Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16258

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL25.27518
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 31 lid 6 sub c VwArt. 1a VluchtelingenverdragArt. 3 EVRMArt. 8:72 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering over detentie en ontsnapping

Eiser, een Libische nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen wegens onvoldoende geloofwaardigheid van zijn relaas over problemen met een aan Haftar gelieerde militie. Eiser stelde dat hij werd beschoten, gevangen genomen, gemarteld en tot de doodstraf veroordeeld, waarna hij ontsnapte.

De rechtbank oordeelt dat de minister zich ten onrechte niet heeft uitgesproken over de geloofwaardigheid van de detentie en ontsnapping, terwijl eiser hiervoor documenten had overgelegd. De minister had zich vooral gericht op de aanleiding van de detentie en niet op de gebeurtenissen daarna.

Verder was het nader gehoor weliswaar gespreid over vijf maanden en met wisselende tolken, maar dit leidde niet tot schending van de zorgvuldigheid. De rechtbank achtte de verklaringen van eiser aannemelijk en vond dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de zware omstandigheden waaronder eiser gevangen zat.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €1.868,- toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27518

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.M.A. Breuls),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Libische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993. De minister heeft met het bestreden besluit van 26 mei 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Namens eiser zijn aanvullende gronden en documenten ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, W. Fadl als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard te hebben gewerkt als handelaar voor de brigade van Mounier Bellezz, een aan Haftar gelieerde militie. Toen eiser weigerde om gestolen goederen voor hen te vervoeren en hij wilde stoppen met werken voor deze brigade werd hij tot twee keer toe beschoten: in november 2015 en in maart 2016. Ook beschoot de brigade eisers broer in de veronderstelling dat hij het was. De brigade van Mounier Bellezz detineerde eiser op 26 maart 2017 en hij zat uiteindelijk ruim vier jaar vast. Tijdens eisers gevangenschap werd hij gemarteld en gedwongen om valse bekentenissen af te leggen. Eiser ontsnapte in 2021 uit de gevangenis en vond er later een huiszoeking plaats toen hij niet thuis was. Eiser is bij verstek ter dood veroordeeld. Ook is eiser voorstander van het voormalige Khadafi-regime en op basis hiervan hebben rekruten van de eerdergenoemde brigade/militie hem telefonisch bedreigd. Eiser vreest bij terugkeer vervolging door de brigade van Mounier Bellezz en consorten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst;
- de problemen met een aan Haftar-gelieerde militie.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn.
De problemen met een aan Haftar-gelieerde militie vindt de minister niet geloofwaardig. De overgelegde documenten kunnen niet worden gezien als een volledige onderbouwing van eisers asielrelaas. De minister heeft namelijk geconcludeerd dat deze documenten, kopieën zijn en niet op authenticiteit worden geverifieerd. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eisers verklaringen over zijn problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen [2] . Volgens de minister heeft eiser wisselend en vaag verklaard over de momenten waarop hij en zijn broer beschoten zouden zijn. Ook stelt de minister zich op het standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de schietpartij waarbij zijn auto geraakt zou zijn. Het is volgens de minister ook niet aannemelijk dat eiser voor de aan Haftar gelieerde militie bleef werken ondanks dat eiser door hen bedreigd en beschoten was. De minister volgt niet dat eiser langer dan een jaar in Libië heeft verbleven na zijn ontsnapping voordat hij het land ontvluchtte. Niet valt in te zien waarom eiser in Libië bleef ondanks de twee schietpartijen waar hij het doelwit van was en ondanks zijn detentie die ruim vier jaar duurde en waarbij hij gemarteld zou zijn. Volgens de minister heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de reden van zijn detentie.
4.1.
