Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16250

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL25.62449
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 DublinverordeningArt. 13 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 26 DublinverordeningArt. 28 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging overdrachtsbesluit en verlenging overdrachtstermijn in Dublinprocedure

Eiser, een Algerijnse asielzoeker, werd op 8 september 2025 overgedragen aan Spanje op grond van de Dublinverordening. Na zijn terugkeer en detentie in Nederland werd de overdrachtstermijn verlengd tot 10 december 2026. Eiser stelde beroep in tegen het overdrachtsbesluit en de verlenging van de overdrachtstermijn.

De rechtbank oordeelt dat de besluiten gebrekkig tot stand zijn gekomen door onjuiste data en informatie, en onvoldoende onderzoek naar de situatie van eiser in Spanje. Desondanks acht de rechtbank het overdrachtsbesluit en de verlenging juridisch mogelijk, mede vanwege het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de detentie van eiser.

De rechtbank vernietigt de besluiten vanwege procedurele tekortkomingen, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser. Eiser heeft geen aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het overdrachtsbesluit en het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn, maar laat de rechtsgevolgen in stand en veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62449

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Smeulders)

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2025 (het overdrachtsbesluit) heeft verweerder aan eiser bekendgemaakt dat hij aan Spanje overgedragen zal worden.
Op 15 december 2025 (het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn) heeft verweerder de overdrachtstermijn van eiser naar Spanje tot en met 10 december 2026 verlengd op grond van artikel 29, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening), omdat eiser gevangen is gezet.
Eiser heeft op 19 december 2025 beroep ingesteld tegen het overdrachtsbesluit van 12 december 2025.
Op 4 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het beroep en de voorlopige voorziening aangehouden, omdat eiser op dat moment in strafrechtelijke detentie zat en er geen transport voor hem was voorzien naar de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] .
2. Op 26 mei 2025 heeft Nederland aan Spanje verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder a, van de Dublinverordening
.Spanje heeft dit overnameverzoek op 6 juni 2025 aanvaard op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. Op 8 september 2025 is eiser overgedragen aan Spanje. Vervolgens is eiser op 4 december 2025 door de Nederlandse politie aangehouden en is eiser gedetineerd. Op 8 december 2025 heeft Nederland opnieuw aan Spanje verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder a, van de Dublinverordening
.Spanje heeft dit overnameverzoek op 11 december 2025 aanvaard op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening.
Het overdrachtsbesluit
3. Met het overdrachtsbesluit heeft verweerder bekendgemaakt dat eiser naar Spanje overgedragen zal worden op grond van artikel 26 van Pro de Dublinverordening. Gesteld is dat eiser op 4 december 2025 door de politie is staande gehouden op grond van artikel 50 van Pro de Vreemdelingenwet. Vanaf 10 december 2025 zit eiser, op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, in bewaring in het Detentiecentrum in Rotterdam. Op grond van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening vindt de overdracht plaats zodra dat mogelijk, maar in elk geval binnen de termijn van zes weken vanaf het moment dat Spanje akkoord is gegaan of vanaf het moment dat de rechter uitspraak heeft gedaan op het beroep van eiser en dit uitstellende werking heeft.
Het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn
4. Verweerder heeft de overdrachtstermijn met het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn verlengd tot en met 10 december 2026. Eiser heeft op 16 juni 2025 een besluit van verweerder gekregen, waarin staat dat Nederland zes maanden heeft om eiser over te dragen. Verweerder past deze termijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening aan met een jaar, omdat eiser gevangen is gezet.
Beroepsgronden
5. Eiser voert aan dat het beroep ook is gericht tegen de verlenging van de overdrachtstermijn. Dit besluit mist grondslag. Op grond van vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) slaagt een beroep op artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening alleen wanneer de lidstaat, in dit geval Spanje, voor het verstrijken van 6 maanden is geïnformeerd over de strafrechtelijke detentie. In deze zaak had dat voor 6 december 2025 moeten zijn. Verweerder heeft Spanje pas op 8 december 2025 geïnformeerd over de detentie van eiser, de overdrachtstermijn was toen al verlopen waardoor Nederland verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag van eiser. Ook moet het beginsel van non-refoulement altijd gewaarborgd worden. Uit de stukken blijkt niet dat hier goed onderzoek naar is verricht. Eiser is op 8 september 2025 overgedragen aan Spanje, de ervaringen die hij daar heeft opgedaan hadden betrokken moeten worden. In Spanje loopt eiser een risico om op straat te belanden, zoals hem nu opnieuw is overkomen. Verweerder heeft geen deugdelijk en actueel onderzoek verricht naar de omstandigheden in Spanje en kan zich niet achter het interstatelijk vertrouwensbeginsel verschuilen. Van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag niet zomaar worden uit worden gegaan. Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is namelijk ook van toepassing nu eiser een beroep doet op artikel 3 van Pro het EVRM. Het EVRM legt verdergaande procedurele verplichtingen op dan het EU-Handvest, een standaard beroep door verweerder op het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, is hier dan ook onvoldoende. Het bestreden besluit is onzorgvuldig genomen.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat aan eiser een overdrachtsbesluit opgelegd kon worden, dat het beroep tevens is gericht tegen het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn en dat deze termijn terecht is verlengd tot maximaal een jaar, nu eiser was gevangengezet. Wel is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet zorgvuldig heeft gehandeld door verkeerde data en informatie in de besluiten op te nemen en door in het claimverzoek aan Spanje verkeerde informatie op te nemen. De bestreden besluiten zijn daarmee gebrekkig tot stand gekomen. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal de bestreden besluiten daarom vernietigen. De rechtbank ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten. De rechtbank legt dat hierna uit en bespreekt daartoe de beroepsgronden van eiser.
