ECLI:NL:RBDHA:2026:16114

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
AWB 25/10314
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.14 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 85 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing MVV-aanvraag voor verblijf bij partner wegens onvoldoende bewijs duurzame relatie

Eiser, een Surinaamse nationaliteit dragende man, heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) om bij zijn partner, een Nederlandse vrouw, te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat sprake was van een duurzame en exclusieve relatie gelijk aan een huwelijk.

De rechtbank beoordeelde het beroep en stelde vast dat eiser en referente diverse bewijsstukken hadden overgelegd, waaronder verklaringen van familie en collega’s, foto’s met bijschriften, financiële stukken, paspoortstempels en uitgebreide Whatsapp-chatberichten. De minister had deze stukken echter niet in onderlinge samenhang beoordeeld, maar elk bewijsstuk afzonderlijk, wat leidde tot een gebrekkige motivering.

De rechtbank oordeelde dat de minister de getuigenverklaringen ten onrechte onvoldoende had betrokken en dat de financiële ondersteuning, het frequente contact via chats en de foto’s samen een ander beeld schetsen dan de minister aannam. De minister had onvoldoende gemotiveerd waarom deze samenhang niet tot het bestaan van een duurzame relatie zou leiden.

Daarom vernietigde de rechtbank het bestreden besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd eiser vrijgesteld van griffierecht en kreeg hij een proceskostenvergoeding van €1.868,- toegewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de MVV-aanvraag wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/10314

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H.S.K. Jap A Joe),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: E.N. Spijkerman).

Inleiding

1.1
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser van 8 mei 2025 tegen de afwijzing van zijn aanvraag.
1.2
De minister heeft de aanvraag met het besluit van 7 augustus 2024 afgewezen. Op 19 maart 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Met het bestreden besluit van 11 april 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3
Op 12 mei 2024 is aan eiser een licht inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referente] (referente), de moeder van eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

