Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16205

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
09/349806-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor belaging, bedreiging, smaad en overtreding gedragsaanwijzing

De rechtbank Den Haag heeft op 16 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van belaging, bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, smaad, laster en het overtreden van een gedragsaanwijzing. De feiten vonden plaats tussen september 2023 en november 2025 en betroffen meerdere slachtoffers, waaronder aangever [aangever 1] en diens moeder [aangever 2].

De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte herhaaldelijk en stelselmatig contact zocht met de aangevers, hen bedreigde met ernstige geweldsuitingen, negatieve en lasterlijke berichten verspreidde via sociale media en gedragsaanwijzingen negeerde. De verdachte deelde ook persoonsgegevens en foto’s van de slachtoffers en hun familie, wat leidde tot ernstige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer en vrijheid.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 200 dagen op, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 240 uur met vervangende hechtenis. Daarnaast werden vrijheidsbeperkende maatregelen opgelegd, waaronder contact- en locatieverboden met elektronische monitoring. De verdachte werd veroordeeld tot schadevergoedingen van €8.000 en €6.000 aan respectievelijk [aangever 1] en [aangever 2].

De rechtbank erkende een vormverzuim bij het eerste verhoor van de verdachte, wat leidde tot strafvermindering. De straf weerspiegelt de ernst van de feiten, het hoge recidiverisico en het belang van hulpverlening aan de verdachte. De maatregelen zijn dadelijk uitvoerbaar gesteld om herhaling te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 200 dagen gevangenisstraf deels voorwaardelijk, taakstraf en vrijheidsbeperkende maatregelen wegens belaging, bedreiging, smaad en overtreding gedragsaanwijzing.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 09/349806-24
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1995 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 2 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. G. Boonzaaijer en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman
mr. N.B. Genemans naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdachte wordt er, kort gezegd, van verdacht dat zij van 13 september 2023 tot en met 4 november 2025 aangever [aangever 1] heeft belaagd (feit 1) en heeft bedreigd (feit 2). Daarnaast wordt de verdachte ervan verdacht dat zij in dezelfde periode aangever [aangever 2] zou hebben belaagd (feit 3). Ook wordt de verdachte smaad en laster jegens [aangever 1] en zijn bedrijf verweten (feit 4) en handelen in strijd met een aan haar opgelegde gedragsaanwijzing (feit 5).
De volledige tekst van de tenlastelegging is in
bijlage Iaan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1 en feit 5. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat hetgeen is vermeld achter het eerste, tweede en derde gedachtestreepje niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft met betrekking tot feit 3 verkorting van de ten laste gelegde pleegperiode bepleit en vrijspraak van het tweede onderdeel, nu daarvoor geen wettig en overtuigend bewijs zou zijn. De verdachte dient volgens de raadsman eveneens te worden vrijgesproken van het tweede en vierde onderdeel van feit 4.
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in
bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1: belaging van aangever [aangever 1]
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode van 13 september 2023 tot en met 4 november 2025 veelvuldig contact heeft gezocht met aangever [aangever 1] . De verdachte heeft bekend dat zij zich heeft opgehouden bij het bedrijf van [aangever 1] , dat zij ongewenst maaltijden bij hem heeft laten bezorgen en dat zij een negatieve review heeft geplaatst op de website van zijn bedrijf. Daarnaast stelt de rechtbank op basis van de aangiften van aangever [aangever 1] en de screenshots van de telefoon van [aangever 1] vast dat de verdachte hem vele malen telefonisch heeft benaderd en berichten heeft gestuurd met bedreigende, intimiderende en beledigende teksten. De verdachte heeft bovendien persoonsgegevens, waaronder een
DNA-test, van de aangever en zijn familieleden gedeeld op sociale media en familieleden en vrienden van de aangever lastiggevallen door hen (via social media) berichten te sturen (bijvoorbeeld:
"Je vriend moet je auto daar echt niet laten doen!!!" "Je vriend support de eigenaar van [bedrijf] die nog nooit een pak luiers heeft gekocht voor zijn kind!!”en aan de ex-vriendin van aangever: ‘
geef me een kanker reden waarom ik jouw kankerfoto niet online moet zetten met gezicht. je leven gaat zuur worden. iedereen uit je kankeromgeving gaat weten dat je met een man gaat die zijn eigen kind niet wilt zien.”). Uit de excuusbrief die de verdachte heeft geschreven, volgt dat zij het oogmerk had om de aangever te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, in het bijzonder om “
zijn aandacht te krijgen zodat hij naar zijn dochter om zou kijken”.
