Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15722

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL25.41504 en NL25.41513
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 28 VwArt. 31 lid 6 sub c Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvragen wegens onvoldoende motivering gegronde vrees vervolging politieke overtuiging

Eisers, Nigeriaanse staatsburgers van de Igbo stam, dienden in november 2021 asielaanvragen in die door de minister in augustus 2025 werden afgewezen met een terugkeerbesluit. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten binnen de IPOB.

De rechtbank beoordeelde diverse asielmotieven, waaronder problemen met de Igbo-gemeenschap, ontvoering door Fulani herders, mensenhandel in Libië en Italië, vrouwenbesnijdenis en politieke activiteiten. De minister achtte sommige motieven geloofwaardig maar onvoldoende zwaarwegend, en andere motieven niet geloofwaardig. De rechtbank bevestigt de ministerlijke beoordeling van ongeloofwaardigheid omtrent ontvoering en mensenhandel, en onvoldoende zwaarwegendheid van vrouwenbesnijdenisrisico.

Ten aanzien van de politieke overtuiging en activiteiten oordeelt de rechtbank dat de minister onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd of eiser bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie en landeninformatie waaruit blijkt dat leden en sympathisanten van IPOB risico lopen op vervolging. De beroepen worden gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en de minister opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvragen en beveelt een hernieuwde beoordeling vanwege onvoldoende motivering omtrent gegronde vrees voor vervolging wegens politieke overtuiging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.41504 (eiseres en de kinderen) en NL25.41513 (eiser)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam 1], eiseres,

