Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15756

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL25.59183
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardig asielrelaas en onvoldoende gegrond risico bij terugkeer

Eiser, een Oegandese man geboren in 2000, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege zijn seksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende vervolging in zijn land van herkomst. Hij stelde dat hij vanwege zijn homoseksualiteit door familie en school was verstoten en dat hij in Zambia bescherming zocht voordat hij naar Nederland kwam.

Verweerder oordeelde dat de identiteit en herkomst van eiser geloofwaardig waren, maar vond het asielrelaas over zijn seksuele geaardheid ongeloofwaardig. De verklaringen van eiser vormden geen samenhangend geheel en de ingediende documenten waren onvoldoende om zijn geaardheid aannemelijk te maken. Ook werd gewezen op het late indienen van de aanvraag zonder verschoonbare reden.

Eiser voerde in beroep aan dat verweerder een onjuist referentiekader hanteerde en onvoldoende rekening hield met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn religieuze achtergrond en cultuur. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder voldoende rekening had gehouden met het referentiekader en dat de beoordeling zorgvuldig was gemotiveerd.

De rechtbank vond dat eiser onvoldoende inzicht had gegeven in zijn gevoelens en persoonlijke verhaal, waardoor de gestelde seksuele geaardheid ongeloofwaardig bleef. Ook het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Oeganda werd niet aannemelijk gemaakt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59183

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.L. Saija),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hij heeft op 25 augustus 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 26 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond [1] . Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser is zonder voorafgaand bericht niet op zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Oegandese nationaliteit. Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is op school aan een klasgenoot, [naam], gekoppeld waarna een vriendschap tussen beiden is ontstaan. Eiser begon op enig moment gevoelens voor [naam] te ontwikkelen en in 2017 heeft hij hem met een brief verteld dat hij van hem hield. Hiermee heeft [naam] hem tegenover de klas geconfronteerd. Eiser is vervolgens geslagen door zijn docent en zijn vader (die naar de school is gekomen) en naar de politie gebracht waar hij drie dagen in een cel heeft verbleven. Zijn ouders hebben hem verstoten. Eiser heeft sindsdien op straat geleefd. In 2021 is eiser vertrokken naar Zambia op zoek naar bescherming. In 2023 is eiser met behulp van een reisagent naar Nederland gereisd. Bij terugkeer vreest eiser voor de gemeenschap vanwege zijn seksuele geaardheid.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft uit het asielrelaas van eiser twee asielmotieven herleid. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst wordt geloofwaardig bevonden. Verweerder vindt de gestelde problemen wegens eisers seksuele geaardheid ongeloofwaardig. Eiser wordt namelijk tegengeworpen dat zijn verklaringen geen samenhangen en aannemelijk geheel vormen en zijn de door eiser ingediend documenten onvoldoende om zijn gestelde seksuele geaardheid alsnog aannemelijk te vinden. Daarnaast heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en hij heeft daarvoor geen verschoonbare verklaring gegeven. Verweerder komt daarom tot de conclusie dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat het niet aannemelijk is dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer. Tot slot wordt eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Eiser handhaaft de punten één tot en met achttien van zijn zienswijze, omdat verweerder deze niet voldoende gemotiveerd heeft weerlegd. Deze gronden zien op de toepassing van de werkinstructie (WI) 2024/6 waarbij verweerder ten aanzien van ondersteunende documenten een te hoge bewijslast oplegt. Verweerder schendt daarbij de samenwerkingsplicht omdat niet duidelijk wordt hoe de overgelegde documenten zijn meegewogen in de beoordeling. Daarnaast hanteert verweerder een onjuist referentiekader en is de stelling van verweerder dat hiermee voldoende rekening is gehouden ondeugdelijk gemotiveerd. Eiser stelt zich verder op het standpunt voldoende inzichtelijk en diepgaand te hebben verklaard over zijn (vriendschappelijke) relatie met [naam] en zijn proces van bewustwording en acceptatie. Van een niet samenhangend en niet aannemelijk geheel is geen sprake. Verder heeft verweerder niet gemotiveerd gereageerd op het feit dat in Zambia sprake is van corruptie, smeergeld en omkoping. Eiser heeft namelijk met behulp van een smokkelaar een Zambiaanse verblijfvergunning kunnen krijgen, maar van een relatie daar is geen sprake geweest. Verder heeft verweerder gebrekkig gemotiveerd waarom het feit dat eiser kennis heeft van de positie van LHBTI in Oeganda niet maakt dat zijn seksuele gerichtheid geloofwaardig is.
4.1.