De aangever heeft aan de verdachte te kennen gegeven dat hij geen contact met haar wilde en dat zij hem met rust moest laten. Er zijn voorts meerdere stopgesprekken met de verdachte gevoerd en zij heeft drie gedragsaanwijzingen ontvangen, maar de berichten bleven doorgaan. De nadelige gevolgen voor de aangever zijn, blijkens de aangiftes, groot.
De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de ten laste gelegde gedragingen, zoals hierboven tot uitdrukking gebracht, en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de aangever zodanig zijn geweest dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 ten laste gelegde belaging.
Ten aanzien van feit 2: bedreiging van aangever [aangever 1]
Volgens vaste jurisprudentie is voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting volgt dat de verdachte diverse berichten aan aangever heeft verstuurd, waaronder:
‘op jullie bruiloft komt er een bom’, ‘bom bij [bedrijf] de derde keer wordt bedrijf gesloten’ en ‘
Soon kom ik hem daar neer knalle, heb al gezegd ik schiet hem dood, w8 op goeie timing.’
De rechtbank is, gelet op de aard en de inhoud van deze berichten in de context waarin deze zijn geuit, van oordeel deze berichten kunnen worden aangemerkt als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van de bedreiging zoals opgenomen onder het eerste gedachtestreepje, nu uit het dossier niet zou blijken dat dit bericht door de verdachte is gestuurd. Het betreffende bericht luidt:
‘en als je gaat samen wonen met een vrouw. Verbrand ik je huis. Terwijl jullie liggen te slapen’, Met welke vrouw je ook gaat. Ze gaat altijd achter haar schouders moeten kijken. Want ik ga haar altijd terroriseren". De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent dat uit een printscreen van de telefoon van de aangever blijkt van welk telefoonnummer het bericht afkomstig is (p. 53). De politie heeft in een proces-verbaal van bevindingen (p. 392) bevestigd dat dit telefoonnummer werd gebruikt door de verdachte.
De verdediging heeft voorts partiële vrijspraak gevraagd van de bedreiging zoals opgenomen onder het tweede gedachtestreepje van feit 2, nu in dat bericht niet aangever wordt bedreigd, maar zijn ex-verloofde. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie volgt dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging niet is vereist dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd, is gericht tegen de bedreigde zelf (ECLI:NL:HR:2011:BO3400). De bedreiging jegens een derde kan, aldus de Hoge Raad, een inbreuk maken op de persoonlijke vrijheid van degene jegens wie de bedreiging is geuit, die vergelijkbaar is met een bedreiging die op hem zelf betrekking zou hebben gehad. De rechtbank oordeelt dat hiervan sprake is. Het verweer van de verdediging kan gelet hierop niet slagen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte in de periode van 13 september 2023 tot en met 4 november 2025 aangever [aangever 1] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de bedreiging zoals tenlastegelegd onder het derde gedachtestreepje,
omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat dit bericht afkomstig is van de verdachte.
Ten aanzien van feit 3: belaging van aangeefster [aangever 2]
De rechtbank stelt vast dat aangeefster [aangever 2] , de moeder van aangever [aangever 1] , vier keer aangifte heeft gedaan van belaging door de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat zij met grote regelmaat bij (de ouders van) [aangever 2] maaltijden heeft laten bezorgen. Daarnaast volgt uit de bewijsmiddelen dat zij veelvuldig foto’s en persoonsgegevens van [aangever 2] en familieleden op social media heeft gedeeld en veelvuldig anoniem en onder diverse nicknames die [aangever 2] en haar familie via social media heeft beledigd, geïntimideerd en/of bedreigd door lasterende uitlatingen.
De verdediging heeft ten aanzien van de onder feit 3 tenlastegelegde gedragingen gesteld dat er geen (steun)bewijs is voor het tweede onderdeel, waarin de verdachte wordt verweten dat zij voor de woning van de ouders van [aangever 2] heeft gestaan. De rechtbank verwerpt dit verweer. Naast de aangifte, waarin [aangever 2] beschrijft dat de verdachte op 21 april 2024 vanuit de bosjes naar de woning stond te kijken, blijkt uit het proces-verbaal van het stopgesprek op 10 mei 2024 dat de verdachte bij de woning van de ouders van [aangever 2] is geweest.