2.1
Eiser heeft de Surinaamse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 1991.
2.2
Eiser heeft op 17 juni 2024 een aanvraag ingediend voor afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf. Eiser is daarmee een procedure Toegang en Verblijf gestart voor het doel ‘verblijf bij een familie- of gezinslid’. Eiser beoogt verblijf bij zijn gestelde partner [referente] , die de Nederlandse nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedatum 2] 1962.
2.3
Naar eigen zeggen hebben eiser en referente elkaar ontmoet via gemeenschappelijke vrienden en hebben zij een romantische relatie sinds 3 april 2022.
Besluitvorming
3. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat volgens de minister niet is gebleken dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie die gelijk is te stellen met een huwelijk. De minister acht de door eiser en referente overgelegde antwoorden en bewijsstukken onvoldoende. Zo is onder meer niet gebleken dat eiser en referente een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, zijn de overgelegde Whatsapp-gesprekken volgens de minister inhoudelijk oppervlakkig en geldt dit tevens voor de overgelegde foto’s. Ook de verklaringen van derden over de relatie, de in- en uitreisstempels in het paspoort van referente en de geldoverschrijvingen heeft de minister onvoldoende geacht om tot de conclusie te komen dat er sprake is van een duurzame, exclusieve relatie tussen eiser en referente.
Beroepsgronden
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser vindt – kort gezegd – dat de overgelegde stukken voldoende onderbouwing leveren voor het bestaan van een duurzame en exclusieve relatie en dat de minister op basis van deze stukken dan ook niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat van een duurzame en exclusieve relatie geen sprake is.
Beoordeling door de rechtbank
5. Eiser heeft een onderbouwd verzoek gedaan om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank wijst dit verzoek toe, zodat eiser is vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
6.1
Tussen partijen is in geschil of is aangetoond dat eiser en referente een duurzame en exclusieve relatie hebben die op één lijn te stellen is met een huwelijk. De rechtbank overweegt als volgt.
6.2
Op grond van artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 komt de vreemdeling van 21 jaar of ouder, die met de hoofdpersoon een naar behoren geattesteerde duurzame en exclusieve relatie onderhoudt (en die voldoet aan de overige in dat artikellid genoemde voorwaarden) in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner. Volgens paragraaf B7/3.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 neemt de minister aan dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie als deze relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen. Het is aan eiser om het bestaan van een duurzame en exclusieve relatie aan te tonen.
6.3.1
De rechtbank stelt vast dat eiser en referente de volgende stukken in de aanvraagfase hebben overgelegd: een ingevulde vragenlijst voor verblijf bij partner, acht foto’s waarvan een aantal van eiser en referente samen en een uitdraai van Whatsapp chatberichten tussen eiser en referente uit de periode van 6 maart 2022 tot en met 4 december 2023.
6.3.2
In de bezwaarfase hebben eiser en referente de volgende stukken overgelegd: 14verklaringen van familie, kennissen en collega’s [1] over de relatie tussen eiser en referente, een rekeningoverzicht van referente met begeleidende brief en in- en uitreisstempels van een reis naar Suriname. Ook hebben eiser en referente nog meer foto’s overgelegd. Er zijn ongeveer 40 foto’s overgelegd die gemaakt zijn in Nederland en op een deel zijn eiser en referente samen te zien. Alle foto’s zijn voorzien van een bijschrift van wat er op de foto te zien is, zoals: ‘Op visite bij vrienden in 2022’, ‘ [eiser] aan het koken bij ons thuis 28 oktober 2022’, ‘ [eiser] maakt kattenluik voor onze katten 17 december 2022’, ‘Etentje met bowlen bij [persoon1] (vriend van [persoon2] zijn moeder) 10 mei 2023’ en ‘Kraambezoek bij mijn dochter voor kleindochter [persoon3] [geboortedatum 3] 2023’. Daarnaast zijn er ongeveer 50 foto’s overgelegd die gemaakt zijn in Suriname, waarvan het merendeel landschapsfoto’s zijn waarop geen mensen te zien zijn. In de aanvullende gronden van bezwaar zijn nog eens 14 foto’s overgelegd en op het merendeel hiervan zijn eiser en referente samen te zien. Deze foto’s zijn voorzien van bijschriften zoals: ‘Op bezoek bij het stuwmeer’, ‘Foto voor de kerstkaart’, ‘Bezoek kerstplein in [plaats] ’ en ‘Samen in het appartement’. Verder heeft referente in bezwaar een schriftelijke verklaring overgelegd met een nadere uitleg van referente over de relatie. Ten slotte is een uitdraai van Whatsapp chatberichten tussen eiser en referente overgelegd uit de periode van 3 december 2023 tot en met 23 februari 2025.
6.4
De rechtbank is van oordeel dat de minister alle door eiser en referente overgelegde bewijsstukken onvoldoende in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. De minister heeft naar alle bewijsmiddelen afzonderlijk gekeken bij de beoordeling of hier een duurzame en exclusieve relatie uit volgt. De rechtbank kan volgen dat uit een overzicht van chatgesprekken alleen niet valt af te leiden of dit ter onderhoud van een liefdesrelatie is, dat sommige foto’s ook vriendschappelijk kunnen zijn en dat de reisbescheiden niets zeggen over het doel van de reis. Echter, alle bewijsmiddelen samengenomen werpt voor de rechtbank een ander licht op de zaak. De rechtbank zal dat hieronder uitleggen.
6.5
