Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
12 april 2024 staande is gehouden in Rotterdam. Op dat moment was de in de ongewenstverklaring opgelegde termijn van vijf jaren verstreken. Vaststaat ook dat eiser op dat moment geen verzoek had ingediend om opheffing van de ongewenstverklaring. Uit artikel 6.6, derde lid, onder b van het Vreemdelingenbesluit volgt dat in dat geval de termijnen van de ongewenstverklaring opnieuw aanvangen. De kern van de zaak is dus dat eiser in Nederland is aangetroffen zonder vooraf een verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring te hebben ingediend.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.I.G.A Karregat, griffier.