Uit de aangiftes van [aangever 2] blijkt dat het handelen van de verdachte een negatieve invloed heeft gehad op haar persoonlijk leven en haar persoonlijke vrijheid.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven van [aangever 2] zodanig is geweest dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. De rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging van [aangever 2] .
Tenlastegelegde periode
De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de belaging van [aangever 2] is begonnen op 13 september 2023. Uit het dossier zou volgen dat pas sinds een incident op 19 april 2024 sprake kan zijn geweest van belaging. Dit verweer slaagt. De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van belaging van [aangever 2] in de periode na 13 september 2023 en voor 19 april 2024 en de belaging bewezen verklaren in de periode van 19 april 2024 tot en met 4 november 2025.
Ten aanzien van feit 4: smaad en laster
Met betrekking tot de onder feit 4 tenlastegelegde smaad en laster jegens [aangever 1] en diens bedrijf ‘ [bedrijf] ’ stelt de rechtbank, gelet op de aangifte van [aangever 1] en de bekennende verklaring van de verdachte, vast dat de verdachte een verzonnen negatieve review over het bedrijf van [aangever 1] heeft geplaatst op Google.
Voorts constateert de rechtbank dat een profiel met de naam ‘ [profielnaam] ’ op 25 april 2025 een bericht heeft geplaatst op TikTok inhoudende
: ‘deze zangeres die niet kan zingen heeft haar auto in natura betaald bij [bedrijf] , met andere woorden hij heeft haar auto gemaakt en in ruil daarvoor heeft zij haar lichaam aan hem gegeven.’
Vlak daarvoor/daarna is door hetzelfde profiel een bericht geplaatst dat luidt: ‘
ze heeft haar auto in natura betaald bij [bedrijf] een man die nog nooit iets voor zijn kind heeft gekocht zelfs niet 1 pak luiers’.Gelet op het gegeven dat de inhoud en de toon van laatstgenoemd bericht overeenkomt met andere berichten van de verdachte, die herhaaldelijk refereren aan de zorg voor het kind van aangever
[aangever 1] en die veelal zijn verzonden door vergelijkbare profielnamen, waarin een vorm van ‘ [deel bedrijfsnaam 1] ’ en/of ‘ [deel bedrijfsnaam 2] ’ is opgenomen,stelt de rechtbank vast dat de voormelde berichten door de verdachte zijn geplaatst.
Door het plaatsen van negatieve, verzonnen, berichten op digitale media als Google en TikTok heeft de verdachte deze berichten ter kennis van het publiek gebracht en openlijk tentoongesteld. Hierdoor heeft de verdachte gehandeld met het kennelijke doel om aan deze mededelingen ruchtbaarheid te geven en de eer en goede naam van aangever [aangever 1] en zijn bedrijf aan te tasten. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan smaad en laster in de zin van artikel 261, eerste lid jo. artikel 262 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder feit 4 ten laste gelegde. De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken ten aanzien van het tweede gedachten-streepje:
”bij deze wil ik jullie waarschuwen voor deze man van 29 die regelmatig seks heeft gehad met een meisje van 13 (…)”,omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat dit bericht van de verdachte afkomstig is.
