ECLI:NL:RBDHA:2026:1574

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
NL25.48632
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van eiseres uit Iran, afwijzing door de minister van Asiel en Migratie, gegrondverklaring door de rechtbank

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres, een vrouw uit Iran, door de minister van Asiel en Migratie. Eiseres heeft op 28 januari 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag op 1 oktober 2025 afgewezen, met de stelling dat de aanvraag ongegrond was. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft de zaak op 23 januari 2026 behandeld. In haar uitspraak concludeert de rechtbank dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte geen geloofwaardigheidsbeoordeling heeft uitgevoerd met betrekking tot de gestelde afvalligheid van eiseres en dat de minister niet voldoende heeft onderbouwd waarom de verklaringen van eiseres over haar politieke overtuiging en de daaruit voortvloeiende problemen niet als samenhangend en aannemelijk kunnen worden beschouwd. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiseres een aantal relevante feiten heeft aangedragen die haar vrees voor vervolging bij terugkeer naar Iran onderbouwen, waaronder haar deelname aan protesten en de huiszoeking bij haar schoonouders. De rechtbank vernietigt het besluit van de minister en verklaart het beroep gegrond, wat betekent dat eiseres recht heeft op een nieuwe beoordeling van haar asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48632

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], V-nummer: [v-nummer], eiseres,

(gemachtigde: mr. J.M. Suurmeijer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. [1] Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 28 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 22 september 2025 heeft de minister een voornemen uitgebracht. Op 25 september 2025 heeft de minister dit voornemen aangevuld. De minister heeft met het besluit van 1 oktober 2025 de aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep, gezamenlijk met zaak NL25.48631, op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar echtgenoot, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij in haar jongere jaren al moeite had met de Islam. Op negenjarige leeftijd kwam er voor eiseres een keerpunt waarop zij besloot om zich van de Islam af te wenden. Eiseres was het niet eens met de verplichte Islamitische regels die onder het bewind van het Islamitische regime golden. Verder was eiseres in Iran ook tegen het regime. Eiseres nam deel aan verschillende protesten en uitte haar kritiek op het regime op verschillende manieren. Eiseres is herhaaldelijk opgepakt wegens het niet correct dragen van de hijab. Verder heeft er een incident in een taxi plaatsgevonden, waarbij eiseres door autoriteiten in burgerkleding is aangevallen en haar spullen, waaronder haar telefoon zijn afgepakt. Eiseres haar man nam deel aan een protest in 2022, waarbij hij zijn bankpas verloor. Eiseres is naar Nederland gekomen om haar schoonbroer te bezoeken. In Nederland hoorde eiseres dat er huiszoekingen hebben plaatsgevonden. Verder heeft eiseres een social media account, samen met haar man, waarop zij berichten heeft gepost die kritisch zijn over het Iraanse regime. Eiseres vreest bij terugkeer naar Iran op Teheran airport te worden opgepakt en de straf tot executie te riskeren.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Politieke overtuiging en de daaruit voortvloeiende problemen;
Seculier leven.
De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres zijn geloofwaardig. Dit geldt ook voor haar seculiere leven. De politieke overtuiging en daaruit voortvloeiende problemen zijn deels geloofwaardig.
Heeft de minister kunnen concluderen dat de verklaringen van eiseres ten aanzien van haar politieke overtuiging en daaruit voorvloeiende problemen, geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen?
Incident in de taxi
5. Volgens eiseres stelt de minister ten onrechte dat het geloofwaardig geachte incident in de taxi niet aan de autoriteiten te linken is. In dat verband wijst eiseres er op dat juist de in burgerkleding gehulde veiligheidsdiensten (de Lebas Shakhsi) niet aan hun kleding te herkennen zijn, maar wel aan het feit dat ze wapenstokken en walkietalkies droegen. De minister noemt dat deze uitrusting ook door niet-autoriteiten gedragen kan worden, maar verzuimt daarvan voorbeelden te noemen. Eiseres heeft het moeizame proces van het doen van aangifte uitgebreid omschreven. Het levert wel een uitermate sterk vermoeden op dat het niet de bedoeling van de autoriteiten was dat er geen (correcte) aangifte op papier zou komen.
5.1.