Ten aanzien van het geloofwaardig geachte asielmotief heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser enkel op grond daarvan niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. [3] Het is niet gebleken dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Libië een reëel risico loopt op ernstige schade. [4] De minister heeft daarom de asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Zorgvuldigheid van het nader gehoor
5. Eiser stelt dat het nader gehoor onzorgvuldig is verlopen. Eiser heeft gewezen op het feit dat tussen de twee dagen van het nader gehoor een onverklaarbare periode van vijf maanden heeft gelegen. Bovendien is op de tweede dag van het nader gehoor het gehoor afgenomen door een andere hoormedewerker en was er een andere tolk aanwezig. De naam van deze tolk is niet vermeld in het gehoorverslag, ook is niet aangegeven of sprake was van een registertolk. Eiser betoogt dat juist op die dag verklaringen zijn afgelegd die hem later worden tegengeworpen. Daarnaast stelt eiser dat niet is gebleken dat de opvolgende hoormedewerker voldoende was geïnformeerd of voorbereid. Het omvangrijke gehoorverslag is bovendien door de vorige gemachtigde uitsluitend telefonisch met eiser doorgenomen. Volgens eiser zijn het gehoor en het verslag van het gehoor niet zorgvuldig tot stand gekomen.
5.1.
De rechtbank constateert dat het eerste deel van het nader gehoor op 4 maart 2024 heeft plaatsgevonden en op 14 augustus 2024 het tweede deel. De rechtbank merkt hierover op dat dit allerminst wenselijk is. Eiser heeft echter niet onderbouwd op welke wijze hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Verder heeft de minister in het verweer en op zitting naar voren gebracht dat ook in het tweede deel van het nader gehoor een registertolk is gebruikt en dat deze gegevens enkel abusievelijk niet in het rapport zijn opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat uit het rapport van het nader gehoor niet blijkt dat eiser tijdens het gehoor problemen heeft ervaren met de tolk of de vertaling en ook niet dat hij hierover bezwaren heeft geuit. De enkele stelling dat hoormedewerker onvoldoende voorbereid zou zijn, is niet onderbouwd en de rechtbank ziet in het verslag van het nader gehoor daar ook geen aanknopingspunten voor. De keuze van de vorige raadsman om het gehoor telefonisch met eiser te bespreken kan de minister niet worden aangerekend. De rechtbank volgt eiser daarom niet in de stelling dat het gehoor niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Het tweede asielmotief: de problemen met een aan Haftar-gelieerde militie.
6. Eiser stelt dat zijn verklaringen over de problemen met een aan Haftar gelieerde militie ten onrechte niet geloofwaardig zijn bevonden. Ten aanzien van de overgelegde documenten stelt eiser dat het niet van hem kan worden verwacht dat hij de originele documenten aanlevert. Deze worden namelijk niet vrijgegeven en blijven bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. Verder is er volgens eiser sprake van een onvolledige toets en beoordeling van zijn asielrelaas. De minister gaat er aan voorbij dat de ongeloofwaardig geachte verklaringen gaan over andere zaken dan waar de ingebrachte documenten op zien. De minister kan namelijk niet het bewijs dat ziet op de detentie van eiser en zijn ontsnapping passeren omdat de minister eisers verklaringen over andere zaken (de beschietingen van eiser en zijn broer, het blijven werken voor de militie ondanks de beschieting en de ontsnapping uit de gevangenis) ongeloofwaardig acht. Over de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over zijn detentie en zijn ontsnapping, die hij met kopieën heeft onderbouwd, heeft de minister zich in het geheel niet uitgelaten.
Eiser is van mening dat de minister de documenten in ieder geval had moeten meenemen in stap 2b van de geloofwaardigheidstoets. De minister heeft nergens in de beoordeling in het voordeel van eiser meegenomen dat hij zich heeft ingespannen om zijn asielrelaas te onderbouwen en gemotiveerd hoe dit wordt meegewogen in de beoordeling. Eiser heeft namelijk een document van zijn advocaat in Libië ontvangen waarin deze bevestigt dat eiser veroordeeld is voor moord met voorbedachte rade en dat eiser, na zijn ontsnapping uit de gevangenis, bij verstek is veroordeeld tot de doodstraf. Volgens eiser is dit doodvonnis het bewijs dat zijn leven in Libië op het spel staat bij terugkeer en hem hierom bescherming moet worden geboden. Eiser meent verder dat door de minister niet inzichtelijk is gemaakt hoe de conclusie over de documenten tot stand is gekomen. Dat de tot nu toe namens eiser overgelegde documenten kopieën zijn, betekent niet dat Bureau Documenten deze documenten reeds daarom niet kan onderzoeken. Ten aanzien van de lijst van gevangenen en hun status, stelt eiser dat hij hiermee in elk geval zeer aannemelijk heeft gemaakt dat hij gevangen heeft gezeten en dat hij is ontsnapt op 20 augustus 2021.
