ECLI:NL:RBDHA:2026:15869

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
NL26.22295
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in asielprocedure

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gebaseerd op zware en lichte gronden, waaronder het onttrekken aan toezicht en het niet naleven van terugkeerplichten.

Eiser betoogde dat de grondslag voor de bewaring vervalt zodra een zienswijze in de asielprocedure is ingediend, verwijzend naar een eerdere uitspraak van deze rechtbank. De rechtbank oordeelde echter dat de bewaring maximaal vier tot zes weken mag duren en dat de grondslag pas vervalt bij het definitieve besluit op de asielaanvraag, niet bij het indienen van een zienswijze.

De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit, zoals vereist door het Hof van Justitie van de EU, en concludeerde dat de maatregel te allen tijde rechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22295

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B.J. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer H.P. Vuijk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag (zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw). Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen (zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw).
2. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is, ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank is gehouden, van oordeel dat deze gronden in onderlinge samenhang bezien de maatregel van bewaring kunnen dragen.
Grondslag voor de maatregel
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de grondslag voor de asielbewaring komt te vervallen op het moment dat er in de asielprocedure een zienswijze is ingediend. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van 6 september 2024 van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond (ECLI:NL:RBDHA:2024:14301). Eiser heeft verzocht om de zaak aan te houden voor een dag zodat hij de dag na de zitting een zienswijze in kan dienen tegen het voornemen bij de asielprocedure. Nadien komt de grondslag voor de maatregel te vervallen volgens eiser.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Het is staande praktijk dat de asielbewaring overeenkomstig artikel 59b, tweede lid, van de Vw maximaal vier dan wel zes weken mag voortduren. De ratio daarachter is dat er binnen die termijn op de asielaanvraag wordt beslist. Uit het definitieve besluit dat op een asielaanvraag wordt genomen blijkt dat de gegevens noodzakelijk voor de beoordeling van een asielaanvraag eerst dan zijn vergaard en niet, zoals eiser betoogt, op het moment dat een zienswijze is ingediend in een asielprocedure. Daarom komt de grondslag van een asielbewaring niet te vervallen op het moment van het indienen van de zienwijze in de asielprocedure. Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, leidt niet tot een ander oordeel. Te meer nu de feiten en omstandigheden in die specifieke zaak niet gelijk zijn aan die van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.