Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , [V-nummer] eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Jordaanse nationaliteit, diende op 2 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening, omdat eiser daar op 1 april 2023 al een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Nederland verzocht Oostenrijk om terugname, wat werd aanvaard.
De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag van eiser niet in behandeling. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, maar verscheen niet op de zitting en gaf geen reactie op verzoeken van de rechtbank. De rechtbank ontving een melding dat eiser zich sinds 6 april 2026 in Oostenrijk bevindt, zonder dat hij zijn verblijfplaats in Nederland had doorgegeven.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak een vreemdeling die zonder bekend verblijf vertrekt en geen contact onderhoudt, geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Omdat eiser geen contact meer onderhoudt en niet is verschenen, heeft hij geen rechtens te beschermen belang meer bij het beroep. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de zaak niet inhoudelijk.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van het besluit.