De minister van Asiel en Migratie legde op 13 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding.
Eiser voerde aan dat de maatregel niet op de a-grond kon worden gebaseerd omdat zijn identiteit en nationaliteit reeds waren vastgesteld, onder meer door een kopie van zijn paspoort en eerdere verblijfsvergunning in Hongarije. De rechtbank oordeelde dat een kopie van een paspoort onvoldoende is en dat eiser zijn paspoort in mei 2025 had verloren, waardoor de minister terecht de maatregel oplegde.
Daarnaast stelde eiser dat de minister een lichter middel had moeten toepassen omdat hij een opvolgende asielaanvraag had ingediend die niet kansloos zou zijn en hij bereid was zich aan een meldplicht te houden. De rechtbank verwierp dit en stelde dat het onttrekkingsrisico voldoende was gemotiveerd en dat de aanvraag in de versnelde procedure kon worden afgedaan.
De rechtbank concludeerde dat geen rechtmatigheidsgebrek bestond en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.