Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15730

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL26.12976
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid militaire dienstplicht en discriminatierisico Armenië

Eiser, een Armeense Jezidi geboren in 2005, diende op 3 november 2025 een asielaanvraag in in Nederland. Hij vreesde terugkeer naar Armenië vanwege zijn etnische achtergrond, de militaire dienstplicht en bedreigingen door gewapende mannen. De minister wees de aanvraag op 4 maart 2026 af wegens onvoldoende aannemelijkheid van de gegronde vrees.

De rechtbank behandelde het beroep op 29 mei 2026 en oordeelde dat de minister terecht de asielaanvraag afzonderlijk beoordeelde, zonder samenhang met familieleden. De vrees voor militaire dienstplicht werd niet geloofwaardig geacht, mede omdat eiser een medische vrijstelling heeft tot oktober 2026 en onvoldoende onderbouwing gaf dat deze niet verlengd kan worden. Ook zijn gewetensbezwaren werden niet concreet gemaakt.

De rechtbank stelde dat de militaire dienstplicht in Armenië alternatieven kent, zoals vervangende dienstplicht, en dat bestraffing bij ontduiking niet automatisch een schending van artikel 3 EVRM Pro inhoudt. De vrees voor discriminatie en mishandeling werd niet aannemelijk geacht als een reëel risico op ernstige schade, mede omdat eiser zich kan wenden tot Armeense autoriteiten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor eiser Nederland moet verlaten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en eiser moet Nederland verlaten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12976