De minister stelt dat niet aannemelijk is dat de daders namens de autoriteiten handelden of dat dit incident verband hield met eiseres haar politieke overtuiging. Eiseres heeft verklaard dat het agenten in burger waren, omdat zij wapenstokken en walkie talkies bij zich hadden. [2] Deze aanwijzingen zijn onvoldoende om te concluderen dat het om overheidsfunctionarissen ging. Eiseres heeft geen objectief bewijs overgelegd dat deze mannen agenten waren. Immers kunnen personen die niet tot de autoriteiten behoren deze berusting ook dragen. Uit de door eiseres ingediende aangiftes blijkt ook niet dat de politie het incident als politiek feit heeft geregistreerd. Eiseres verklaarde juist dat de politie bepaalde details weigerde op te nemen. [3] Dat de politie eiseres niet wilde helpen, betekent niet dat de daders ook van de autoriteiten dan wel politie waren. Dit is louter een vermoeden en is verder niet onderbouwd. Daarmee blijft het bij een vermoeden van de kant van eiseres. Het incident kan daarom niet worden beschouwd als een uitvloeisel van eiseres haar politieke overtuiging of als aanwijzing dat eiseres om die reden door de autoriteiten werd vervolgd.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres over het incident in de taxi in het vrije relaas van het nader gehoor, [4] het volgende heeft verklaard:
‘(…)
De enige reden om mij zo aan te vallen was het niet dragen van mijn hoofddoek.’
Bij de nadere vraagstelling op dit onderwerp verklaart [5] eiseres vervolgens:
‘(…)
Omdat de mannen in de auto tegen mij zeiden dat ze mij kenden, dat ik vaker zonder hoofddoek liep.’
De rechtbank leidt hieruit af dat eiseres het incident in de taxi niet in verband brengt met haar politieke overtuiging, maar enkel met het feit dat zij geen hoofddoek droeg. Daarbij acht de rechtbank ook relevant dat eiseres bij de nadere vraagstelling [6] over haar politieke activiteiten, het incident in de taxi slechts eenmalig noemt. [7] Zij stelt daar dat de autoriteiten tijdens dat incident haar telefoon in handen hebben gekregen en zo inzicht hebben gekregen in haar inzet bij anti-regime protesten. Hoewel de problemen vanwege eiseres haar politieke overtuiging dus wellicht een voortvloeisel zijn van het incident in de taxi, heeft eiseres het incident zelf nooit in verband gebracht met haar politieke overtuiging en valt niet in te zien waarom de minister dit incident relevant heeft geacht bij de beoordeling van dit asielmotief. Wellicht had gemotiveerd kunnen worden dat niet aannemelijk is dat eiseres
als gevolg vanhet incident in de taxi in de negatieve belangstelling staat vanwege haar politieke overtuiging, maar dat is niet wat de minister heeft gedaan. De minister heeft gemotiveerd dat het incident niet kan worden beschouwd als een uitvloeisel van eiseres haar politieke overtuiging of als aanwijzing dat eiseres om die reden door de autoriteiten werd vervolgd, hetgeen op zich juist is, maar eiseres heeft dit ook nooit verklaard. De tegenwerping kan daarom geen stand houden.
Huisdoorzoeking bij schoonouders
6. Eiseres is van mening dat de minister ten onrechte overweegt dat eiseres haar stelling dat de agenten naar haar op zoek waren op vermoedens gebaseerd is. Eiseres heeft immers verklaard dat de agenten die de woning van haar schoonouders binnenvielen een kopie van de verloren bankpas van de echtgenoot van eiseres bij zich hadden en hebben gevraagd naar hen beiden. Dat zijn geen vermoedens; dat is gebaseerd op de informatie die eiseres kort na de inval van haar schoonouders heeft gekregen. Ook overweegt de minister ten onrechte dat niet aannemelijk is gemaakt dat de personen die de woning binnenvielen daadwerkelijk agenten waren. Eiseres heeft verklaard dat haar schoonvader de mannen herkende als mannen van de SEPA. Ook vinden de verklaringen van eiseres over de inval steun in het Ambtsbericht, pagina 41, waaruit volgt dat familieleden van politieke opposanten te maken krijgen met intimidatie tijdens huisbezoeken door medewerkers van de inlichtingen- of veiligheidsdiensten.
6.1.
