ECLI:NL:RBDHA:2026:15872

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.22656
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5 Richtlijn 2008/115Art. 5.1b, eerste, derde en vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd gerechtvaardigd met zware en lichte gronden, waaronder het niet beschikken over de juiste documenten bij binnenkomst en het onttrekken aan toezicht.

Eiser betwistte de zware gronden, met name dat hij Nederland rechtmatig zou zijn binnengekomen en dat hij zich niet aan toezicht had onttrokken. De rechtbank oordeelde echter dat eiser niet beschikte over de vereiste documenten en dat hij zich tijdens eerdere asielprocedures aan toezicht had onttrokken door Nederland te verlaten met onbekende bestemming.

Daarnaast stelde eiser dat de voorgaande maatregel van bewaring onrechtmatig was vanwege het ontbreken van toetsing aan het non-refoulementbeginsel, en dat deze onrechtmatigheid doorwerkte in de huidige maatregel. De rechtbank verwierp dit standpunt, verwijzend naar eerdere rechtspraak waarin de vorige maatregel als rechtmatig werd beoordeeld.

De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit, zoals vereist door het Hof van Justitie van de Europese Unie, en concludeerde dat er geen onrechtmatigheid was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22656

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer H. Barzizaoua. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Gronden van de maatregel
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zicht op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn en betwist alle zware gronden. Met betrekking tot zware grond 3a voert eiser aan dat hij op rechtmatige wijze Nederland is binnengekomen aangezien het een omzetting van de maatregel betreft en hij zich reeds in Nederland bevond. Voorts heeft eiser betoogd dat grond 3b hem onterecht is tegengeworpen, omdat hij bij aankomst op Schiphol direct in bewaring is gesteld en hij zich daarom niet heeft kunnen onttrekken aan het toezicht op vreemdelingen.
3. De rechtbank deelt niet eisers opvattingen over de zware gronden 3a en 3b en oordeelt dat deze terecht zijn tegengeworpen in de maatregel van bewaring. Immers, grond 3a is feitelijk juist nu eiser niet beschikte over een paspoort met een visum of een machtiging tot voorlopig verblijf toen hij Nederland is binnengekomen. Hij diende bij binnenkomst in Nederland echter wel te beschikken over dergelijke documenten als persoon met de Algerijnse dan wel Marokkaanse nationaliteit. Daarnaast overweegt de rechtbank dat ook eisers standpunt betreffende grond 3b geen doel treft. Eiser is namelijk tijdens twee asielprocedures in Nederland vertrokken met onbekende bestemming, wat blijkens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betekent dat hij zich heeft onttrokken aan het toezicht (ECLI:NL:RVS:2022:3957).
4. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De zware gronden 3a en 3b, in onderlinge samenhang bezien met de onbetwiste lichte gronden, dragen reeds voldoende de maatregel van bewaring. Als gevolg hiervan vereisen de overige betwiste zware gronden geen verdere bespreking. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Doorwerking van de onrechtmatigheid van de voorgaande maatregel
5. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring van 14 april 2026, die voorafgaand aan de voorliggende maatregel is opgelegd, onrechtmatig was omdat er geen toetsing aan het beginsel van non-refoulement heeft plaatsgevonden. Eiser meent dat de onrechtmatigheid van de vorige maatregel doorwerkt in de huidige maatregel en dit ertoe leidt dat ook de huidige maatregel onrechtmatig moet worden bevonden.
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Zij verwijst naar de uitspraak in de beroepszaak tegen de voorgaande maatregel van bewaring (NL26.22655), waarin is geoordeeld dat die maatregel niet onrechtmatig werd bevonden. Er is dan ook geen reden om te concluderen dat onrechtmatigheid van de vorige maatregel van bewaring doorwerkt in de huidige maatregel. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiseres of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen de verwijdering van eiseres.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.