In aanvullende gronden gaat eiser nader in op het referentiekader. Verweerder heeft bij zijn beoordeling volgens hem namelijk gebruik gemaakt van een onvolledig referentiekader, hier onvoldoende rekening mee gehouden en dit niet kenbaar betrokken bij de besluitvorming. Hierbij heeft eiser verwezen naar de WI 2019/17. Ook is niet of onvoldoende betrokken dat eisers gevoelens voor [naam] in korte tijd tijdens de schoolperiode zijn ontstaan, eiser op geen enkele andere wijzing uiting aan zijn geaardheid heeft gegeven, hij afkomstig is uit een land waar dat strafbaar is en hij is opgegroeid in een streng islamitisch gezin waar hij niet heeft geleerd zijn gevoel te uiten. Verweerder gaat daarnaast in het bestreden besluit ten onrechte uit van een (romantische) relatie tussen eiser en [naam], wat, indien dit ook het referentiekader, gehoor en de besluitvorming heeft gekleurd, tot een onzorgvuldig besluit heeft geleid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Handhaven van de zienswijze
5. Uit het in algemene zin verwijzen naar de zienswijze kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van oordeel is dat het besluit onrechtmatig tot stand is gekomen dan wel gebreken bevat. Te meer zo nu verweerder op pagina 2 tot en met pagina 5 van het bestreden besluit op de door eiser genoemde punten 1 tot en met 18 van zijn zienswijze heeft gereageerd. Hierover stelt eiser dat de reactie van verweerder niet of onvoldoende is gemotiveerd en dat verweerder aan punten voorbij is gegaan. Het is de rechtbank echter niet gebleken waar verweerder precies aan voorbij is gegaan of waarom de reactie van verweerder om concrete redenen niet zou voldoen. Ten overvloede wijst de rechtbank ook op haar uitspraak van 6 maart 2025 waarin zij heeft overwogen dat de WI 2024/6 in beginsel niet in strijd is met het Unierecht. Eiser heeft in beroep niet aangegeven waarom dat anders zou zijn. De rechtbank ziet hierin dan ook geen toegelichte beroepsgrond.
Referentiekader
6. Verweerder dient in zaken waar geaardheidskwesties spelen door te vragen op de antwoorden van de betrokken vreemdeling. Dit is van belang, omdat de mate waarin iemand zijn gerichtheid in woorden kan vatten per persoon zal verschillen. Niet iedere vreemdeling is namelijk gewend om over zijn persoonlijke ervaringen en gevoelens te praten. In de WI 2019/17 staat onder andere voorgeschreven dat verweerder rekening houdt met het referentiekader van de aanvrager tijdens het gehoor en bij de beoordeling.
6.1.
Eiser is in het nader gehoor in de gelegenheid gesteld om zijn asielmotieven in zijn eigen bewoordingen te vertellen. Daarbij is er doorgevraagd op antwoorden van eiser om verklaringen toe te lichten of zijn vragen opnieuw en anders gesteld. Hoe tijdens het gehoor volgens eiser geen of onvoldoende rekening is gehouden met zijn referentiekader, is de rechtbank niet of onvoldoende gebleken.
6.2.
In het bestreden besluit heeft verweerder vervolgens het volgende referentiekader gehanteerd:
“U (eiser) bent een volwassen man van 25 jaar oud. U hebt de middelbare school gedaan tot de derde klas in Oeganda. U hebt verklaard nooit gewerkt te hebben in uw land. U ging altijd lege flessen collecteren verkopen. U bent geboren in [plaats] en u hebt hier ongeveer 21 jaar gewoond en daarna bent u vertrokken naar Zambia. U hebt hier ongeveer één jaar en drie maanden gewoond. U hebt in Zambia gewerkt. U hebt daar gewerkt in een bar genaamd [naam bar].”Daarbij is ook benoemd dat eiser de pubertijd heeft doorgemaakt in een land waar homoseksualiteit niet is toegestaan. En dat eiser in een miljoenenstad heeft gewoond.
6.3.
