ECLI:NL:RBDHA:2026:16228

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL25.59327 en Nl25.59328
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 29 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 31 Vw 2000Art. 62 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag en oplegging inreisverbod wegens ontbreken asielgronden

Eiser, van Iraakse nationaliteit, diende op 2 juli 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag op 27 november 2025 af als kennelijk ongegrond, omdat eiser geen asielgronden had aangevoerd en geen reëel risico op vervolging kon aantonen.

Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om zijn uitzetting te voorkomen. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek op 1 juni 2026. Eiser betoogde onder meer dat het inreisverbod een onevenredige beperking vormt van zijn recht op gezinsleven en dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de aanvraag als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, omdat eiser geen asielgronden had genoemd en het beroep op gezinshereniging geen asielgrond is. Het inreisverbod is volgens de rechtbank proportioneel en niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, mede omdat eiser de onevenredige belasting onvoldoende heeft onderbouwd.

De rechtbank wees het beroep ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tevens werd eiser geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter mr. A.E.J.M. Gielen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.59327 (beroep)
NL25.59328 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag 1] 1964, dan wel [geboortedag 2] 1958, van Iraakse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 2 juli 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 27 november 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [1] Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op zijn beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
2. Eiser is uit Irak is vertrokken omdat zijn pogingen om herenigd te worden met zijn vrouw en kinderen in Nederland via een reguliere procedure niet zijn gelukt. Eiser is al lang van hen gescheiden en wil weer met hen gaan samenwonen.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit het volgende asielmotief: identiteit, nationaliteit en herkomst.
3.1.
De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers beroep op gezinshereniging is echter geen asielverleningsgrond. Eiser heeft volgens de minister dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij een vrees voor vervolging heeft [2] of een reëel risico op ernstige schade loopt [3] bij terugkeer naar Irak. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat hij geen asielverleningsgronden heeft genoemd bij zijn aanvraag [4] , hij een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of weggemaakt [5] en hij op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid vormt [6] . De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. [7]
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser verzet zich tegen de oplegging van het inreisverbod en tegen de vaststelling dat zijn uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM [8] . Het bestreden besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen omdat de minister enkel heeft verwezen naar de beschikking van 23 juli 2024 (de beschikking tot afwijzing van de aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning) zonder in te gaan op eisers gronden van bezwaar tegen die beschikking. Ten aanzien van het inreisverbod voert eiser aan dat de oplegging daarvan tot direct gevolg heeft dat zijn verblijf in Nederland strafbaar is [9] . Ook vormt het inreisverbod een onevenredige beperking van eisers recht op familie- of gezinsleven met zijn echtgenote en kinderen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit waarom en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Allereerst stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat eiser op dit moment niet voldoet aan de voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel. Het beroep ziet op vaststelling dat uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM en de oplegging van het inreisverbod.
Artikel 8 van Pro het EVRM
7. Voor zover eiser aanvoert dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat de minister niet heeft gereageerd op de gronden van eisers bezwaar tegen de beschikking van 23 juli 2024, slaagt deze beroepsgrond niet. Naar het oordeel van de rechtbank kon de minister volstaan met de verwijzing naar zijn beslissing in de reguliere zaak en zal hij in de reguliere procedure nog moeten beslissen op het bezwaar. Dit heeft de minister ook op de zitting toegezegd. Daarnaast heeft eiser in de huidige asielprocedure geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het standpunt dat uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM.
Het inreisverbod en het evenredigheidsbeginsel
8. De rechtbank stelt voorop dat de minister een inreisverbod moet uitvaardigen indien de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000. [10] Daar is hier sprake van aangezien de minister de asielaanvraag van eiser heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen die afwijzingsgrond geen beroepsgronden ingediend. Bij zaken waar een vertrektermijn van nul dagen geldt, wordt een inreisverbod van twee jaar opgelegd, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. In gevallen waarbij sprake is van een ernstige bedreiging voor de openbare orde kan een inreisverbod van tien jaar worden opgelegd. [11] De minister heeft daar in het geval van eiser van afgeweken door een lichter inreisverbod op te leggen vanwege het tijdsverloop en de opheffing van de ongewenstverklaring. Voor zover eiser stelt dat de minister onvoldoende is ingegaan op de vraag of het geen onevenredige belasting is voor zijn familie om naar Irak of Turkije af te reizen, overweegt de rechtbank dat eiser de gestelde onevenredige belasting niet nader heeft onderbouwd. Bij de huidige bewijspositie is het inreisverbod naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Tot slot merkt de rechtbank ten overvloede op dat, indien aan eiser een reguliere vergunning wordt verleend, het inreisverbod komt te vervallen. Ter zitting heeft de minister dit ook bevestigd.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond en op goede gronden een terugkeerbesluit tegen eiser heeft uitgevaardigd en een licht inreisverbod aan eiser heeft opgelegd. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.59327:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.59328:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, d en j, van de Vw 2000.
2.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
3.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
4.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
5.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000
6.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000.
7.Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
8.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
9.Op grond van artikel 108 van Pro de Vw 2000.
10.Dit volgt uit artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
11.Paragraaf A4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.