Eiser stelt dat nu hij uit Libië is gevlucht vanwege zijn problemen met aan Haftar gelieerde
militie, Mounier Beliezz en hij door de militie is beschoten, opgepakt, meer dan 4 jaren gevangen heeft gezeten waarbij hij is gemarteld, ten onrechte aan hem geen asielvergunning is verleend. De minister heeft bovendien onvoldoende rekening gehouden met deze zware omstandigheden waaronder hij deze vier jaar in detentie heeft gezeten, terwijl de minister de zware mishandeling niet heeft betwist.
7. De rechtbank is allereerst van oordeel dat eiser telkens voor de verschillende tegenwerpingen van de minister een aannemelijke verklaring naar voren heeft gebracht. Als voorbeeld noemt de rechtbank het feit dat eiser valse documenten bezat, te weten om veilig te zijn zolang hij in Libië verbleef maar hiermee niet eerder het land kon verlaten. Ook heeft eiser een verklaring gegeven over de correcties met betrekking tot de vermeende maand dat hij in detentie is genomen en de reden waarom eiser heeft gewacht tot hij vluchtte, maar wisselend is verbleven in Benghazi, Tripoli en Masrata om uit handen te blijven van de militie.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich ten onrechte niet heeft uitgesproken over de geloofwaardigheid van de detentie en de ontsnapping van eiser. Temeer nu de detentie en ontsnapping eiser niet wordt tegengeworpen en eiser om dit te onderbouwen documenten (waaronder ook het doodvonnis) heeft overgelegd. Het enkele feit dat dit kopieën zijn, is onvoldoende om dit ter zijde te stellen nu deze documenten het asielrelaas van eiser op belangrijke punten onderbouwen. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in de besluitvorming voornamelijk gericht op de mogelijke aanleiding van de detentie, maar niet over de gebeurtenissen die daarna volgden en hoe hij heeft kunnen ontsnappen.
Nu de detentie, ontsnapping en het doodvonnis cruciale elementen zijn in het asielrelaas van eiser en de minister hierover in het bestreden besluit ten onrechte zich uitsluitend heeft gericht op de reden van de detentie, komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt vanwege strijd met het motiveringsbeginsel. Nu het beroep reeds hierom gegrond is, ziet de rechtbank af van een beoordeling van de overige door eiser aangevoerde beroepsgronden.
8. De rechtbank ziet wel aanleiding om, het volgende op te merken over een artikel 3 EVRM Pro-risico bij terugkeer. Mocht de minister bij een nieuw te nemen besluit opnieuw het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig achten, dan merkt de rechtbank, op dat uit het ambtsbericht blijkt dat personen die terugkeren naar Libië kunnen worden blootgesteld aan langdurige ondervraging en daarbij risico lopen op arrestatie, detentie, een oneerlijk proces, marteling of buitengerechtelijke executie. Ook blijkt uit het ambtsbericht, niet dat terugkeerders aan een bepaald profiel moeten voldoen om voor deze risico’s in aanmerking te komen. [5] De rechtbank stelt voorts vast dat de UNHCR [6] erop aan dringt dat alle staten gedwongen terugkeer naar Libië opschorten totdat de veiligheids- en mensenrechtensituatie aanzienlijk is verbeterd. Deze overwegingen in hun samenhang bezien, brengt met zich dat het aan de minister is alle twijfels over een risico op schending van artikel 3 EVRM Pro weg te nemen bij een eventueel nieuw te nemen besluit op dit punt.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep zal gegrond worden verklaard omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
9.1.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. [7]
9.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 26 mei 2025;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. T.C. Kasper-Kleve, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Zie artikel 31, zesde lid, onder c, Vw.
3.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, artikel 1a.
4.In de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
5.Zie pagina 22 van het Algemeen Ambtsbericht over Libië 2025.
6.Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (Engels: United Nations High Commissioner for Refugees).
7.Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.