De minister overweegt dat eiseres haar verklaringen uitsluitend zijn gebaseerd op wat zij van familieleden via videobellen heeft gehoord. Eiseres heeft hiervan geen bewijsstukken of objectieve documenten overgelegd. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat de personen die bij de inval aanwezig waren daadwerkelijk agenten waren. Het ontbreken van verificatie en objectieve onderbouwing maakt dat dit onderdeel van het relaas ongeloofwaardig wordt geacht. Dat de veiligheidsdiensten nooit bewijs leveren van dergelijke invallen, maakt nog niet dat het niet aan eiseres is om haar asielaanvraag te staven.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat, achtereenvolgens, de volgende vragen over de huisdoorzoeking bij de schoonouders zijn gesteld aan eiseres:
‘(…)
Waarop baseert u dat de mannen die uw schoonmoeder waren van de SEPA zijn?’
‘(…)
Wat droegen de mannen van de SEPA voor kleding?’
‘(…)
Wat was de directe aanleiding dat deze huisinval plaatsvond?’
‘(…)
Wat gebeurde er precies tijdens die huisinval bij uw schoonmoeder?’
Op de eerste drie vragen heeft eiseres een concreet antwoord gegeven. Hoewel van het antwoord op de vierde vraag gezegd kan worden dat dat summier en algemeen is, is eiseres hier niet mee geconfronteerd. Bezien in het licht dat eiseres al een en ander over het incident heeft verklaard in het vrije relaas en ook omdat de vraagstelling bij die vierde vraag van algemene aard is, had het in het kader van de actieve samenwerking [8] met de vreemdeling op de weg van de minister gelegen om eiseres hiermee te confronteren, mocht de minister een meer gedetailleerde verklaring wenselijk achten. Nu dit niet is gedaan, heeft de minister eiseres onder de huidige motivering niet kunnen tegenwerpen dat zij algemeen en summier heeft verklaard over de huiszoeking bij haar schoonouders.
Contact met activisten en journalisten
7. Eiseres stelt ook dat de minister ten onrechte overweegt dat niet is aangetoond door wie de filmpjes naar [naam 2] zijn gestuurd en dat deze niet zijn terug te vinden. Er zijn screenshots overgelegd waaruit blijkt dat deze filmpjes via Instagram en WhatsApp zijn gedeeld met [naam 2]. Het filmpje waarop eiseres te zien is terwijl ze in augustus 2022 zonder hoofddoek op straat loopt is te zien op een screenshot van de Instagrampagina van [naam 2], waar het 1,2 miljoen keer bekeken is. Het is dus reëel dat de autoriteiten van deze post op de hoogte zijn. De minister heeft niet kenbaar op deze passage van de zienswijze gereageerd.
7.1.
De minister overweegt dat eiseres heeft verklaard beeldmateriaal te hebben doorgestuurd naar de activiste [naam 2] en naar het mediakanaal Iran International. [9] Ook heeft eiseres gesteld dat [naam 2] berichten over haar online zou hebben geplaatst. Eiseres heeft echter geen bewijsstukken of schermafbeeldingen overgelegd waaruit blijkt dat dit daadwerkelijk is gebeurd. Tijdens het gehoor gaf eiseres bovendien aan dat zij mogelijk nog berichten heeft opgeslagen, [10] maar de door eiseres overgelegde berichten laten zien dat zij pas na haar asielaanvraag in Nederland [naam 2] heeft genoemd in een bericht en haar bovendien pas sinds oktober 2022 volgt, terwijl eiseres al veel langer actief is op sociale media. Bovendien is eiseres niet te vinden op de Instagrampagina van [naam 2]. Zonder objectieve stukken kan niet worden vastgesteld dat eiseres daadwerkelijk in contact stond met prominente oppositiefiguren.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen tegenwerpen dat eiseres haar contact met activisten en journalisten onvoldoende heeft onderbouwd. Van eiseres mag verwacht worden dat zij dit kan onderbouwen en de minister stelt terecht dat eiseres geen stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat [naam 2] berichten over eiseres online zou hebben geplaatst. De minister heeft daarbij ook kunnen betrekken dat de overgelegde berichten laten zien dat eiseres pas na haar asielaanvraag in Nederland [naam 2] heeft genoemd in een bericht en dat eiseres haar bovendien pas sinds oktober 2022 volgt. De minister concludeert niet ten onrechte dat niet kan worden vastgesteld dat eiseres in Iran daadwerkelijk in contact stond met prominente oppositiefiguren.