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.P. Duijn),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. B. Goossens).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Hij voert aan dat hij het onzorgvuldig vindt dat zijn asielaanvraag niet in samenhang met die van zijn familieleden is beoordeeld. Verder voert hij aan dat hij bij terugkeer naar Armenië verplicht in militaire dienst moet terwijl hij als Jezidi gewetensbezwaren heeft. Verder voert hij aan dat hij in Armenië vreest voor zijn leven en dat de autoriteiten hem niet kunnen en willen beschermen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in dit geding. Onder 3. staat een samenvatting van het asielrelaas van eiser en onder 4. wat de minister hiervan vindt. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de gronden zoals die hiervoor zijn vermeld. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 3 november 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 4 maart 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Avakyan als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard [eiser] te zijn, geboren op [geboortedatum] 2005. Hij heeft verklaard dat hij de Armeense nationaliteit heeft en tot de Jezidi bevolkingsgroep behoort. Eiser heeft sinds de lente van 2021 tot oktober 2025 in de bouw gewerkt voor het bedrijf [bedrijf] . Vanwege zijn Jezidi etniciteit is hij gediscrimineerd door [naam] , leidinggevende en eigenaar van [bedrijf] . De eigenaar van [bedrijf] stuurde gewapende en gemaskerde mannen af op eiser en zijn familie. Zij zijn toen mishandeld en bedreigd. Bij terugkeer naar Armenië vreest eiser door hen vermoord te worden. Daarnaast vreest hij ook de militaire dienstplicht te moeten vervullen. Eiser heeft vrijstelling op medische gronden, maar deze verloopt volgens eiser dit jaar.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
  • de identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • de vrees voor de militaire dienstplicht;
  • de problemen met de werkgever vanwege het behoren tot de Jezidi.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De vrees voor de militaire dienstplicht heeft de minister niet op geloofwaardigheid beoordeeld, omdat dit volgens de minister een toekomstige vrees is. Daarnaast levert de militaire dienstplicht geen gegronde vrees op voor vervolging. Eisers vrees om bij terugkeer door de gewapende en gemaskerde mannen te worden vermoord, heeft de minister op grond van IB 2022/102 alleen op zwaarwegenheid en niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Wel vindt de minister deze vrees aannemelijk en zwaarwegend. De minister vindt echter dat de Armeense autoriteiten eiser hiertegen kunnen beschermen. Volgens de minister loopt eiser bij terugkeer naar Armenië dan ook geen reëel risico op ernstige schade.
De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen.
Heeft de minister onzorgvuldig gehandeld door de asielaanvraag van eiser los van die van zijn familieleden te behandelen?
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet onzorgvuldig heeft gehandeld door afzonderlijk op de asielaanvraag van eiser te beslissen.
5.1.
Tijdens de zitting heeft eiser voor het eerst aangevoerd dat hij het onzorgvuldig vindt dat zijn asielaanvraag niet samen met die van zijn ouders en broer is behandeld. Volgens eiser vullen de verklaringen van de familieleden elkaar aan. Zo heeft eisers moeder -zonder dat eiser dit wist- in Armenië geprobeerd om aangifte te doen van mishandeling, ook namens eiser.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiser samen of in samenhang te beoordelen met die van zijn familieleden. Voorop staat dat elke asielaanvraag afzonderlijk en op basis van zijn eigen kenmerken wordt beoordeeld. In eisers geval is zijn asielaanvraag afgedaan op ‘zwaarwegendheid’. Bij toepassing van deze afdoeningswijze is het relaas van een vreemdeling altijd het uitgangspunt voor de beoordeling van de zwaarwegendheid. Bovendien gaat de rechtbank er bij deze afdoeningswijze vanuit dat de minister de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde feiten en omstandigheden heeft aangenomen. [1] Gelet hierop valt niet in te zien dat de minister een ander uitgangspunt zou hanteren -voor de beantwoording van de vraag of eisers asielrelaas voldoende zwaarwegend is om internationale bescherming te krijgen- als de asielaanvragen in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Eiser is door de handelswijze van de minister niet benadeeld. Op de stelling dat eisers moeder aangifte wilde doen van mishandeling maar dat dit niet is gelukt omdat zij is weggestuurd, gaat de rechtbank hieronder (onder 7.) in.
Heeft eiser zijn vrees voor de militaire dienstplicht aannemelijk gemaakt?
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser zijn vrees voor de militaire dienstplicht niet aannemelijk heeft gemaakt en dat de militaire dienstplicht geen gegronde vrees oplevert voor vervolging.
6.1.
Eiser heeft tot 1 oktober 2026 een vrijstelling voor de militaire dienstplicht vanwege medische redenen. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat op dit moment geen sprake is van dienstplichtontduiking vanwege die vrijstelling. Eiser stelt dat tegen hem is gezegd dat het een tijdelijke vrijstelling is en hij de volgende keer naar het leger zal moeten. Dit heeft hij gehoord van leeftijdsgenoten met dezelfde medische problemen (hoofdpijn, rugproblemen) en van mensen bij het militair commissariaat. De minister heeft dit onvoldoende mogen vinden voor de conclusie dat eiser bij terugkeer heeft te vrezen voor de militaire dienstplicht. Eiser heeft zijn stelling dat de vrijstelling niet kan worden verlengd niet nader onderbouwd. De mededelingen die aan eiser zouden zijn gedaan komen uit 2023. Niet duidelijk is of dit drie jaar later nog steeds zo is. Daarbij heeft de minister relevant mogen vinden dat in 2023 sprake was van een militaire escalatie in Armenië.
