ECLI:NL:RBDHA:2026:15755

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL26.8329
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:72 AwbArt. 31 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag wegens motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek

Eiser, een Syrische nationaliteit dragende advocaat, diende op 10 december 2023 een asielaanvraag in die op 6 februari 2026 werd afgewezen door verweerder. De afwijzing was gebaseerd op de toepassing van de pilot zwaarwegendheid, waarbij de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser in het midden werd gelaten en direct werd getoetst of de vrees zwaarwegend was.

De rechtbank oordeelt dat verweerder de pilot zwaarwegendheid onjuist heeft toegepast door de geloofwaardigheid van de verklaringen deels ter discussie te stellen en onvoldoende te motiveren waarom de vrees van eiser niet aannemelijk zou zijn, ondanks concrete bedreigingen via familieleden. Dit leidt tot een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek.

Verweerder heeft erkend dat het besluit gebreken bevat, maar stelt dat deze niet tot schending van belangen leiden. De rechtbank is het hier niet mee eens en vernietigt het besluit. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8329

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Gavami),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kana).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 10 december 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 6 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. [1]
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Fawzy als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1983, heeft de Syrische nationaliteit en is afkomstig uit [plaats]. Hij heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser is in 2013 opgeroepen voor reservistendienst maar hij heeft hier geen gehoor aan gegeven. In 2023 is eiser uiteindelijk om deze reden uit Syrië gevlucht. Na de val van het regime van Assad in december 2024 vreest eiser niet langer vanwege zijn weigering gehoor te geven aan de oproepen voor reservistendienst, maar heeft hij problemen gekregen vanwege zijn eerdere werk als familierecht advocaat. Doordat eiser de ex-vrouwen van [naam 1] en [naam 2] heeft bijgestaan, is hij door hen -via zijn vader en zijn broer in Syrië- met de dood bedreigd. Bij terugkeer vreest eiser voor [naam 1] en [naam 2], en voor het huidige regime omdat hij vanwege zijn werkzaamheden als advocaat onder het vorige regime, door het huidige regime zal worden gezien als aanhanger en daardoor problemen zal krijgen.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft twee asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid. Zijn identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. De geloofwaardigheid van eisers gestelde problemen vanwege zijn werkzaamheden wordt in het midden gelaten, omdat verweerder dit meteen op zwaarwegendheid heeft getoetst. [2] Verweerder is tot de conclusie gekomen dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Daarnaast loopt eiser geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië vanwege zijn gestelde problemen noch vanwege de algemene veiligheidssituatie daar. Het huidige regime heeft de dienstplicht daarbij opgeheven. Eiser wordt zodoende een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Allereerst beschouwt eiser zijn eerdere zienswijze als herhaald en ingelast, nu verweerder hier met het bestreden besluit niet of onvoldoende op is ingegaan. Daarnaast ziet eiser niet in hoe verweerder stelt rekening te hebben gehouden met de waarde van zijn verklaringen en waarom zijn gestelde problemen niet aannemelijk worden geacht, vooral nu voor de verdere toetsing vanwege toepassing van de pilot zwaarwegendheid uit moet worden gegaan van de geloofwaardigheid daarvan. [3] Eiser is het daarbij ook niet eens met verweerder dat beticht worden van lidmaatschap van de Ba’ath-partij van het vorige regime, niet zwaarwegend genoeg is. Lidmaatschap voor de partij was verplicht en het huidige regime zal zich daartegen willen laten gelden. Verweerder had zelf ook moeten controleren of dit het geval was, in plaats van de stelling van eiser opzij te schuiven met het argument “gebrek aan onderbouwing”. Daar komt bij dat, net als in Nederland, nog langere tijd terug te vinden zal zijn dat eiser onder het vorige regime als advocaat heeft gewerkt. Of eiser een advocaat-stagiair was en of hij aan terroristenzaken werkte is daarvoor niet relevant; het gaat om het kantoor waar eiser in dienst was. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder de gebruikte bronnen niet duidelijk bij de beoordelingen van zijn verklaringen heeft betrokken. Verweerder legt de lat gezien de uitzonderlijke situatie in Syrië dan ook te hoog. Voor wat betreft de asielmotieven van eiser heeft hij zijn problemen vanwege zijn werkzaamheden niet eerder aan kunnen geven, wat hem niet tegengeworpen kan worden.