Verklaringen over wat eiseres bij terugkeer te vrezen heeft, activiteiten in Nederland te beperkt en niet onderscheidend
8. De rechtbank overweegt voorts dat eiseres in het kader van artikel 31, zesde lid, onder c, Vw wordt tegengeworpen dat zij haar verklaringen over wat zij te vrezen heeft bij terugkeer niet aannemelijk heeft gemaakt en dat haar activiteiten in Nederland te beperkt en niet onderscheidend zijn. Naar het oordeel van de rechtbank missen de door de minister gemaakte overwegingen op dit punt relevantie voor wat betreft de geloofwaardigheidstoets. Het vermoeden van eiseres dat zij bij terugkeer te vrezen heeft van de Iraanse autoriteiten maakt immers geen deel uit van de gebeurtenissen die volgens het asielrelaas hebben plaatsgevonden, maar betreft een aan die gebeurtenissen ontleend vermoeden over wat haar bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat. De minister is gehouden de plausibiliteit van dit vermoeden te beoordelen in het kader van de beantwoording van de vraag of de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden als rechtsgrond voor verlening van de verblijfsvergunning kwalificeren en kan zich niet op het standpunt stellen dat het vermoeden van eiseres voor wat haar bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, ongeloofwaardig is te achten. [11] Hetzelfde geldt voor in hoeverre eiseres zich met haar activiteiten in Nederland onderscheidt. Nu de deelname aan demonstraties niet ter discussie staat, is de vraag of haar activiteiten beperkt al dan niet weinig onderscheidend zijn pas relevant bij de beoordeling van het risico bij terugkeer. De rechtbank laat deze punten voor wat betreft de geloofwaardigheidsbeoordeling dan ook buiten beschouwing.
Conclusie ten aanzien van artikel 31, zesde lid, onder c, Vw
9. De rechtbank overweegt dat de minister aan eiseres heeft kunnen tegenwerpen dat eiseres haar verklaringen over het contact met activisten en journalisten onvoldoende zijn onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de verklaringen van eiseres ten aanzien van haar politieke overtuiging en daaruit voorvloeiende problemen, geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank acht daarbij met name van belang dat de tegenwerping die ziet op het incident dat de directe aanleiding was voor eiseres om asiel aan te vragen, de huisdoorzoeking bij haar schoonouders, is komen te vervallen. De tegenwerping die blijft staan omvat bovendien geen tegenstrijdigheden en ziet enkel op een gebrek aan onderbouwing. Hoewel deze het relaas van eiseres niet onderbouwt – en daarom als individuele tegenwerping kan dienen - doet ze ook niet af aan het relaas en is het naar het oordeel van de rechtbank goed denkbaar dat bij een integrale beoordeling van het asielrelaas, eiseres het voordeel van de twijfel wordt gegund op dit punt. De rechtbank concludeert daarom dat de minister eiseres met de huidige motivering niet heeft kunnen tegenwerpen dat haar verklaringen ten aanzien van haar politieke overtuiging en daaruit voorvloeiende problemen, geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Het beroep is gegrond.
Heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiseres haar aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend?
10. Eiseres stelt dat de minister op geen enkele manier ingaat op de verklaringen die eiseres in haar zienswijze heeft gegeven over het tijdsverloop tussen het moment waarop zij besefte niet naar Iran terug te kunnen keren en het moment van de asielaanvraag. De minister dient te onderbouwen waarom die uitleg van eiseres niet wordt gevolgd. Hier heeft eiseres op vrijdag 20 januari 2023 beseft dat zij niet kon terugkeren. Zij heeft zich de daarop volgende maandag meteen bij de minister gemeld voor asiel, waarbij in de tussenliggende periode de in de zienswijze genoemde handelingen zijn verricht. Dit tegenwerpen is een veel te zware sanctie gezien de bijzondere gebeurtenissen.
10.1.
