van het Algemeen Ambtsbericht Turkije februari 2025.
22.Zie paragraaf C2/3.2.5.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (C).