6.2.
Het betoog van eiser dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd naar zijn gewetensbezwaren die hij als Jezidi heeft, volgt de rechtbank niet. Tijdens het gehoor is eiser voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn bewaren tegen de dienstplicht te noemen. Hij heeft verklaard dat hij bezwaren heeft tegen het vasthouden en gebruiken van een wapen en dat hij geen mensen wil vermoorden. [2] Op de vraag of hij zou willen dienen als hij dit niet hoeft te doen, heeft eiser verklaard dat hij dit niet wil omdat iedereen die heeft gediend het afraadt en zegt dat het heel zwaar is. Desgevraagd heeft eiser ook verklaard dat hij niet als sportinstructeur zou willen werken tijdens de militaire dienst, omdat hij alleen van tennis houdt en zoiets er niet is bij de militaire dienst. Het had op de weg van eiser gelegen om te vermelden dat hij ook gewetensbezwaren heeft vanuit geloofs- of levensovertuiging. Dit heeft hij niet gedaan. Ook in de correcties en aanvullingen op zijn verklaringen heeft hij niet vermeld dat hij gewetensbezwaren heeft vanwege geloofs- of levensovertuiging. Verder heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat uit eisers verklaringen niet volgt dat hij onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft.
6.3.
Verder heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet nader heeft onderbouwd of geconcretiseerd dat hem bij terugkeer een onevenredig zware bestraffing te wachten staat. Uit de Armeense wetgeving volgt dat dienstplichtontduiking kan worden bestraft met een gevangenisstraf van enkele maanden of meerdere jaren, afhankelijk van de manier (en mate) waarop de dienstplicht feitelijk wordt ontdoken. Dat betekent niet vanzelfsprekend dat eiser een situatie te wachten staat die in strijd is met artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Uit het Thematisch Ambtsbericht inzake Armenië van januari 2023 volgt namelijk dat de Armeense autoriteiten niet overgaan tot strafrechtelijke vervolging als iemand zich bij terugkeer in Armenië vrijwillig meldt voor het vervullen van de dienstplicht of alternatieve dienstplicht. Iemand heeft dus de mogelijkheid om de dienstplicht te voldoen in de vorm van een alternatieve dienstplicht. Het eerste type betreft een vervangende dienstplicht, waarbij geen sprake is van het dragen, houden en gebruiken van wapens. Het tweede type betreft een maatschappelijke vervangende dienstplicht buiten de strijdkrachten om. Daarnaast behoort het afkopen van de dienstplicht ook tot de mogelijkheden. In het geval van gewetens- of religieuze bezwaren -zoals eiser stelt te hebben als Jezidi- bestaat dus een alternatieve dienstplicht.
6.4.
Tijdens de zitting heeft eiser een artikel van Facebook aangehaald over een Jezidi die slecht zou zijn behandeld tijdens de militaire dienstplicht. Onder verwijzing naar het Algemeen ambtsbericht Armenië uit 2016 heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken van structurele misstanden voor Jezidi die de militaire dienstplicht vervullen. Het artikel waarnaar eisers heeft verwezen, biedt geen aanleiding voor een andere conclusie. Dit ziet namelijk op een individueel geval.
Loopt eiser bij terugkeer naar Armenië een reëel risico op ernstige schade vanwege de door hem ondervonden discriminatie?
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Armenië een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege de door hem ondervonden discriminatie.
7.1.
De minister stelt terecht dat niet is gebleken dat de door eiser ondervonden discriminatie een dusdanige ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden heeft opgeleverd dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Daarvoor heeft de minister van belang mogen vinden dat eiser door de autoriteiten van zijn land in het bezit is gesteld van documenten en hij zich vrij kon bewegen. Hij had onderdak in Armenië, is naar school gegaan en heeft werk gehad. Niet is gebleken dat eiser zorg is geweigerd. De door eiser overgelegde foto’s maken het niet anders. De foto’s van familieleden met wonden, laten niet zien hoe die wonden zijn ontstaan. Verder laat de foto van zijn vader onvoldoende zien onder welke omstandigheden hij zijn werk moet verrichten.
7.2.
Ondank de problemen die eiser heeft ondervonden op zijn werk, is niet gebleken dat hij als gevolg daarvan dermate is beperkt in zijn mogelijkheden dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser zich kan wenden tot de Armeense autoriteiten als hij opnieuw slachtoffer wordt van mishandeling of bedreiging. Dat eisers moeder aangifte wilde doen maar vanwege haar etniciteit is weggestuurd, maakt niet aannemelijk dat de Armeense autoriteiten eiser niet kunnen of willen beschermen of het inroepen van bescherming bij voorbaat zinloos is. Als de overtreder de politie is, kan men zich over schending van de rechtsgang (procedure) namelijk wenden tot de hogere autoriteiten. Dat heeft de minister voldoende gemotiveerd in het besluit en het daarin ingelaste voornemen (zie pagina 6 van het voornemen).

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser Nederland moet verlaten. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 5 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2333).
2.Verslag nader gehoor, bladzijden 11, 13 en 15.