Ten aanzien van feit 5: overtreding van een gedragsaanwijzing
Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat de officier van justitie op 4 november 2024, op 13 maart 2025 en op 3 oktober 2025 gedragsaanwijzingen aan de verdachte heeft opgelegd, inhoudende dat zij zich steeds gedurende 90 dagen heeft dienen te onthouden van contact met [naam 1] en/of [aangever 1] en [aangever 2] . Uit de gedragsaanwijzingen blijkt dat zulks met zich brengt dat verdachte noch direct (zelf), noch indirect (middels anderen) op enigerlei wijze contact (niet middels telefoon, niet middels internet, niet via enig ander communicatiemiddel, noch middels direct persoonlijk contact, noch middels schriftelijke middelen) zal hebben met genoemde personen. De tenlastelegging is beperkt tot de overtreding van de gedragsaanwijzing van 3 oktober 2025. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van die gedragsaanwijzing. Wettig en overtuigend bewezen kan dus worden dat de verdachte in de periode van 3 oktober 2025 tot en met 4 november 2025 zich niet heeft gehouden aan een gedragsaanwijzing.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat:
1
zij op meer tijdstippen in de periode van 13 september 2023 tot en met 4
november 2025 in Nederland
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens
anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 1] , door
- die
[aangever 1]veelvuldig ongewenst telefonisch lastig te vallen,
- die
[aangever 1]veelvuldig berichten te sturen met bedreigende en/of
intimiderende en/of beledigende teksten,
- zich eenmaal of meermalen bij het autobedrijf van die
[aangever 1]op te
houden (p.331),
- met verschillende (anonieme) accounts veelvuldig negatieve berichten en
reviews over die
[aangever 1]en/of zijn bedrijf te plaatsen op sociale media
(p.502/351/364),
- veelvuldig persoonsgegevens, waaronder een DNA-test, van die
[aangever 1]en/of zijn familieleden op sociale media te delen (p.160/185/221), en/of
- familieleden en/of vrienden van die
[aangever 1]op intimiderende wijze
lastig te vallen door veelvuldig berichten en/of foto's van hen via/op social
media te delen (p.426/437),
met het oogmerk die
[aangever 1], te dwingen iets te doen, niet te doen, te
dulden en/of vrees aan te jagen;
2
zij op meer tijdstippen in de periode van 13 september 2023 tot en met 4
november in Nederland
[aangever 1] meermaals heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die
[aangever 1]dreigend de woorden toe te voegen:
- "En als je gaat samen wonen met een vrouw. Verbrand ik je huis. Terwijl
jullie liggen te slapen. Met welke vrouw je ook gaat. Ze gaat altijd achter haar
schouders moeten kijken. Want ik ga haar altijd terroriseren"(p.141),
- "Ik ga haar letterlijk open snijden. Luister goed naar mij. Ik doe alles voor
m’ n kind. En als ik jou zie met een andere vrouw. Zelfde geld voor hun",
(p.135)
- "" (p.162),
- “op jullie bruiloft komt er een bom” (p.148),
- “bom bij [bedrijf] de derde keer wordt bedrijf gesloten” (p.159) en/of
- “Soon kom ik hem daar neer knalle, heb al gezegd ik schiet hem dood, w8
op goeie timing” (p.156),
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
3
zij op meer tijdstippen in de periode van 19 april 2024 tot en met 4
november 2025 in Nederland
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever 2] ,
door
- veelvuldig bij (de ouders van) die [aangever 2] pakketjes en of maaltijden heeft
laten bezorgen (p.468),
- bij het adres van (de ouders van) die [aangever 2] te staan,
- veelvuldig foto’s en/of persoonsgegevens van die [aangever 2] en/of familieleden
op social media te delen (p.233/234, p.273 e.v. & p.456,472) en/of
- veelvuldig anoniem en/of onder diverse nicknames die [aangever 2] en/of haar
familie via social media heeft beledigd/geïntimideerd/bedreigd door
lasterende teksten/uitlatingen, waaronder in ieder geval:
- "Zeg tegen [aangever 1] zijn moeder dat we haar zwaar gaan pakken. Ze gaat
nooit meer veilig over straat kunnen lopen, en die verloofde gaan we
zwavelzuur over gooien. Verminken die kenker handel" (p.188),
- “ [aangever 1] die gaat sowieso dood – maar wie eerst hij of zijn moeder????
Liever die moeder zodat ik kan zien hoe [aangever 1] pijn gaat leiden vieze
onopgevoede hoeren zoon (…)” (p.323)
“Binnenkort gaan wij zelf naar [naam 2] en familie [aangever 2] opzoeken - meeste
familieleden zien wel onze berichten via Facebock maar ze willen niet
bemoeien - ben benieuwd wat ze gaan zeggen als we daar zijn en het
verhaal uitleggen - we gaan die kanker hoerenzoon en die hoeren moeder
voorschut zetten!!! Ze gaan aan de schandpaal!!!” (p.326)
met het oogmerk die [aangever 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden
en/of vrees aan te jagen.