Om te beginnen is de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2023, van oordeel dat de minister de door eiser overgelegde getuigenverklaringen onvoldoende in de beoordeling heeft betrokken. De enkele stelling van de minister dat getuigenverklaringen niet objectief verifieerbaar zijn acht de rechtbank onvoldoende. Dat de getuigenverklaringen niet objectief verifieerbaar zijn, maakt namelijk nog niet dat deze niet hoeven te worden betrokken in de beoordeling. [2] Gelet hierop had de minister de 15 door eiser overgelegde verklaringen inhoudelijk in de beoordeling moeten betrekken. De rechtbank stelt daarbij vast dat twee van de verklaringen, beiden gedateerd 29 augustus 2024, zijn opgesteld door een leidinggevende en een collega van referente. In de verklaring van [persoon4] wordt door de leidinggevende onder meer verklaard dat eiser en referente samen aanwezig waren op een open dag van het bedrijf op 30 juni 2023 en dat meerdere collega’s op de hoogte zijn van de relatie. In de verklaring van referentes collega [persoon5] staat beschreven hoe referente tijdens sociale gesprekken op het werk vertelde over de opbloei van de relatie, dat referente tijdens een werkreis veelvuldig sprak over en contact had met eiser en dat eiser en referente als partners aanwezig waren op de open dag van het bedrijf medio 2023. In het bijzonder voornoemde verklaringen, maar daarnaast ook de verklaringen van familie, vrienden en buren, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank niet terzijde kunnen schuiven met de enkele stelling dat deze niet objectief zijn. De rechtbank volgt evenmin dat de door referente overgelegde verklaring niet in de beoordeling zou hoeven worden betrokken omdat niet geverifieerd zou kunnen worden van wie de verklaring afkomstig is. De naam van referente staat boven en onderaan de verklaring en bovendien had de minister dit tijdens de hoorzitting eenvoudig kunnen verifiëren. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat de minister zich, zowel in het bestreden besluit als ter zitting, op het standpunt heeft gesteld dat de overgelegde verklaringen niet zijn onderbouwd met (objectieve) stukken. Ook dit standpunt volgt de rechtbank niet gelet op alle overgelegde stukken zoals opgesomd in overweging 5.3.1 en 5.3.2 van deze uitspraak, die door eiser zijn overgelegd en die de inhoud van de verklaringen ondersteunen. Gelet hierop acht de rechtbank het standpunt van de minister ten aanzien van de overgelegde verklaringen alles in samenhang bezien onvoldoende gemotiveerd.
6.6
Ten aanzien van de financiële ondersteuning overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting is door de gemachtigde van de minister erkend dat uit de overgelegde stukken blijkt dat er sprake is van financiële ondersteuning van referente aan eiser. De minister stelt echter dat hieruit niet blijkt dat er sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. Uit dit standpunt blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister de stukken niet in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Want uit de financiële stukken alleen kan misschien niet de conclusie worden getrokken dat er sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en referente, maar naar het oordeel van de rechtbank dienen deze stukken te worden beoordeeld in samenhang met alle andere overgelegde stukken en kan daaruit een ander beeld ontstaan over de gestelde relatie dan wanneer enkel naar deze financiële stukken wordt gekeken.
6.7
Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de overgelegde kopieën van het paspoort van referente met de inreisstempels in en uit Suriname. Niet in geschil is dat referente meerdere keren in Suriname is geweest. Ter zitting is daarnaast ook door de gemachtigde van de minister verklaard dat niet uit te sluiten is dat eiser en referente elkaar in Suriname hebben gezien. De gemachtigde van de minister erkent dat dit volgt uit de overgelegde chats en foto’s die gemaakt zijn in Suriname. De gemachtigde van de minister stelt echter dat niet is gebleken dat eiser en referente elkaar in Suriname als partners hebben ontmoet en dat het doel van de reis van referente naar Suriname niet aannemelijk is gemaakt omdat zij zou ook voor een ander doel naar Suriname afgereisd kunnen zijn.
Zoals in overweging 6.3.2 van deze uitspraak al is opgesomd heeft eiser verschillende foto’s overgelegd. Sommige van deze foto’s zijn voorzien van een bijschrift met wat er op de foto te zien is. Ten aanzien van de reis van referente naar Suriname heeft eiser bijvoorbeeld de volgende foto’s met bijschrift overgelegd: ‘Op bezoek bij het stuwmeer’, ‘Foto voor de kerstkaart’, ‘Bezoek kerstplein in [plaats] ’ en ‘Samen in het appartement’. De conclusie van de minister dat niet kan worden vastgesteld wat het doel van de reis van referente naar Suriname was, namelijk het bezoeken van eiser, getuigt naar het oordeel van de rechtbank ook niet van een beoordeling van de stukken in onderlinge samenhang. Ook acht de rechtbank de stelling van de minister dat de inhoud van de Whatsapp chatberichten niet zou duiden op een relatie die gelijk te stellen is met een huwelijk onvoldoende beoordeeld in samenhang met de andere overgelegde stukken. Eiser heeft Whatsapp chatberichten over een lange periode overgelegd en daarnaast een overzicht van telefoongesprekken via Whatsapp. Daarbij volgt uit de Whatsapp chatberichten en het overzicht van telefoongesprekken via Whatsapp dat eiser en referente veelvuldig contact met elkaar onderhouden. Uit de Whatsapp chatberichten is verder af te leiden dat zij contact onderhouden over dagelijkse bezigheden en persoonlijke aangelegenheden. Uit de Whatsapp chatberichten uit 2023 [3] volgt daarnaast dat eiser en referente – in de periode dat eiser nog in Nederland was – thuis samen visite krijgen en dat zij contact hebben over onder andere verjaardagen en vergaderingen die bij hen thuis worden gehouden.
6.8
Concluderend overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het reeds overwogene ten aanzien van de getuigenverklaringen, de financiële ondersteuning, het veelvuldig contact via chats, de foto’s die de verklaringen van referente en eiser onderbouwen, bijvoorbeeld over het familiebezoek (waaronder kraambezoek), is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat, alles in onderlinge samenhang bezien, de overgelegde stukken tot de conclusie hebben kunnen leiden dat er geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en referente. Nu de minister de bewijsstukken niet (voldoende) in onderlinge samenhang heeft beoordeeld, is sprake van een gebrekkig besluit. Het beroep is gelet daarop gegrond.

Conclusie en gevolgen

7.1
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
7.2
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
7.3
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Peters, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Voetnoten

1.Verklaringen, allemaal met een kopie van een identiteitsdocument, van: [persoon6] (dochter referente), [persoon7] (schoondochter referente), [persoon8] (zus referente), [persoon9] & [persoon10] (zus en zwager referente), [persoon4] (teamleider referente), [persoon5] (collega referente), [persoon11] (vriendin referente), [persoon12] (vriendin referente), [persoon13] (kennis), [persoon14] & [persoon15] (buren referente), [persoon16] en [persoon17] (broers eiser), [persoon18] (partner [persoon16] ), [persoon19] en [persoon20] (moeder eiser en haar partner).
3.Zie Whatsapp chatberichten van 6 april 2023, 9 augustus 2023 en 14 augustus 2023.