Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15752

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL26.11059 en NL26.11060
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 31 VwArt. 30b Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en nationaliteit

Eiser diende een asielaanvraag in die werd afgewezen omdat zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig werden bevonden. Hij verklaarde wisselend over zijn nationaliteit en leverde onvoldoende documenten ter onderbouwing. Verweerder stelde dat eiser onvoldoende inspanningen had verricht om zijn identiteit te staven.

De rechtbank oordeelde dat de werkinstructie 2024/6 niet in strijd is met het Unierecht en dat verweerder de geloofwaardigheid op juiste wijze heeft beoordeeld. Hoewel verweerder het proces-verbaal van het nader gehoor aanvankelijk niet ter inzage had gegeven, werd dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd.

Eiser had geen concrete aanwijzingen voor een refoulementrisico bij terugkeer naar Libië of Tunesië aangevoerd. Het eerdere terugkeerbesluit en inreisverbod bleven van kracht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.11059 en NL26.11060
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 26 januari 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 20 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich voorafgaand aan de zitting afgemeld te verschijnen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2004 en de Libische nationaliteit te hebben. Op 11 september 2025 heeft eiser voor het eerst een asielaanvraag in Nederland gedaan die uiteindelijk in de nationale procedure is behandeld. Zijn asielaanvraag is bij besluit van 5 december 2025 buiten behandeling gesteld, omdat eiser tot twee keer toe niet bij zijn gehoor is verschenen en hij op 12 november 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Hem is hierbij een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn voor Libië en een inreisverbod voor twee jaar opgelegd.
Het asielrelaas
3. Eiser heeft op 19 januari 2026 een nieuwe asielaanvraag ingediend en het volgende daaraan ten grondslag gelegd. In 2018 is eiser zijn ouders verloren door de gevechten in Libië en is hij alcohol gaan drinken. Datzelfde jaar is eiser, doordat hij dronk, door leden van IS aangesproken en mishandeld, omdat drinken tegen de sharia in gaat. Ongeveer een maand later – rond eind 2018 – is eiser door leden van IS om dezelfde reden ontvoerd en mishandeld. Eiser is op enig moment zwaargewond en bewusteloos op straat achtergelaten waar hij door omstanders is gevonden en naar het ziekenhuis is gebracht. Hij heeft toen 28 dagen lang in coma gelegen. In de zomer van 2019 is eiser vertrokken uit Libië. Bij terugkeer vreest hij door IS opgepakt en vermoord te worden.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft twee asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid. Zijn identiteit, nationaliteit en herkomst worden niet geloofwaardig bevonden, waardoor eisers gestelde problemen met IS niet op geloofwaardigheid zijn beoordeeld. Verweerder heeft eiser namelijk tegengeworpen dat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te onderbouwen, hij onvoldoende documenten heeft overgelegd zonder een goede verklaring daarvoor en eisers verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Omdat eiser daarbij wisselend heeft verklaard over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst kan eiser ook op grote lijnen niet als geloofwaardig worden gezien en wordt de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser is daarnaast geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en loopt bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade. Tot slot zijn eiser eerder al een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar opgelegd, welke nog steeds gelden. Wel is daar in het bestreden besluit Tunesië – naast Libië – als land van terugkeer aan toegevoegd.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Allereerst verwijst eiser naar wat hij eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat de werkinstructie (WI) 2024/6 van verweerder in strijd is met het Unierecht, waardoor er geen juiste geloofwaardigheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden. Hij verwijst hierbij naar een EUAA (European Union Agency for Asylum)-rapport van 17 februari 2023 [2] en naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond [3] , waarin prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) over de werkinstructie. Verder is er volgens eiser sprake van een onzorgvuldige besluitvorming omdat hij tijdens zijn nader gehoor geen gelegenheid heeft gehad zijn relaas in zijn eigen bewoording naar voren te brengen. Eiser bestrijdt ook de tegenwerpingen van verweerder ten aanzien van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Verweerder verwijst onder andere naar een hoorverslag van 19 januari 2026, welke door verweerder niet is gedeeld en eiser daar niet adequaat op kan reageren. Van misleiding is ook geen sprake nu de stukken waaruit de wisselende verklaringen blijken ontbreken en de uitkomst van de afgenomen taalindicatie voor eiser onbekend is. Verweerder heeft daarom onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd waarom eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig zouden zijn en heeft ten onrechte de asielmotieven niet verder getoetst. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod heeft verweerder dan ook niet kunnen opleggen en hierbij is ten onrechte geen beoordeling over een refoulementrisico gemaakt. [4]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Geloofwaardigheidsbeoordeling
6. Eiser stelt zich onder andere op het standpunt dat de WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht en dat verweerder ten onrechte aan deze werkwijze blijft vasthouden. Het bestreden besluit is volgens hem dan ook op een onjuiste en onzorgvuldige wijze tot stand gekomen.
