Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15840

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/09/694594 / JE RK 25-1936 en C/09/697056 / JE RK 26-4
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen in gezinsgerichte voorziening

De rechtbank Den Haag behandelde op 12 mei 2026 een verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, ingediend door de gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming. De minderjarigen zijn onder toezicht gesteld en verblijven momenteel in een gezinsgerichte voorziening. De moeder en vader zijn als belanghebbenden betrokken, waarbij de vader geen ouderlijk gezag heeft over een van de kinderen en vermoedelijk in detentie zit.

De rechtbank constateert dat ondanks positieve stappen van de moeder en goede samenwerking met de hulpverlening, de situatie nog niet zodanig is verbeterd dat terugplaatsing mogelijk is. De kinderen hebben een bovengemiddelde opvoedvraag en ontwikkelingsachterstanden, en de opvoedvaardigheden van de moeder zijn nog onvoldoende versterkt. De omgang tussen moeder en kinderen wordt begeleid en moet worden uitgebreid.

De rechtbank benadrukt het belang van professionele ondersteuning voor de moeder en hulp voor de kinderen bij hun ontwikkelingsproblemen. Ook is aandacht voor de mogelijke terugkeer van de twee oudste kinderen van de moeder, wat gevolgen kan hebben voor de hulpverlening en draagkracht.

Gezien deze omstandigheden is de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk en wordt deze verleend met een duur tot 29 augustus 2026, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De kinderen blijven voorlopig in het gezinshuis, en de pleegzorgscreening bij de grootouders wordt afgerond om mogelijke toekomstige plaatsing te onderzoeken.

Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een gezinsgerichte voorziening tot 29 augustus 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers: C/09/694594 / JE RK 25-1936 (I) en C/09/697056 / JE RK 26-4 (II)
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak (I) van:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
en in de zaak (II) van:
de Raad voor de Kinderbescherming ’s-Gravenhage,
hierna te noemen de Raad,
over de minderjarigen:
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] .
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan in zaak I:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.L. Prass uit Amsterdam,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in Amsterdam,
advocaat: mr. P.A.J. van Putten uit Almere.
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan in zaak II:
de moeder,
de gecertificeerde instelling,
De rechtbank merkt als informant aan in zaak II:
de vader.
In zaak I is opgeroepen voor het inwinnen van advies [1] :
de Raad.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 19 januari 2026 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is – voor zover hier relevant – [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 29 augustus 2026 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verleend tot 29 mei 2026. De behandeling van de verzoeken over de machtiging tot uithuisplaatsing is voor het overige aangehouden.
1.2.
Bij de voorgaande zitting op 19 januari 2026 hebben partijen ermee ingestemd dat alle stukken in de procedures over en weer geacht moeten worden te zijn ingediend in alle procedures. [2] De rechtbank heeft kennisgenomen van alle stukken in die procedures.
1.3.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de nagezonden stukken ten behoeve van de zitting van 12 mei 2026, te weten:
  • een schriftelijke update van de gecertificeerde instelling van 28 april 2026 met
  • een schriftelijke update namens de moeder van 5 mei 2026;
  • een schriftelijke update van de Raad van 6 mei 2026 met drie bijlagen.
1.4.
Op 12 mei 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
  • [naam 3] namens de Raad;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de advocaat van de vader.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 7 oktober 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank, voor zover hier van belang, de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] verlengd tot 29 augustus 2026.
2.2.
Voor de overige feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van 19 januari 2026.

3.De verzoeken

3.1.
De gecertificeerde instelling handhaaft het aangehouden deel van het verzoek (I), dat strekt tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
De Raad handhaaft ook het aangehouden deel van het verzoek (II), dat strekt tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Ter zitting is verklaard dat in de schriftelijke update per abuis is vermeld dat het een machtiging is voor de categorie pleegzorg, maar bedoeld wordt een machtiging voor een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis).

4.De standpunten

4.1.
Volgens de gecertificeerde instelling is de situatie nog niet dusdanig verbeterd dat de uithuisplaatsing kan worden beëindigd. Wel is het zo dat de moeder mooie stappen heeft gezet, en de samenwerking met haar verloopt goed. Dit moet worden voortgezet en het is de bedoeling dat de begeleide omgang tussen de moeder en de kinderen zo snel mogelijk wordt uitgebreid. Met de vader is er sinds de komst van de nieuwe jeugdbeschermers geen contact geweest. Om die reden en omdat de relatie tussen de ouders is verbroken en de vader geen ouderlijk gezag heeft over [de minderjarige 2] , ligt de focus nu op het versterken van de moeder. Daarnaast wordt de pleegzorgscreening bij de grootouders moederszijde (hierna: de grootouders) binnen enkele weken afgerond.
4.2.
De motivering van de Raad komt overeen met die van de gecertificeerde instelling. Er zijn door de moeder, de grootouders en de hulpverlening al goede stappen gezet, maar dit moet nog voorgezet en verstevigd worden om de basisveiligheid van de kinderen bij de moeder te kunnen waarborgen. Daarvoor is ook volgens de Raad van belang dat het contact tussen de moeder en de kinderen wordt geïntensiveerd, waarbij er aandacht moet zijn voor het versterken van de gehechtheidsrelaties, het vergroten van de opvoedvaardigheden van de moeder en haar draagkracht.
4.3.
De moeder begrijpt dat een directe terugplaatsing van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] op dit moment niet haalbaar is. Zij heeft wel de wens dat de kinderen zo snel mogelijk bij de grootouders kunnen wonen. Een dergelijke plaatsing maakt het mogelijk het contact tussen de moeder en de kinderen op korte termijn uit te breiden, waarna wat de moeder betreft kan worden toegewerkt naar een volledige terugplaatsing. Zij is aan de slag gegaan met de voorwaarden die zijn gesteld om de uithuisplaatsing te beëindigen.
4.4.
Namens de vader heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en toegelicht dat de vader graag weer contact wil met de kinderen zodra zijn omstandigheden dat toelaten. De advocaat zal de vader daarbij ondersteunen en te zijner tijd contact opnemen met de gecertificeerde instelling daarover.