4.
zij op of omstreeks de periode 13 september 2023 tot en met 4 november 2025 in Nederland opzettelijk, door middel van een of meer geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door een of meer geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, de eer en/of de goede naam van [aangever 1] en/of zijn bedrijf [bedrijf] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door op sociale media, althans op internet, de teksten te plaatsen/te delen:
- "Wij hebben een ongeluk gehad en de gordels zijn gewoon gescheurd! Wij
hebben het wonder boven wonder overleefd. Ondertussen hebben wij aangifte
gedaan tegen deze zaak en een melding gedaan bij de rdw. Ik wil jullie allemaal
waarschuwen voor deze neppers gordels uit China! Denk aan jullie veiligheid en de
veiligheid van de medepassagiers." (p.10),
- " exposing [bedrijf] die nog nooit 1 pak luiers heeft gekocht voor zijn kind
maar wel geld heeft voor esscortjes" (p.363), en/of
- "deze zangeres die niet kan zingen heeft haar auto in natura betaald bij
[bedrijf] , met andere woorden hij heeft haar auto gemaakt en in ruil
daarvoor heeft zij haar lichaam aan hem gegeven" (p.504),
terwijl verdachte wist dat dit ten laste gelegde feit in strijd met de waarheid was.
5
zij meermaals in de periode vanaf 3 oktober 2025 tot en met 4 november 2025 in Nederland opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 3 oktober 2025, gegeven door de officier van justitie te ’s-Gravenhage het contactverbod te overtreden door berichten gericht aan en/of met verwijzingen naar
[aangever 1]en/of zijn bedrijf en/of [aangever 2] op sociale media te plaatsen.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft een taakstraf van 240 uur gevorderd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, onder oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. In aanvulling daarop heeft de officier van justitie de rechtbank gevraagd als bijzondere voorwaarde op te nemen dat de verdachte zich niet op sociale media en in klassieke media mag uitlaten over de slachtoffers en hun familie en over het bedrijf [bedrijf] . Voorts heeft de officier van justitie een 38v-maatregel gevorderd, in de vorm van een contactverbod met aangever [aangever 1] en zijn moeder, mevrouw [aangever 2] , en een locatieverbod voor een gebied van 1 kilometer rondom de [adres 2] en een gebied van 1 kilometer rondom de [adres 3] , met twee weken vervangende hechtenis per overtreding met een maximum van 6 maanden. De officier van justitie heeft verzocht om de dadelijke uitvoerbaarheid van vrijheidsbeperkende maatregel en een proeftijd van drie jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Vormverzuim
De raadsman heeft betoogd dat sprake is van een vormverzuim. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte ten onrechte geen rechtsbijstand heeft genoten bij haar eerste verhoor op 4 november 2025, nadat zij door politie onjuist was geïnformeerd dat zij de bijstand zelf moest betalen. De verdachte had - indien juist geïnformeerd - bij het eerste verhoor wel degelijk rechtsbijstand gewild, aldus de raadsman, waardoor volgens hem sprake is van een schending van artikel 6 EVRM Pro en van een onherstelbaar vormverzuim. Het nadeel dat de verdachte als gevolg hiervan heeft ondervonden, dient te leiden tot strafvermindering, aldus de raadsman.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest en waarbij aan de voorwaardelijke gevangenisstraf bijzondere voorwaarden kunnen worden gesteld. De verdediging heeft zich ten aanzien van de bijzondere voorwaarden gerefereerd aan het advies van de reclassering. Indien de rechtbank van oordeel is dat een hogere straf passend is, heeft de verdediging verzocht een aanvullende taakstraf op te leggen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft gedurende een lange periode op indringende wijze aangever [aangever 1] en zijn moeder [aangever 2] gestalkt. Niet alleen heeft de verdachte veelvuldig gebeld en intimiderende berichten gestuurd, ook heeft zij aangevers en het bedrijf van [aangever 1] via sociale media zwart gemaakt. Bovendien heeft de verdachte familieleden van de aangevers benaderd, onder andere door talloze maaltijden te laten bezorgen, en vrienden van aangevers via sociale media intimiderende berichten gestuurd. Voorts heeft de verdachte ongewenst persoonsgegevens en foto’s van de aangevers en hun familieleden via sociale media openbaar gemaakt. De stopgesprekken en gedragsaanwijzingen die de verdachte heeft ontvangen, heeft zij genegeerd. Ter terechtzitting bleek dat zij zelfs tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis en daags voorafgaand aan de terechtzitting nog berichten over de aangevers heeft geplaatst op sociale media.