6.1.
De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats van 6 maart 2025 [5] . In deze uitspraak heeft de rechtbank namelijk overwogen dat uit de werkinstructie geen verhoogde bewijsmaatstaf volgt die in strijd is met het Unierecht en dat het geen onredelijk beleid betreft om eerst te beoordelen of er voldoende objectieve documenten aanwezig zijn om de geloofwaardigheid van het asielrelaas te dragen, alvorens een uitgebreide geloofwaardigheidsbeoordeling te maken op het relaas en overige documenten. De rechtbank volgt eiser derhalve niet in zijn betoog dat de WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De verwijzing van eiser naar het EUAA-rapport van 17 februari 2023 maakt dit niet anders nu vergelijkbare informatie van de EUAA – al dan niet onder haar vorige naam, de EASO (European Asylum Support Office) – reeds bij de genoemde uitspraak is betrokken. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om de prejudiciële vragen van zittingsplaats Roermond af te wachten. Wel moet, zoals ook uit de uitspraak van 6 maart 2025 volgt, verweerder alle omstandigheden van het specifieke geval in samenhang met elkaar beoordelen om tot een conclusie over de geloofwaardigheid te komen. De cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw kunnen dus niet als strikte checklist worden getoetst door verweerder.
Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst
6.2.
Verweerder heeft geconcludeerd dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn. Hiervoor heeft hij eiser tegengeworpen dat hij onvoldoende inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven. Het is namelijk niet gebleken dat eiser enige poging of moeite heeft gedaan om identificerende documenten te verkrijgen. Vooral nu eiser in zijn gehoor van 19 januari 2026 bij zijn asielaanvraag hij wel heeft aangegeven dat hij wel een geboorteakte en identiteitskaart heeft gehad. Wat hij later tijdens zijn nader gehoor heeft ontkend. Hierbij heeft eiser ook geen poging gedaan nieuwe documenten op te vragen, bijvoorbeeld bij de Libische ambassade, waar eiser jaren de tijd voor heeft gehad. Dit mag wel van eiser verwacht worden en dit wordt hem daarom aangerekend. Dat eiser vanwege zijn nog jonge leeftijd bij vertrek geen documenten nodig had, vindt verweerder geen verschoonbare reden voor het (nu) ontbreken ervan. Daarnaast vormen eisers verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zoals eerder benoemd heeft eiser wisselend en tegenstrijdig verklaard over het al dan niet hebben van identiteitsdocumenten, maar ook dat eiser eerder heeft verklaard dat hij in plaats van de Libische de Tunesische nationaliteit zou hebben. Daar komt bij dat eiser bij zijn eerdere asielaanvraag in Zwitserland een andere geboortedatum heeft opgegeven, namelijk
[geboortedatum 2] 2009. Eiser heeft tot slot summier en vaag verklaard over zijn gestelde herkomst uit [plaats]. Dit terwijl hem volgens verweerder vragen zijn gesteld die elke inwoner van Libië redelijkerwijs moet kunnen beantwoorden en hij stelt tot 15-jarige leeftijd in Libië te hebben verbleven. Zo heeft eiser verklaard niet te weten van de wijziging van de Libische vlag in 2011 en heeft eiser geen nabijgelegen dorpen, belangrijke straatnamen of de naam van het busstation kunnen noemen. In samenhang met het feit dat eiser tijdens zijn eerdere procedure met onbekende bestemming was vertrokken en dat eiser door meerdere Europese landen heeft gereisd alvorens asiel aan te vragen, leidt dit alles er voor verweerder op grond van paragraaf C1/4.3.2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) toe dat eiser ook in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.
6.3.
Eiser heeft hiertegen onder andere aangevoerd dat hem ten onrechte tijdens het nader gehoor geen gelegenheid is geboden om vrij te verklaren over zijn asielmotieven. Uit het verslag van het nader gehoor van 4 februari 2026 blijkt inderdaad niet dat eiser aan het begin die expliciete kans is geboden. Wel is eiser open gevraagd om te vertellen over de keer dat hij door IS zou zijn ontvoerd [6] , hetgeen de aanleiding is geweest voor eisers vertrek. Daarbij is niet gebleken dat hierdoor relevante elementen uit eisers asielrelaas of belangrijke nuances niet of onvoldoende naar voren zijn gekomen. Eiser heeft zelf verklaard geen toevoegingen te hebben op wat is besproken [7] . Deze tendens volgt evenmin uit de correcties en aanvullingen. Ook in beroep heeft eiser niet concreet op iets gewezen waar hij aanvullend of anders over had willen verklaren en verweerder ten onrechte niet in de besluitvorming heeft kunnen betrekken. De rechtbank ziet hierin dan ook geen zorgvuldigheidsgebrek.
6.4.
Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte het proces-verbaal van 19 januari 2026, waarnaar in de besluitvorming is verwezen, niet ter inzage heeft gegeven. De rechtbank stelt vast dat het genoemde proces-verbaal door verweerder op
11 mei 2026 aan het beroepsdossier is toegevoegd. Hierbij heeft verweerder ter zitting bevestigd dat eiser dit niet eerder ter inzage heeft gehad en dat dit evenwel eerder had gekund maar door intern handelen van de kant van verweerder niet is gebeurd. Omdat verweerder onder verwijzing naar dit proces-verbaal heeft tegengeworpen dat eiser zou hebben verklaard de Tunesische nationaliteit te hebben, maar het proces-verbaal niet eerder ter beschikking heeft gesteld, ziet de rechtbank hierin een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. De rechtbank stelt namelijk voorop dat uit het proces-verbaal, dat op ambtseed is opgesteld, blijkt dat eiser tot drie keer toe heeft verklaard alleen de Tunesische nationaliteit te bezitten [8] . Dit komt overeen met de tegenwerping van verweerder daarover in het bestreden besluit. Daarbij is eiser bevraagd over waarom hij eerder de tolk Arabisch (Tunesisch) niet goed kon begrijpen, wat eiser niet kon verklaren. Ook heeft eiser in zijn laatste bericht op 12 mei 2026 aan de rechtbank – nadat het proces-verbaal aan het dossier was toegevoegd en eiser dan wel zijn gemachtigde hier redelijkerwijs kennis van had kunnen nemen – geen aanvulling op zijn gronden gegeven of de rechtbank verzocht om aanhouding. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is gebleken dat eiser door voorgenoemde in zijn belangen is geschaad en dat verweerder het gebrek reeds heeft hersteld door het proces-verbaal alsnog ter inzage aan het beroepsdossier toe te voegen.
6.5.
Eiser heeft geen gronden gewijd tegen de overige tegenwerpingen van verweerder in dit kader. Daarbij is niet gesteld of gebleken dat verweerder de cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw als strikte checklist heeft gebruikt of dat hij de elementen onvoldoende in samenhang heeft beoordeeld. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig kunnen vinden. Dit betekent ook dat verweerder van verdere toetsing van eisers asielmotieven af heeft kunnen zien.
Kennelijk ongegrond
7. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat verweerder het ontbreken van het proces-verbaal heeft hersteld. Het ontbreken ervan kan zodoende niet tot de conclusie leiden dat eiser ten onrechte is tegengeworpen dat hij verweerder over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst heeft misleid. Dat daarnaast de uitkomsten van de in het nader gehoor afgenomen taalindicatie eiser niet bekend zijn, maakt dit niet anders. Voorop staat dat de eventuele inhoud daarvan hem niet wordt tegengeworpen en dit – zelfs als zou zijn gebleken dat dit overeenkomt met zijn gestelde Libische nationaliteit – zijn wisselende verklaringen over zijn gestelde nationaliteit niet zonder meer kan wegnemen. Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder de asielaanvraag van eiser dan ook af kunnen wijzen als kennelijk ongegrond.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
8. Uit het beroepsdossier volgt dat het terugkeerbesluit en inreisverbod eerder aan eiser zijn opgelegd, te weten met het besluit 5 december 2025. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser hier rechtsmiddelen tegen heeft aangewend, wat betekent dat deze in rechte vast staan. Voorts heeft eiser zijn gronden tegen de oplegging hiervan gekoppeld aan de afwijzing van zijn aanvraag als kennelijk ongegrond, wat verweerder zoals eerder overwogen heeft kunnen doen. Daarbij heeft eiser geen gronden gericht tegen de toevoeging van Tunesië als land van terugkeer.
8.1.
Voor wat betreft een toetsing of actualisering van het refoulementrisico in de zin van de arresten Ararat en Adrar, is van een situatie zoals in beide arresten genoemd in deze geen sprake. Bovendien ligt in de beoordeling van een asielaanvraag een toetsing aan het beginsel van non-refoulement reeds besloten. Eiser heeft evenmin zelf gewezen op concrete aanwijzingen van een eventuele schending hiervan bij terugkeer.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Het beroep is daarom ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.
9.1.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9.2.
Omdat de rechtbank artikel 6:22 van Pro de Awb heeft toegepast, betekent dat dat verweerder de proceskosten van eiser moet vergoeden. De rechtbank stelt deze kosten vast op een bedrag van € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1). [9]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.
2.Zie het rapport ‘Judicial analysis on evidence and credibility in the context of the Common European Asylum System’.
3.Zie de uitspraak van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136.
4.Verwezen wordt naar de arresten van het Hof in de zaak Ararat van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, en de zaak Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
6.Verslag nader gehoor, pag. 11.
7.Verslag nader gehoor, pag. 6 en 17.
8.Proces-verbaal van gehoor bij bewaring, terugkeerbesluit en of inreisverbod, pag. 2 en 3.
9.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.