ECLI:NL:RBDHA:2026:16159

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL26.17067
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 1 sub d Verordening (EU) nr 604/2013Art. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, met de Jordaanse nationaliteit, diende op 2 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening, omdat eiser daar op 1 april 2023 al een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Nederland verzocht Oostenrijk om terugname, wat werd aanvaard.

De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag van eiser niet in behandeling. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, maar verscheen niet op de zitting en gaf geen reactie op verzoeken van de rechtbank. De rechtbank ontving een melding dat eiser zich sinds 6 april 2026 in Oostenrijk bevindt, zonder dat hij zijn verblijfplaats in Nederland had doorgegeven.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak een vreemdeling die zonder bekend verblijf vertrekt en geen contact onderhoudt, geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Omdat eiser geen contact meer onderhoudt en niet is verschenen, heeft hij geen rechtens te beschermen belang meer bij het beroep. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de zaak niet inhoudelijk.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17067

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , [V-nummer] eiser

(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.17068, op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde
.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser stelt de Jordaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] Hij heeft op 2 januari 2026 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend.
1.1.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 1 april 2023 in Oostenrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 7 januari 2026 heeft Nederland aan Oostenrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van Verordening (EU) nr 604/2013 (Dublinverordening). Oostenrijk heeft dit verzoek op 8 januari 2026 op die grond aanvaard.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Oostenrijk een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beantwoordt ambtshalve de vraag of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. Dit is ingegeven door de aan de rechtbank gestuurde brief van verweerder van 29 april 2026, waaruit volgt dat de Oostenrijkse autoriteiten hebben gemeld dat eiser zich sinds 6 april 2026 in Oostenrijk bevindt. Uit deze melding blijkt dat eiser met onbekende bestemming uit Nederland is vertrokken. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 20 mei 2026 verzocht om aan te geven of hij nog contact onderhoudt met eiser en of hij weet waar eiser verblijft. De rechtbank heeft voor deze reactie een termijn geboden van een week, namelijk tot uiterlijk 27 mei 2026. De gemachtigde van eiser heeft hier geen reactie op gegeven.
3.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, volgt dat er in beginsel van moet worden uitgegaan dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Op basis van een dergelijke melding mag een beroep dus niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan belang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt aangenomen dat hij nog wel prijs stelt op bescherming in Nederland tenzij er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling daarop geen prijs meer stelt. In het licht van het fundamentele belang van het recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, zal de bestuursrechter voorzichtig moeten omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding.
3.2.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden – de door verweerder overgelegde MOB-melding, het uitblijven van een reactie van de gemachtigde van eiser hieromtrent en dat hij niet is verschenen ter zitting alsmede de melding dat eiser inmiddels in Oostenrijk verblijft– neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Op den Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.