ECLI:NL:RBDHA:2026:1620

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
NL26.3003
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie legde op 13 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding.

Eiser voerde aan dat de maatregel niet op de a-grond kon worden gebaseerd omdat zijn identiteit en nationaliteit reeds waren vastgesteld, onder meer door een kopie van zijn paspoort en eerdere verblijfsvergunning in Hongarije. De rechtbank oordeelde dat een kopie van een paspoort onvoldoende is en dat eiser zijn paspoort in mei 2025 had verloren, waardoor de minister terecht de maatregel oplegde.

Daarnaast stelde eiser dat de minister een lichter middel had moeten toepassen omdat hij een opvolgende asielaanvraag had ingediend die niet kansloos zou zijn en hij bereid was zich aan een meldplicht te houden. De rechtbank verwierp dit en stelde dat het onttrekkingsrisico voldoende was gemotiveerd en dat de aanvraag in de versnelde procedure kon worden afgedaan.

De rechtbank concludeerde dat geen rechtmatigheidsgebrek bestond en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3003

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kon artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000 aan de maatregel ten grondslag liggen?
1. Eiser betoogt dat artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 (a-grond) niet aan de maatregel ten grondslag kon liggen. De identiteit en nationaliteit van eiser waren namelijk al vastgesteld. Hierbij wijst eiser erop dat hij eerder een verblijfsvergunning heeft gehad in Hongarije en dat een kopie van zijn paspoort voorhanden is. Hiermee was dus voldoende duidelijk wie eiser is.
1.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank kon de a-grond ten grondslag worden gelegd aan de maatregel van bewaring. Daarbij overweegt de rechtbank dat een kopie van een paspoort onvoldoende is voor het vaststellen van de identiteit en nationaliteit. Met betrekking tot het betoog van eiser dat hij eerder een verblijfsvergunning heeft gehad in Hongarije en dat daarmee zijn identiteit en nationaliteit voldoende vaststaan, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraak van 7 oktober 2025 [1] blijkt dat eiser geen verblijfsrecht heeft in Hongarije en uit het dossier blijkt ook niet dat eiser hiervan documenten heeft overgelegd. Verder heeft eiser zelf verklaard dat hij zijn paspoort in mei 2025 is verloren, waardoor de minister terecht heeft gesteld dat geen paspoort voorhanden was waarmee eiser ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring zijn identiteit en nationaliteit kon aantonen.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser betoogt vervolgens dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend en deze, volgens eiser, niet op voorhand kansloos is. Deze asielaanvraag leent zich niet voor een versnelde afdoening vanuit bewaring. De minister had daarom eiser naar Ter Apel moeten sturen zodat hij daar zijn asielprocedure kan afwachten. Daarbij is eiser bereid om zich te houden aan een meldplicht.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe dat het onttrekkingsrisico volgt uit de niet-betwiste gronden van bewaring. Daardoor heeft de minister terecht gesteld dat geen lichter middel kon worden toegepast. Dit heeft de minister in de maatregel van bewaring ook voldoende gemotiveerd. Dat eiser een opvolgende asielaanvraag heeft lopen, maakt dit niet anders. Hierbij heeft de minister tijdens de zitting terecht gesteld dat er op dit moment geen aanknopingspunten zijn dat deze aanvraag niet in de versnelde procedure vanuit bewaring kan worden afgedaan. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat eiser een nader gehoor heeft gehad en dat een voornemen is uitgebracht waarin staat dat de minister voornemens is de aanvraag van eiser af te wijzen als kennelijk ongegrond. Daartegen is ook een zienswijze ingediend. De minister heeft verder toegelicht dat op alle drie de momenten is bekeken of de aanvraag van eiser nog steeds in de versnelde procedure kan worden afgedaan. Dat is het geval. De rechtbank ziet geen reden om aan die conclusie te twijfelen.
Leidt de ambtshalve toets tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Rotterdam, 7 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19033.
2.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).