Door op deze manier te handelen heeft de verdachte stelselmatig ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangevers en hun familieleden en de grens van het toelaatbare ver overschreden. De aangevers hebben in hun slachtofferverklaring en tijdens het uitoefenen van het spreekrecht ter terechtzitting verklaard dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte een grote impact heeft op hun leven. [aangever 1] heeft verklaard dat hij niet meer welkom is in Turkije en dat hij door toedoen van de verdachte inkomsten is misgelopen van zijn bedrijf. [aangever 1] ervaart veel stress en frustratie omdat de politie weinig voor hem kan doen en de belaging, bedreiging, smaad en laster niet stopt, ondanks de gedragsaanwijzingen. Ook zijn moeder, mevrouw [aangever 2] , ervaart een ontwrichtende werking op haar leven als gevolg van de belaging van de verdachte. Zij heeft aangegeven dat haar sociale leven is weggevallen en dat zij zelfs in haar geboorteland (Turkije) wordt geconfronteerd met de lasterende berichten die de verdachte op sociale media heeft geplaatst.
De verdachte heeft erkend dat zij ‘te ver is gegaan’ en heeft ter terechtzitting een deel van de beschuldigingen bekend. Tegelijkertijd toont zij weinig inzicht in de laakbaarheid van haar gedrag en blijft zij in strijd handelen met de aan haar opgelegde gedragsaanwijzingen en schorsingsvoorwaarden. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor door justitie gegeven bevelen. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Het strafblad van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 april 2026. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 18 november 2025 en van 7 januari 2026, waaruit volgt dat de reclassering risico’s ziet op verschillende gebieden. De verdachte functioneert volgens de reclassering psychosociaal instabiel en heeft geen ondersteunend netwerk om op terug te vallen. Daarnaast zijn er zorgelijke signalen vanuit de politie vanwege de vele aangiften van stalking en drie strafrechtelijke aanwijzingen die door de verdachte niet worden opgevolgd. De kans op herhaling wordt hoog ingeschat. De reclassering adviseert reclasseringstoezicht met ambulante begeleiding bij De Waag en een contact- en locatieverbod met elektronische monitoring. Uit de ter terechtzitting overgelegde email van de reclassering blijkt dat de verdachte zich houdt aan de afspraken met de reclassering en adviezen meestal opvolgt.
De verwachting is dat de verdachte in aanmerking komt voor behandeling bij de Waag.
Vormverzuim
De rechtbank overweegt ten aanzien van het door de raadsman aangevoerde vormverzuim dat een verdachte die is aangehouden op grond van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) recht heeft op rechtsbijstand. Dit houdt in dat de verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor moet worden gewezen op het recht op raadpleging van een advocaat. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte voor het verhoor weliswaar is geïnformeerd over haar recht op rechtsbijstand, maar dat haar ten onrechte is medegedeeld dat deze bijstand op eigen kosten zou zijn. De verdachte heeft op dat moment afgezien van rechtsbijstand. Nu de verdachte mogelijk wel gebruik had willen maken van de consultatie van een advocaat - als haar op dat moment was medegedeeld dat dit kosteloos zou zijn - en tijdens het verhoor vragen zijn gesteld over de verdenking van een strafbaar feit, is de onjuiste mededeling aan de verdachte te kwalificeren als een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is wat het rechtsgevolg van dit verzuim dient te zijn. Bij de beantwoording van deze vraag houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, met de ernst van het verzuim en met het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat de verdachte daadwerkelijk nadeel van de schending heeft ondervonden. Zij heeft immers geen bijstand gekregen bij haar eerste verhoor, waarmee haar de mogelijkheid van overleg, advies en ondersteuning door een raadsman is ontnomen. Tegen deze achtergrond, almede in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim, acht de rechtbank het door de raadsman bepleite gevolg, strafvermindering, gerechtvaardigd. De rechtbank houdt hiermee rekening bij de op te leggen straf.
Strafoplegging
Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank voorts acht geslagen op de oriëntatiepunten vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet op wat hiervoor is overwogen met betrekking tot de aard en de ernst van de feiten, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De ernst, intensiteit en duur van de belagingen en bedreigingen en de overtreding van de gedragsaanwijzing, zouden in beginsel reden zijn om de verdachte een langdurige gevangenisstraf te geven. Echter, gelet op het voormelde vormverzuim en het zeer zwaarwegende belang van de verdachte bestaande uit de zorg voor haar 3-jarige dochtertje en het belang van het continueren van de voor haar ingezette hulpverlening, acht de rechtbank dat niet passend. De rechtbank zal een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen opleggen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De onvoorwaardelijke gevangenisstraf is daarmee gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (20 dagen).