4.1.
Eiser stelt zich verder op het standpunt dat het beleid van verweerder ten aanzien van Syrië onvoldoende is onderbouwd. De bronnen die verweerder heeft gebruikt geven een eenzijdig en onterecht rooskleurig beeld van de situatie dat niet overeenkomt met de werkelijkheid. Hierbij verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 december 2025. [4]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Pilot zwaarwegendheid
5. Verweerder heeft met toepassing van IB 2022/102 en paragrafen C1/4.1 en C1/4.4 van de Vc in het kader van de pilot zwaarwegendheid het asielmotief inzake de gestelde problemen van eiser vanwege zijn werkzaamheden als advocaat, direct op zwaarwegendheid getoetst. Verweerder kan dit doen wanneer op voorhand al duidelijk is dat de verklaringen – indien geloofwaardig – nooit zwaarwegend genoeg zijn om te leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. De geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling worden dan uitdrukkelijk in het midden gelaten. Bij de beoordeling van de zwaarwegendheid moeten alle verklaringen van de vreemdeling als uitgangspunt worden genomen en het is niet mogelijk om voor slechts een deel van de verklaringen de geloofwaardigheid in het midden te laten. Zie hiervoor ook de eerder benoemde uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022. De rechtbank beschouwt daarom het volgende – voor zover voor deze uitspraak relevant – als geloofwaardig.
5.1.
Eiser is vanaf zijn eindexamens op de middelbare school tot aan zijn vertrek uit Syrië lid geweest van de Ba’ath-partij, omdat dit voor iedereen verplicht was en hij verwacht dat dit nog zo geregistreerd zal staan. Eiser had binnen de partij geen taken, maar heeft wel – verplicht – deelgenomen aan wekelijkse bijeenkomsten, tot hij dit niet meer hoefde vanwege zijn inschrijving als advocaat. Eiser heeft namelijk onder het vorige regime van Assad gewerkt als advocaat, hoewel hij zich door zijn vertrek niet meer heeft kunnen melden en inmiddels als advocaat uitgeschreven zal zijn. Zelf heeft hij als advocaat in opleiding enkel familie- en echtscheidingszaken gedaan maar het kantoor waar hij voor werkte was gespecialiseerd in zaken over terrorismebestrijding. Tijdens zijn werk als advocaat heeft eiser in 2012 een vrouw bijgestaan in haar echtscheidingszaak tegen [naam 1], die lid was voor de oppositie en nu werkzaam is voor het huidige regime. Sinds de val van het vorige regime – eiser verbleef toen al in Nederland – is [naam 1] twee keer naar eisers huis gegaan, op zoek naar hem. [naam 1] heeft eisers familieleden aangesproken en eisers broer op 30 december 2024 opgepakt, meegenomen en een dag vast gehouden. Hij heeft eiser via zijn broer met de dood bedreigd, hetgeen eisers broer hem een dag later per telefoon heeft verteld. In 2011 heeft eiser de ex-vrouw van [naam 2] bijgestaan in een zaak tegen hem omdat hij zijn alimentatie niet betaalde. [naam 2] is hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, die hij ook heeft uitgezeten, en heeft alsnog de alimentatie moeten betalen. Na de val van het regime van Assad heeft [naam 2] eisers vader tot drie keer toe op straat aangesproken en gezegd dat hij nog iets met eiser af te rekenen heeft en wraak zal nemen. Ook dit heeft eiser telefonisch vernomen. Daarnaast worden alle advocaten vervolgd, zijn gedetineerden vrijgelaten, is de eigenaar van het advocatenkantoor waar eiser werkte beschuldigd van het ondersteunen van het regime van Assad, is eisers collega [naam 3] vermoord, en is een andere collega en vriend [naam 4] verdwenen. Verder heeft eiser zich nooit als opposant van het vorige regime geuit en heeft hij zich bij collega’s en omwonenden openlijk negatief uitgelaten over sommige groepen van de oppositie (het huidige regime).
5.2.