In het bestreden besluit is verband gelegd tussen elementen uit het vastgestelde referentiekader en de tegenwerpingen die eiser worden gedaan. Bijvoorbeeld dat eiser alleen oppervlakkig heeft verklaard en geen inzicht heeft gegeven in zijn ervaring als homoseksuele (jonge) man in een land waar dat niet is toegestaan. En verder dat eiser wordt gevolgd in het verschil tussen een individualistische cultuur en collectivistische cultuur, maar dat desondanks mag worden verwacht dat eiser op zijn manier inzicht geeft in zijn gevoelens, gedachten en persoonlijke verhaal. Uit het voornemen en het gehoor volgt verder dat verweerder oog heeft gehad voor de religieuze opvoeding van eiser, dat hem daarover vragen zijn gesteld, maar dat onvoldoende naar voren is gekomen hoe eiser zijn geaardheid en religie op gevoelsniveau met elkaar heeft kunnen rijmen. Dat verweerder daarnaast niet expliciet heeft benoemd dat eiser in een zeer streng islamitisch gezin is opgegroeid, neemt niet weg dat zijn religieuze opvoeding is meegewogen. Evenmin is gebleken dat het feit dat eiser een (door hem genoemde) collectivistische cultuur komt tot een andere beoordeling had moeten leiden.
6.4.
De verwijzing van eiser naar de uitspraak van 31 maart 2026 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) [2] maakt het voorgenoemde niet anders. Hoewel gevolgd kan worden dat het enkele verstrijken van tijd en ouder worden van een betrokkene niet zonder meer maakt dat diegene beter in staat is om te reflecteren op gebeurtenissen uit de jeugd, heeft verweerder er in dit geval op kunnen wijzen dat eiser ten tijde van de ontdekking van zijn seksuele geaardheid ongeveer zestien jaar oud was en hij tijdens zijn gehoor 24 jaar oud was en al ongeveer twee jaar in Nederland woonde. De vreemdeling in de genoemde uitspraak was pas twaalf of dertien jaar oud toen hij zijn seksuele geaardheid ontdekte. Evenmin neemt dat weg dat nog steeds een zekere mate van diepgaand en inzichtelijk verklaren van eiser mag worden verwacht. Ook de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2026 [3] slaagt niet, nu verweerder daarin onvoldoende rekening heeft gehouden met de zwakbegaafdheid van de vreemdeling. Van een dergelijke belemmering is hier niet gebleken. Naar oordeel van de rechtbank is daarbij onvoldoende gebleken dat verweerder geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser, dan wel dat daarin relevante elementen ten onrechte niet zijn meegenomen in de beoordeling.
6.5.
De overige uitspraken van de rechtbank waar eiser in dit nader naar heeft verwezen betreffen beroepen waarbij is geoordeeld dat verweerder om op die zaak betrekking hebbende redenen geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met (elementen van) het referentiekader, leiden niet tot een ander oordeel. Deze beroepen zijn op hun eigen merites beoordeeld. Hoewel deze onderschrijven dat verweerder gehouden is uit te gaan van een juist referentiekader en dit bij het gehoor en de besluitvorming te betrekken, heeft de rechtbank eerder al geoordeeld dat niet gebleken dat dat voor deze zaak ook geldt. Voor zover eiser hiermee een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft willen doen, had het op zijn weg gelegen om te onderbouwen waarom er van gelijke gevallen sprake is. Eiser heeft dit niet of onvoldoende gedaan, dus slaagt deze grond niet.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
7. Verweerder heeft tegengeworpen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij erachter kwam dat hij homoseksueel was. Ervan uitgaande dat dit een belangrijk moment in eisers leven is geweest, blijft de verklaring dat eiser sterke gevoelens voor [naam] kreeg en jaloers werd als hij bij andere jongens was [4] erg basaal. Ook omdat het vrije relaas van zeven pagina’s laat zien dat eiser in staat is om uitgebreid te verklaren en erop is doorgevraagd. Eiser heeft daarnaast oppervlakkig verklaard over zijn proces van acceptatie van zijn seksuele geaardheid. Zo heeft eiser alleen verklaard dat hij geen gevoelens had voor meisjes en hierbij geen gedachten had [5] , maar hij wel boos werd op zichzelf omdat hij geen gevoelens had voor meisjes en de andere jongens wel. Hij wist alleen niet waar de boosheid vandaan kwam [6] . Over de worsteling met zijn geloof heeft eiser alleen gezegd dat het niet goed voelde [7] . Uiteindelijk heeft hij zichzelf kunnen vertellen dat hij zo is geschapen en dat god van hem houdt, wat hem blij maakte. Ook eisers verklaringen over hoe hij zich realiseerde dat hij [naam] leuk begon te vinden zijn oppervlakkig. Eiser heeft daarover alleen oppervlakkig kunnen omschrijven wat hem tot [naam] aantrok en hoe deze gevoelens – waaronder blijdschap, samen willen zijn, hem graag willen aanraken en verlegenheid [8] – nu echt verschillen van een vriendschappelijke relatie. Eiser is daarnaast tegengeworpen dat hij onvoldoende inzage heeft kunnen geven in zijn belevingswereld door de afwijzing van [naam], toen de problemen begonnen op school en hij door zijn ouders is verstoten. Ondanks dat eiser hierop is bevraagd, heeft hij hier oppervlakkig en summier over verklaard. Vooral nu dit een ingrijpende gebeurtenis is, stelt verweerder zich op het standpunt dat pijn en depressief onvoldoende is. Eveneens dat de afwijzing van [naam] slecht voelde en pijnlijk was. Verder heeft verweerder eiser tegengeworpen dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij na het weekend van het schoolreisje [naam] wel over zijn gevoelens voor hem durfde te vertellen. Veel van de gevoelens die eiser daarbij noemt waren eerder al volgens zijn verklaring aanwezig. Eiser heeft verder gewezen op het feit dat [naam] het reisje en eten voor hem heeft betaald, wat geen inzicht in emotionele of romantische gevoelens geeft. Met betrekking tot de kennis van eiser van de positie van de LHBTI-gemeenschap in Nederland, heeft verweerder betrokken dat eiser ondanks zijn behoefte aan contact met de LHBTI-gemeenschap in Nederland, niet kan verklaren waarom dit contact belangrijk voor hem is. Hoewel eiser daarnaast wel enige kennis toont over de positie van LHBTI in Oeganda, maakt dit op zichzelf zijn gestelde seksuele geaardheid niet geloofwaardig.