Om recht te doen aan de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten zal de rechtbank, naast de voormelde deels voorwaardelijke gevangenisstraf, tevens een taakstraf aan de verdachte opleggen van de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht.
De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf van 180 dagen passend en geboden, ter voorkoming dat de verdachte weer soortgelijke feiten pleegt en om de ernst van de bewezen feiten tot uitdrukking te brengen. De voorwaardelijke straf is hoger dan de eis van de officier van justitie. Redengevend voor deze afwijking is dat de rechtbank op basis van het onderzoek ter terechtzitting de indruk heeft dat de verdachte nog altijd wrok koestert jegens aangever [aangever 1] en haar gedrag (nog steeds) lijkt goed te praten. Bovendien lijkt de verdachte zich niet te realiseren dat zij met haar gedragingen niet alleen een zeer ernstige inbreuk maakt op de privacy en de persoonlijke vrijheid van de aangevers, maar ook bij voortduring misdrijven pleegt door het overtreden van de gedragsaanwijzingen. Dit gebrek aan zelfreflectie bij de verdachte acht de rechtbank zorgelijk en kwalijk. Mede daarom is naar het oordeel van de rechtbank een stevige stok achter de deur nodig. De rechtbank hoopt dat dit er aan zal bijdragen dat de verdachte zich, mede in het belang van haar dochter, voortaan zal onthouden van strafrechtelijke gedragingen en dat zij baat heeft bij het hulpverleningstraject. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden zal de rechtbank de voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten:
- Meldplicht bij reclassering;
- Ambulante behandeling.
Voorts zal de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, als bijzondere voorwaarde een verbod aan de verdachte opleggen zich op sociale media en in de klassieke media op enigerlei wijze uit te laten over de aangevers [aangever 1] en [aangever 2] en hun familie en over (klanten van) het bedrijf [bedrijf] .
Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden en toezicht
Gelet op het reclasseringsadvies en het daarin tot uitdrukking gebrachte hoge risico op recidive, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.
Vrijheidsbeperkende maatregelen
De rechtbank zal het door de reclassering geadviseerde contact- en locatieverbod opleggen in de vorm van een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Deze maatregel dient ter beveiliging van [aangever 1] en [aangever 2] en ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte. De maatregel wordt voor iedere aangever afzonderlijk opgelegd aan de verdachte, waardoor dus sprake is van twee vrijheidsbeperkende maatregelen.
Deze maatregelen houden in dat de verdachte gedurende een periode van drie jaren:
  • op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag opnemen en/of zoeken met aangevers [aangever 1] en [aangever 2] ;
  • zich niet binnen een straal van een kilometer rondom de [adres 2] en de [adres 3] bevindt en meewerkt aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Dit impliceert dat de verdachte niet naar het buitenland gaat zonder toestemming van de reclassering;
Voor iedere keer dat verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd voor de duur van twee weken, met een maximum van zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregelen niet op.
Dadelijke uitvoerbaarheid maatregel
Gelet op de bewezenverklaarde bedreiging van de verdachte, het door de reclassering ingeschatte hoge recidive risico en het feit dat de stopgesprekken en de gedragsaanwijzingen geen effect hebben gehad, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de voormelde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.
Voorlopige hechtenis
Omdat de verdachte het onvoorwaardelijk deel van de aan haar opgelegde gevangenisstraf al in voorarrest heeft uitgezeten, heft de rechtbank het – geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis op.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 1] en [aangever 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces.
[aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en verzoekt de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. [aangever 2]
vordert een schadevergoeding van € 7.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en verzoekt ook de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De gevorderde bedragen bestaan geheel uit immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen dienen te worden toegewezen, met toewijzing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de immateriële schadevorderingen dienen te worden gematigd.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Vordering tot schadevergoeding [aangever 1]
Uit de vordering benadeelde partij en de slachtofferverklaring van [aangever 1] blijkt dat het handelen van de verdachte een enorme impact heeft gehad op het leven van [aangever 1] .
De benadeelde partij heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze vergoeding kan worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van de aantasting ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde in de onderhavige zaak zodanig zijn dat van de hiervoor bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat sprake is van langdurige en intensieve belaging en bedreigingen die hebben geleid tot een ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke vrijheid van de benadeelde partij. Er is dus een wettelijke grondslag voor toekenning van immateriële schadevergoeding.