De minister overweegt dat van iemand die werkelijk vreest voor vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM [12] mag worden verwacht dat hij of zij zich onmiddellijk of ten minste zo spoedig mogelijk tot de autoriteiten wendt. Eiseres verbleef op dat moment al in Nederland en had feitelijk en praktisch de mogelijkheid om dezelfde dag of uiterlijk de dag erna bescherming te vragen. Door zich pas drie dagen later te melden, strookt eiseres haar gedrag niet met de door haar gestelde dringende noodzaak.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres niet heeft kunnen tegenwerpen dat zij zich pas drie dagen na het gesprek met haar schoonouders heeft gemeld. Uit het gegeven dat eiseres zich op de derde dag nadat zij achter de noodzaak tot het aanvragen van asiel kwam heeft gemeld, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat dit afdoet aan de door eiseres gestelde noodzaak. Eiseres heeft hiervoor bovendien een verklaring gegeven en als de minister beaamt dat het op dag drie melden spreekt tot de noodzaak van de aanvraag, had hij moeten motiveren wat de relevantie van deze ene dag is voor de vraag of eiseres zich zo spoedig mogelijk heeft gemeld. Nu dit niet is gedaan, heeft de minister niet kunnen tegenwerpen dat eiseres niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder d, Vw. Ook hierom is het beroep gegrond.
Had de minister de gestelde afvalligheid van eiseres moeten beoordelen?
11. Eiseres stelt dat sprake is van afvalligheid. De minister kent daarbij belang toe aan het feit dat eiseres zelf verklaard heeft dat zij nooit moslim is geweest. Het is juist dat eiseres dat verklaard heeft, maar dit is te kort door de bocht. Volgens Werkinstructie 2022/3 betekent afvalligheid dat een vreemdeling zich heeft afgewend van het geloof waarmee hij is opgegroeid, dat hij eerder heeft aangehangen of waarbij hij in de ogen van zijn sociale omgeving of de overheid aangesloten behoort te zijn. Eiseres voldoet aan die definitie. Volgens de Afdeling kan afvalligheid worden beoordeeld aan de hand van de drie elementen die de minister ook gebruikt om de geloofwaardigheid van een bekering te kunnen toetsen. In het onderhavige geval komt de minister daar niet aan toe omdat hij volhoudt dat geen sprake is van afvalligheid, maar van seculier leven. Eiseres geeft zelf toe nog niet tot het Christendom bekeerd te zijn, maar is wel bezig zich te oriënteren en bezig dingen over het Christendom te leren. Wat eiseres in het verleden heeft gedaan en waar zij ook nu nog mee bezig is gaat echter verder dan enkel seculier leven.
11.1.
De minister overweegt dat eiseres heeft verklaard nooit moslim te zijn geweest en dat zij heeft aangegeven dat zij bij haar moeder woonde en dat zij ook niet praktiserend of moslim was. [13] Eiseres haar afwending van de islam is volledig gebaseerd op de achtergestelde positie van de vrouw [14] en daarom worden de problemen in verband met seculier leven beschouwd. Zoals vermeld blijkt namelijk uit eiseres haar verklaringen dat zij sinds haar jeugd al geen moslima was. Eiseres is weliswaar gedwongen geconfronteerd met de Islam op school, maar uit haar verklaring blijkt geenszins dat zij zelf religieus was.
11.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister zich in het aanvullend voornemen, zonder kenbare geloofwaardigheidstoets, op het standpunt stelt dat het seculiere leven van eiseres geloofwaardig is. Zoals de minister in dat voornemen vervolgens zelf uitlegt, is een seculier leven wezenlijk anders dan afvalligheid. Als de minister zich op het standpunt wil stellen dat hij eiseres niet volgt in haar standpunt dat zij afvallig is, had het op zijn weg gelegen om - net als bij elk ander asielmotief – in een geloofwaardigheidstoets en volgens zijn eigen Werkinstructie [15] uiteen te zetten waarom dit het geval is. De rechtbank stelt vast dat de minister dit niet heeft gedaan. Hoewel de minister in het aanvullend voornemen [16] één alinea heeft gewijd aan zijn keuze om eiseres aan te merken als seculier en niet afvallig, heeft hij daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen volstaan in zijn keuze hoe het asielmotief te definiëren.
11.3.