7.1.
Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op de voorgaande tegenwerpingen de gestelde seksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig kunnen vinden. Daarbij heeft verweerder erop kunnen wijzen dat, ook met in achtneming van zijn referentiekader, van eiser mocht worden verwacht dat hij – op zijn manier – meer inzicht zou kunnen geven in zijn gevoelens, gedachten en persoonlijke verhaal. De stelling van eiser dat hij wel voldoende inzichtelijk en diepgaand heeft verklaard in verwijzing naar de inhoud van het nader gehoor, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd om tot een andere conclusie te komen. De beroepsgrond van eiser dat verweerder de overgelegde documenten ten onrechte niet heeft meegewogen, slaagt ook niet. Ten aanzien van het paspoort, de foto’s van eisers aanwezigheid bij Pride, het pasje van de [stichting] en de verklaring van [stichting] heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat deze documenten niet objectief zijn en niet voldoende zijn om de seksuele gerichtheid van eiser en de daaruit volgende problemen aannemelijk te maken. Van een schending van de samenwerkingsverplichting in dit kader is dan ook niet gebleken. Evenmin is gebleken dat verweerder gedurende het gehoor en de beoordeling ten onrechte uit is gegaan van een liefdesrelatie tussen eiser en [naam]. Ter zitting heeft verweerder kunnen toelichten dat de in het bestreden besluit genoemde liefdesrelatie tussen beiden een kennelijke verschrijving is en dat er verder geen aanleiding is om te vermoeden dat bij de beoordeling uit is gegaan van iets anders dan een vriendschappelijke band.
7.2.
Voor wat betreft de Zambiaanse verblijfsvergunning voor ‘verblijf bij partner’ het volgende. Eiser is in de besluitvorming tegengeworpen dat hij in het bezit was van voorgenoemde verblijfsvergunning, omdat dat haaks staat op eisers gestelde homoseksuele geaardheid nu dat in Zambia niet toegestaan is. De partner zou dan iemand van het andere geslacht moeten zijn. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat, hoewel hij deze tegenwerping wel handhaaft, dit geen dragende tegenwerping is en het ziet het als een tegenwerping ten overvloede over iets dat vragen oproept. Eiser stelt echter dat de vergunning frauduleus verkregen is uit noodzaak en daardoor niet haaks staat op zijn asielrelaas. Wat daar ook van zij, zelfs als eiser erin wordt gevolgd dat de Zambiaanse verblijfsvergunning geen contra-indicatie vormt, neemt dat de eerdere tegenwerpingen niet weg. Dit zou het oordeel niet anders maken.
7.3.
Van een strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel is de rechtbank dan ook niet gebleken.
Risico bij terugkeer
8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij een terugkeer naar Oeganda een gegronde vrees heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Voor zover eiser stelt dat er bij terugkeer een schending dreigt van artikel 3 van Pro het EVRM [9] , is daarvan niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser af kunnen wijzen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijg en het bestreden besluit in stand blijft.
9.1.
Omdat het beroep ongegrond is krijg eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4.Verslag nader gehoor, pag. 16 en 24.
5.Verslag nader gehoor, pag. 25.
6.Verslag nader gehoor, pag. 26.
7.Verslag nader gehoor, pag. 28.
8.Verslag nader gehoor, pag. 24 en 25.
9.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.