Verweerder heeft ter zitting erkend dat het voornemen een tegenwerping bevat die flauw en onnodig was, namelijk dat eiser pas in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat zijn lidmaatschap van de Ba’ath-partij ten tijde van het vorige regime een gevaar kan opleveren onder het huidige regime. Ook heeft verweerder ter zitting erkend dat hij in het voornemen en in het bestreden besluit zwaarwegendheid en geloofwaardigheid door elkaar heeft gehaald en dat de besluitvorming in dat opzicht beslist geen schoonheidsprijs verdient. Waar in het bestreden besluit het standpunt is ingenomen dat de problemen van eiser vanwege zijn werkzaamheden niet aannemelijk zijn geacht, moet dat worden gezien als een kennelijke verschrijving. Erkend wordt dan ook dat het bestreden besluit een gebrek bevat. Verweerder stelt zich echter wel op het standpunt dat, hoewel de rechtbank moet uitgaan van de geloofwaardigheid van de gestelde problemen van eiser als gevolg van zijn werkzaamheden, eiser daarmee nog steeds zijn vrees niet aannemelijk heeft gemaakt. Hij heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve aandacht staat van de Syrische autoriteiten of van andere personen. De bedreigingen zijn namelijk niet door eiser zelf direct waargenomen, waardoor eiser geen risico loopt. Over het huidige regime heeft eiser daarbij zelf verklaard dat hij zich nooit openbaar tegen het vorige regime heeft geuit [5] en volgens verweerder draagt dat bij aan de conclusie dat hij niet in de negatieve aandacht van de huidige autoriteiten staat. Dat eiser te vrezen heeft vanwege zijn betrokkenheid bij zijn voormalige advocatenkantoor of lid van de Ba’aht-partij, is evenmin aannemelijk gemaakt. De conclusie van het besluit wijzigt dus niet en eiser is door de verschrijvingen niet geschaad in zijn belangen, zodat verweerder de rechtbank heeft verzocht om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.3.
De rechtbank oordeelt als volgt. Voorop staat dat van de verklaringen van eiser zoals beschreven onder rechtsoverweging 5.1 uit moet worden gegaan, dus ook van de verklaring dat eiser van zijn vader en broer heeft vernomen dat hij zowel door [naam 1], die voor het huidige regime werkt, als door [naam 2] met de dood is bedreigd en dat beiden wraak willen nemen op eiser zodra hij terugkeert naar Syrië. Verweerder heeft de daaraan gekoppelde vrees niet aannemelijk gevonden, omdat eiser deze bedreigingen niet rechtstreeks zelf, maar via derden heeft vernomen. Nu verweerder echter uit moet gaan van eisers verklaringen en dus ook van de geuite concrete bedreigingen, acht de rechtbank de motivering van verweerder dat de vrees niet aannemelijk is gemaakt ontoereikend. Hoe het feit dat eiser – die op dat moment niet in Syrië was – de bedreigingen niet zelf heeft vernomen, zodanig afbreuk doet aan de vrees die eiser als gevolg van de bedreigingen stelt te ervaren, dat die onaannemelijk wordt geacht, heeft verweerder onvoldoende uitgelegd en ziet de rechtbank ook overigens niet in. Naar het oordeel van de rechtbank levert het voorgaande een motiveringsgebrek op.
5.4.
Ook stelt de rechtbank vast dat verweerder op diverse momenten in de besluitvorming de geloofwaardigheid van eisers asielmotief ter discussie heeft gesteld, terwijl hij de geloofwaardigheid ervan in het midden zou laten. Zo heeft verweerder tegengeworpen dat eiser op geen enkele manier heeft aangetoond dat [naam 1] daadwerkelijk voor het huidige regime werkt [6] , dat eiser niet heeft aangetoond dat hij persoonlijk lid is geweest van de Ba’aht-partij [7] en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich voor de machtsovername nooit duidelijk tegen het vorige regime heeft uitgesproken [8] . Dit gaat tegen verweerders eigen beleid en de uitspraak van de Afdeling in. De rechtbank kan deze expliciete tegenwerpingen onmogelijk beschouwen als ‘kennelijke verschrijvingen’, waardoor de door verweerder gegeven toelichting op het erkende gebrek onvoldoende is om dat gebrek te herstellen. Het bestreden besluit bevat daarom naast een motiveringsgebrek ook een zorgvuldigheidsgebrek.
5.5.
De aard en omvang van de vastgestelde gebreken lenen zich naar oordeel van de rechtbank niet voor passeren, nu zij van oordeel is dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen.
5.6.
Nu de rechtbank in het voorgaande reeds voldoende aanleiding ziet om het bestreden besluit te vernietigen, komt de rechtbank er niet aan toe om de overige beroepsgronden te behandelen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 3:46 van Pro de Awb. Dit betekent dat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. Gezien de aard en omvang van het gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen.
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934 per punt en een wegingsfactor 1). [9]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van het informatiebericht (IB) 2022/102 en paragrafen C1/4.1 en C1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), ook wel de ‘pilot zwaarwegendheid’ genoemd.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333.
5.Verwezen is naar het verslag nader gehoor, pag. 11.
6.Pagina 5, derde alinea, van het voornemen.
7.Pagina 3, laatste alinea, van het bestreden besluit.
8.Pagina 3, voorlaatste alinea en pagina 4 tweede en derde alinea, van het bestreden besluit
9.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.