Vervolgens is de vraag wat billijk is. Hiervoor kijkt de rechtbank naar de uitgangspunten van de Rotterdamse schaal en naar de omstandigheden van het geval. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de grove inbreuk op de rechten van [aangever 1] , zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 8.000,00. Dit bedrag sluit aan bij het maximale bedrag van de ‘meeste ernstige’ categorie van belaging zoals omschreven in de Rotterdamse Schaal. Nu in de onderhavige zaak sprake is van een persoonsaantasting (C-categorie in de Rotterdamse Schaal), ziet de rechtbank, conform de aanbevelingen voor de begroting van smartengeld, geen aanleiding voor toepassing van een opslag van 25%.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering van [aangever 1] toewijzen tot een bedrag van € 8.000,00, bestaande uit immateriële schade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 13 september 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Voor het overige zal de rechtbank de vordering tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.
Vordering tot schadevergoeding [aangever 2]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat [aangever 2] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde onder feit 3 van de tenlastelegging. Onder verwijzing naar de motivering van de schadevergoeding ten behoeve van [aangever 1] alsmede gelet op hetgeen namens [aangever 2] ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, acht de rechtbank een immateriële schade van € 6.000,00 billijk en zal deze toewijzen. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 19 april 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Voor het overige zal de rechtbank de vordering tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vorderingen van [aangever 1] en [aangever 2] (gedeeltelijk) worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Oplegging schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bewezenverklaarde feiten worden veroordeeld en zij is daarom tegenover de benadeelde partijen aansprakelijk voor schade die hen door de feiten is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 8.000,00 ten behoeve van [aangever 1] , vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 september 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever 1] . De rechtbank zal tevens aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 6.000,00 ten behoeve van [aangever 2] , vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 april 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever 2] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 57, 184a, 261, 262, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven bewezen is verklaard;
- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
belaging;
ten aanzien van feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3:
belaging;
ten aanzien van feit 4:
smaad, smaadschrift en laster;
ten aanzien van feit 5:
handelen in strijd met een gedragsaanwijzing;
- verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat
een gedeelte van die straf, groot 180 (honderdtachtig) DAGEN, niet zal worden ten uitvoer gelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
drie jaren vastgestelde proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland ( [adres 4] ) op door de reclassering te bepalen dagen en tijdstippen, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering die behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing, verwerken van het bevallingstrauma en cognitieve vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
- zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het doen van uitlatingen over [aangever 1] en [aangever 2] en hun familie en over (klanten van) het bedrijf [bedrijf] op sociale media en via klassieke media.
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstrafvoor de tijd van
240 (tweehonderdveertig) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht,
dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (honderdtwintig) DAGEN;
Maatregel 38v Sr
legt een
vrijheidsbeperkende maatregelop grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 (drie) jaren:
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen of zoeken met [aangever 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1995;
- zich niet binnen een straal van een kilometer rondom de [adres 2] en de [adres 3] bevindt en meewerkt aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Dit impliceert dat de veroordeelde niet naar het buitenland gaat zonder toestemming van de reclassering;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
legt een
vrijheidsbeperkende maatregelop grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 (drie) jaren:
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen of zoeken met [aangever 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1968;
- zich niet binnen een straal van een kilometer rondom de [adres 2] en de [adres 3] bevindt en meewerkt aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Dit impliceert dat de veroordeelde niet naar het buitenland gaat zonder toestemming van de reclassering;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
beveelt, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregelen
dadelijk uitvoerbaarzijn;
Voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
Vordering van de benadeelde partij [aangever 1]
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1] deels toe tot een bedrag van € 8.000,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de veroordeelde om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 september 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
- legt aan de veroordeelde op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 8.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf
13 september 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;
- bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 65 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
- bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
Vordering van de benadeelde partij [aangever 2]
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2] toe tot een bedrag van € 6.000,00 en veroordeelt de veroordeelde om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 april 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 2] ;
- veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
- legt aan de veroordeelde op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 6.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 april 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] ;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 55 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
- bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.S. Verboom, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. A.W. Duijnstee, rechter,
in tegenwoordigheid van A.E. van Gent griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juni 2026.