Daarbij overweegt de rechtbank dat de grens tussen handelingen vanuit een geloofsovertuiging of vanuit een seculiere opvatting altijd moeilijk te trekken is, maar dat dit zeker geldt in een samenleving zoals die in Iran bestaat, waar geloof en politiek zeer met elkaar verweven zijn. Juist omdat die scheidslijn zo moeilijk te trekken is, vergt dit bijzondere zorgvuldigheid van de kant van de minister en kan over de motivering van zijn uiteindelijke conclusie geen twijfel bestaan. In dat licht bezien heeft de minister niet kunnen volstaan met één alinea in het voornemen, een verwijzing [17] in het bestreden besluit naar diezelfde alinea en de overweging dat eiseres zich niet bekeerd heeft tot het Christendom.
11.4.
Daar komt ook bij dat de motivering die de minister wel heeft gegeven, niet sluitend is. De rechtbank overweegt daartoe ten eerste dat de minister in zowel het voornemen als in het besluit overweegt dat eiseres heeft verklaard nooit moslim te zijn geweest. In het voornemen wordt in dit kader ook genoemd dat eiseres haar afwending van de islam volledig is gebaseerd op de achtergestelde positie van de vrouw. Daargelaten dat deze verklaringen niet met elkaar verenigbaar zijn – nooit moslim zijn geweest is inherent tegenstrijdig met een afwending van de islam – kan de overweging dat eiseres haar afwending van de islam volledig is gebaseerd op de achtergestelde positie van de vrouw, het oordeel dat zij seculier leeft, niet dragen. Hieruit kan immers afgeleid worden dat eiseres eerst dichterbij de islam stond. De overwegingen van de minister kunnen gelet op de tegenstrijdigheid en het feit dat de motivering zichzelf dus tegenspreekt, niet worden aangemerkt als deugdelijke motivering.
11.5.
Bovendien gaat de minister er in de besluitvorming aan voorbij dat eiseres een veelvoud van verklaringen geeft waarin gelezen zou kunnen worden dat zij wel afvallige is. Dit kan alleen al afgeleid worden uit het eenduidige antwoord op de vraag of er een moment is geweest waarop eiseres afstand heeft genomen van de islam. Eiseres vertelt bovendien dat zij op dat moment negen jaar uit was, wat de reden was voor haar keuze om het geloof ‘de rug toe te keren’ en hoe het proces van afstand nemen voor haar is verlopen. Ook de hoormedewerker lijkt te erkennen dat eiseres eerder dichterbij de islam stond:
‘(…)
Hoe kijkt u nu, na uw afwending van het geloof, vandaag de dag tegen de Islam aan?’
Daar komt bij dat eiseres ook meerdere verklaringen heeft afgelegd, zowel in het nader gehoor, de zienswijze als in de gronden van beroep, ten aanzien van haar interesse in het Christendom en heeft zij ter zitting aangegeven inmiddels gedoopt te zijn. Het doopbewijs is in de aanvullende gronden overgelegd.
11.6.
In het licht van het bovenstaande en gezien het holistische karakter van de islam in Iran, valt moeilijk in te zien hoe eiseres niet aangemerkt kan worden als zijnde afvallig. Als de minister zich ondanks bovengenoemde zaken toch op dat standpunt wil stellen, dient hij zijn overwegingen zorgvuldig en duidelijk uiteen te zetten in een geloofwaardigheidstoets en te motiveren waarom bovenstaande punten niet in de weg staan aan die conclusie. De enkele verwijzing naar de verklaring van eiseres dat zij nooit moslim is geweest, is selectief en in de hierboven geschetste context onvoldoende. Dit betekent dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het asielmotief van eiseres ziet op seculier leven, niet afvalligheid. Ook hierom is het beroep gegrond.

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt.
13. Omdat het beroep gegrond is, behoeven de beroepsgronden voor het overige geen bespreking.
14. Eiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 1 oktober 2025;
- bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak, een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Nader gehoor, p. 18
3.Nader gehoor, p. 6–7, 19
4.Nader gehoor, p. 11.
5.Nader gehoor, p. 19.
6.Nader gehoor, p. 20-24.
7.Nader gehoor, p. 20.
8.De samenwerkingsverplichting is neergelegd in artikel 4, eerste lid Kri en artikel 31, tweede lid Vw.
9.(NG, p. 9–10, 22).
10.(NG, p. 22),
11.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 1 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1161, r.o. 2.1.3.
12.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
13.(NG, p. 29)
14.(NG, p. 29),
15.WI 2024/6
16.Pagina 2, bovenaan.
17.Beschikking asiel ongegrondverklaring, p.5.