5.De beoordeling van de rechtbank

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. [3] De rechtbank overweegt als volgt.
5.2.
In de voorgaande beschikking van 19 januari 2026 is door de rechtbank aan de gecertificeerde instelling en de Raad verzocht om nader onderzoek te doen, dan wel een heldere analyse te maken, om een beter beeld te krijgen van de situatie van en tussen de ouders en van de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Op basis van de verkregen informatie merkt de rechtbank op dat door de jeugdbeschermers en de moeder hard is gewerkt om de samenwerking te verbeteren en de eerste stappen in de goede richting te zetten. De moeder is concreet aan de slag gegaan met een aantal gestelde bodemeisen, maar zij is nog niet zo ver dat zij de zorg voor de kinderen weer op zich kan nemen. Bovendien is de afgelopen periode in het gezinshuis meer zicht gekomen op de (achterlopende) ontwikkeling van de kinderen en hun (bovengemiddelde) opvoedvraag. Er is op dit moment nog onvoldoende ingezet om de opvoedvaardigheden van de moeder te onderzoeken en te versterken, in relatie tot die complexe opvoedvraag van de kinderen.
5.3.
Belangrijk is dat, zoals alle betrokkenen onderschrijven, de omgang op een voor de kinderen passende manier wordt vormgegeven en uitgebreid, zodat de moeder met professionele ondersteuning kan leren om het traumagerelateerde gedrag bij de kinderen te herkennen en daar passend op te reageren. De jeugdbeschermers hebben uitgebreid uiteengezet hoe moeilijk het is gebleken om omgangsbegeleiding te organiseren in de huidige uitvoeringspraktijk. Ter zitting bleek dat de organisatie
Actief en Adviesde omgang zal begeleiden, mits de financiering geregeld wordt. Maar naast begeleide omgang zijn er nog een hoop andere zaken van belang om de situatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] blijvend te kunnen verbeteren. Bijvoorbeeld hulp voor de kinderen bij hun ontwikkelingsachterstand en mogelijk traumagerelateerd gedrag en individuele hulp voor de moeder op meerdere leefgebieden (psychologisch, maatschappelijk en financieel). De rechtbank complimenteert de moeder dat zij de eerste nodige stappen hiervoor heeft gezet en drukt haar op het hart om daarmee verder te gaan in het belang van haar kinderen.
5.4.
Verder merkt de rechtbank op dat tijdens de zitting gesproken is over de twee oudste kinderen van de moeder, die ook onder toezicht staan van de gecertificeerde instelling (waarbij andere jeugdbeschermers betrokken zijn dan in onderhavige zaak). Hoewel daar vooralsnog onduidelijkheid over bestaat, is er een mogelijkheid dat de twee oudste kinderen op korte termijn bij de moeder gaan verblijven. Een belangrijke vraag is dan ook wat die situatie zou betekenen voor het verdere verloop van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , de in te zetten hulpverlening en de mogelijkheid om naar thuisplaatsing bij de moeder te werken. Er zijn immers zorgen over de draagkracht van de moeder, zeker als van haar een opvoedende rol ten aanzien van vier kinderen zou worden verwacht, terwijl zij nog onvoldoende aan zichzelf heeft kunnen werken. Daarbij komt dat het mogelijke verblijf van de twee oudste kinderen bij de moeder nu al gevolgen heeft gehad voor de in te zetten hulpverlening, omdat de moeder om die reden een (zeer gewenste) opname in een moeder-kindhuis met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] heeft afgewezen. Tot slot constateert de rechtbank dat de vader op dit moment al langere tijd onbereikbaar is voor de jeugdbeschermers. De rechtbank begrijpt van de jeugdbeschermers, dat hij vermoedelijk in detentie zit. De vader heeft ook geen contact met de moeder, terwijl een groot deel van de zorgen over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voortkomt uit de relatie en dynamiek tussen de ouders. Dat de ouders op dit moment niet samen (kunnen) zijn en de moeder aangeeft dat de relatie voorgoed voorbij is, betekent niet dat deze zorgen weggenomen zijn.
5.5.
Bovenstaande leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] moet worden verleend. De kinderen kunnen op dit moment niet bij de moeder wonen. De pleegzorgscreening zal uitwijzen of er mogelijkheden zijn om de kinderen op termijn en voorlopig bij de grootouders te laten verblijven. Het is van belang dat de kinderen de komende tijd in het gezinshuis kunnen blijven. De rechtbank zal de machtiging daarvoor verlenen.
5.6.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening van 29 mei 2026 tot 29 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 door
mr. T.E.F. Reijnders, mr. J.M.J. Keltjens en mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.
De beslissing is schriftelijk vastgesteld op 28 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 810, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.C/09/692494 / JE RK 25-1698, C/09/694594 / JE RK 25-1936 en C/09/697056 / JE RK 26-4.
3.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.