Overdrachtsbesluit
7. In het overdrachtsbesluit staat dat eiser op 4 december 2025 staande is gehouden, vanaf 10 december 2025 in bewaring zit en dat verweerder zes weken heeft om eiser na het claimakkoord van Spanje over te dragen. Deze informatie klopt niet. Verweerder heeft dit ter zitting erkend en toegelicht. Eiser is strafrechtelijk aangehouden op 4 december 2025 en is toen in strafrechtelijke detentie geplaatst. Ook heeft verweerder zes maanden om eiser over te dragen. Eiser was zelf op de hoogte van zijn strafrechtelijke detentie en is daarom niet in zijn belangen geschaad door dit zorgvuldigheidsgebrek. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eiser op 14 februari 2026 vervroegd uit detentie is vrijgelaten en op eindverlof is gestuurd. Onbekend is waar eiser nu verblijft.
7.1.
Daarnaast heeft verweerder ter zitting toegelicht dat in het claimverzoek aan Spanje per abuis is opgenomen dat eiser op 5 december 2025 asiel heeft aangevraagd in Nederland en is per abuis naar artikel 28 van Pro de Dublinverordening verwezen, dit artikel ziet op bewaring. Spanje is op 11 december 2025 akkoord gegaan met het overnameverzoek van Nederland. Hierna is Spanje op 15 december 2025, tegelijkertijd met de verlenging van het overdrachtsbesluit, wel op de hoogte gesteld van de strafrechtelijke detentie van eiser. Eiser is daardoor ook op dit punt niet in zijn belangen geschaad.
7.2.
Eiser stelt zich op het standpunt dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag van eiser. Spanje is namelijk pas op 8 december 2025 geïnformeerd over zijn detentie en de overdrachtstermijn was toen al was verlopen. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Op 8 september 2025 is eiser namelijk uitgezet naar Spanje. Nederland heeft eiser dus binnen zes maanden na het eerste claimakkoord van 6 juni 2025 overgedragen aan Spanje. De overdrachtstermijn van zes maanden is met het tweede claimakkoord van 11 december 2025 opnieuw gaan lopen. Op grond daarvan kon het overdrachtsbesluit worden genomen.
Eisers ervaringen in Spanje
8.1.
Eiser voert aan dat de ervaringen die hij nu in Spanje heeft meegemaakt, onder andere het opnieuw op straat belanden (als Dublinclaimant), in ogenschouw genomen hadden moeten worden.
8.2.
Uit artikel 5, derde lid, van de Dublinverordening volgt dat een persoonlijk onderhoud (gehoor) plaats dient te vinden voordat er een besluit tot overdracht wordt genomen. In artikel 30, tweede lid, van de Vw en paragraaf C1/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat ook dat eiser gehoord moet worden over zijn eventuele bezwaren tegen een overdracht naar Spanje. Verweerder heeft het overdrachtsbesluit op 12 december 2025 genomen, zonder een persoonlijk onderhoud met eiser plaats te laten vinden, zoals in artikel 5, derde lid, van de Dublinverordening is voorgeschreven. Op 21 januari 2026 heeft er echter wel een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Eiser heeft niets verklaard over eventuele bezwaren tegen een overdracht aan Spanje en heeft verklaard mee te werken aan een overdracht aan Spanje. Ook is eiser niet ter zitting verschenen om zijn bezwaren tegen overdracht aan Spanje kenbaar te maken. Eiser is na de oplegging van het overdrachtsbesluit alsnog meermaals in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren tegen de overdracht aan Spanje kenbaar te maken en heeft dit niet gedaan.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
9. Verweerder mag ten slotte ten aanzien van Spanje uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit bevestigd in de uitspraak van 16 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1431. Verweerder mag dus aannemen dat indien hij eiser overdraagt, de Spaanse autoriteiten zijn asielaanvraag zullen behandelen en hem gedurende de asielprocedure opvang zullen verlenen en mag aannemen dat de asielprocedure en de opvang voldoen aan de minimumeisen die het Unierecht hieraan stelt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het asiel-en opvangsysteem in Spanje dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU-Handvest.
Verlenging van de overdrachtstermijn met het overdrachtsbesluit
10. In het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn staat dat de overdrachtstermijn tot maximaal een jaar wordt verlengd omdat eiser is gevangengezet. Verweerder heeft in dit besluit verwezen naar het overdrachtsbesluit van 16 juni 2025. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat per abuis naar het overdrachtsbesluit van 16 juni 2025 is verwezen. Eiser is na het overdrachtsbesluit van 16 juni 2025 namelijk al overgedragen aan Spanje. De verlenging van de overdrachtstermijn ziet op de overdrachtstermijn van het overdrachtsbesluit van 12 december 2025. De rechtbank volgt deze uitleg en volgt daarom tevens het standpunt van partijen dat het beroep van eiser tegen het overdrachtsbesluit op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zich tevens richt tegen het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn. Deze overdrachtstermijn kon tot maximaal een jaar worden verlengd omdat eiser was gevangengezet. De overdrachtstermijn verloopt op 10 december 2026, dit staat ook in het verlengingsbesluit vermeld. Hieruit kon door eiser opgemaakt worden dat het overdrachtsbesluit van 12 december 2025 bedoeld was. Eiser is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt, gelet op de onder r.o. 7., 7.1., 8.2. en 10. geconstateerde gebreken, de bestreden besluiten. De rechtbank ziet wel aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten.
12. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank;
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het overdrachtsbesluit van 12 december 2025 en het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn van 15 december 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.