Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15723

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL26.13601
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid afgewezen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde afwezig waren. De minister bevestigde dat eiser sinds 31 december 2025 met onbekende bestemming is vertrokken, wat door een MOB-melding werd onderbouwd.

Volgens vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die zonder bericht vertrekt geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland, tenzij hij contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Gezien het ontbreken van contact en de vertrekmelding concludeert de rechtbank dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de beoordeling van het besluit.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13601

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Op 26 mei 2026 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank meegedeeld dat gemachtigde en eiser niet ter zitting zullen verschijnen aangezien eiser MOB is gemeld door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers en de IND en eiser geen contact meer heeft opgenomen met gemachtigde. Ter zitting heeft de minister desgevraagd bevestigd dat eiser per 31 december 2025 volgens meldingen van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers met onbekende bestemming is vertrokken. Per abuis is dit niet eerder aan de rechtbank kenbaar gemaakt. Een afschrift van de MOB melding is ter zitting ge-upload in het digitale dossier.
2.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. [1] Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit houdt in dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
2.2.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
3. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van
J.M. van der Stouwe, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.