geboren op [datum],
[naam 2], eiser,
geboren op [datum],
V-nummers: [nummer] en [nummer],
hierna tezamen: eisers
mede namens hun minderjarige kinderen:
[naam 3],
geboren op [datum],
[naam 4],
geboren op [datum],
[naam 5],
geboren op [datum],
[naam 6],
geboren op [datum],
V-nummers: [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer],
allen van Nigeriaanse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw. [1] Eisers zijn het hier niet mee eens en hebben daarom beroepen ingesteld. De rechtbank beoordeelt de beroepen.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de asielaanvragen geen stand kan houden. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn politieke overtuiging. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 17 november 2021 asielaanvragen ingediend. De minister heeft deze aanvragen in eerste instantie afgewezen bij besluiten van 14 maart 2024. Deze besluiten zijn vernietigd door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraken van 18 oktober 2024. [2]
2.1.
Bij besluiten van 4 augustus 2025 (de bestreden besluiten) heeft de minister de asielaanvragen opnieuw afgewezen. Daarbij is aan eisers een terugkeerbesluit opgelegd.
2.2.
Eisers hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Daarnaast heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. [3] Op dit verzoek volgt een afzonderlijke uitspraak.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 april 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, hun gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eisers hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij tot de Igbo stam behoren en in Nigeria te vrezen hebben vanwege verschillende problemen. Eisers hebben verklaard dat zij vanwege problemen met hun familie in 2013 eerst naar het noorden in Nigeria zijn gevlucht, maar daar door Fulani herders (een andere stam) zijn ontvoerd. Eisers zijn ontsnapt met behulp van een vrouw die tot de Hausa stam behoort. Verder heeft eiser verklaard dat hij betrokken is bij de Indigenous People of Biafra (IPOB) en in 2012 en 2015 heeft deelgenomen aan demonstraties. Volgens eiser kreeg hij bij de demonstratie in 2015 een handgemeen met een soldaat en wordt hij sindsdien gezocht door de autoriteiten. Ook hebben de autoriteiten vervolgens de broers en vader van eiser gedood. Daarnaast hebben eisers verklaard dat zij in Libië door een netwerk van mensenhandelaren zijn uitgebuit en nadien in mei 2017 naar Italië zijn gebracht. Eisers vrezen bij terugkeer naar Nigeria voor dit netwerk, voor de Nigeriaanse autoriteiten vanwege de politieke overtuiging en activiteiten van eiser en voor vrouwenbesnijdenis. Tot slot hebben eisers verklaard dat hun oudste zoon [naam 7], geboren op [datum], nog in Nigeria verblijft bij de zus van eiseres.
De besluitvorming
4. De minister heeft de volgende asielmotieven aangemerkt:
De identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers;
de problemen van eiseres met de Igbo gemeenschap, omdat zij als minderjarige zwanger was en niet besneden;
de ontvoering van eisers door Fulani herders;
de betrokkenheid van eiser bij IPOB en daaruit voortvloeiende problemen;
de problemen van eisers met betrekking tot mensenhandel;
de besnijdenis van de dochters van eisers.
De minister acht het eerste, tweede en zesde motief geloofwaardig, maar onvoldoende zwaarwegend. Dat betekent dat de minister de persoonsgegevens van eisers geloofwaardig acht, dat eiseres en haar dochters niet zijn besneden en dat eiseres daardoor in 2013 problemen had met de Igbo gemeenschap. Volgens de minister hebben zij daarom echter niet te vrezen bij terugkeer, onder meer omdat eiseres zich eerder in 2013 heeft kunnen onttrekken aan de problemen. Verder acht de minister het derde en vijfde motief niet geloofwaardig. Daartoe heeft de minister gesteld dat eisers over de ontvoering door Fulani in Nigeria en over mensenhandel in Libië en Italië niet samenhangend en aannemelijk hebben verklaard. [4] Volgens de minister zijn de verklaringen van eisers op dit punt wisselend en vaag. Tot slot acht de minister het vierde motief deels geloofwaardig. De minister acht geloofwaardig dat eiser lid is van de IPOB en dat hij een politieke overtuiging heeft. De minister acht niet geloofwaardig dat dit in het verleden in Nigeria tot problemen heeft geleid, dat eiser in 2015 heeft deelgenomen aan een demonstratie, of dat hij vanwege politieke activiteiten buiten Nigeria in de negatieve belangstelling is komen te staan van de Nigeriaanse autoriteiten. Volgens de minister heeft eiser bij terugkeer niet te vrezen vanwege zijn politieke overtuiging, omdat hij geringe activiteiten heeft ondernomen en geen hoog profiel heeft. Ook kunnen eisers zich onttrekken aan vrouwenbesnijdenis. De minister heeft daarom tot afwijzing van de asielaanvragen geconcludeerd.
Tweede en derde asielmotief: problemen met de Igbo en ontvoering door de Fulani
5. De rechtbank stelt vast dat eisers in beroep niet hebben betwist dat de geloofwaardig geachte problemen met de Igbo-gemeenschap, onvoldoende zwaarwegend zijn bevonden. Daartoe heeft de minister terecht gesteld dat eiseres zich eerder in 2013 heeft kunnen onttrekken aan deze problemen. Verder hebben eisers niet betwist dat de gestelde ontvoering door de Fulani ongeloofwaardig is bevonden. De minister heeft dit niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Daartoe heeft de minister terecht gesteld dat eisers wisselend hebben verklaard over de geboorte van hun oudste zoon [naam 7]. Zij hebben enerzijds verklaard dat zij na zijn geboorte naar het noorden zijn gevlucht en toen zijn ontvoerd en anderzijds dat hij een week na de ontvoering is geboren toen zij al gevangen zaten bij de Fulani. Ook heeft de minister de verklaringen over de vrijlating, dan wel ontsnapping met behulp van een Hausa vrouw en het aansluitende verblijf bij haar vaag mogen achten. Verder heeft de minister terecht tegengeworpen dat eiser in de gehoren en correcties en aanvullingen, maar ook dat eisers onderling wisselend hebben verklaard over tot wanneer zij gezamenlijk bij de Hausa vrouw hebben verbleven, dan wel wanneer eiser is teruggekeerd naar het zuiden van Nigeria: eind 2013 of eind 2015.
Vijfde asielmotief: mensenhandel
6. Eisers hebben in beroep de geloofwaardigheidsbeoordeling van de problemen met een netwerk van mensenhandelaren betwist. Volgens eisers komen hun verklaringen overeen en is er over mensenhandel niet veel doorgevraagd. Eisers konden zich in Italië aan de mensenhandelaren onttrekken omdat dit netwerk geen toegang had tot het opvangkamp waar eisers een lange tijd woonden.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de door eisers gestelde problemen met mensenhandelaren niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft aan eisers mogen tegenwerpen dat zij in eerste instantie afzonderlijk bij de AVIM hebben verklaard dat zij Nigeria in 2017 hebben verlaten en via Libië gelijk zijn doorgereisd naar Italië. Eisers hebben deze verklaringen in de afzonderlijke aanmeldgehoren Dublin herhaald [5] en de minister heeft deze verklaringen voorgehouden in het nader gehoor. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat deze eerdere verklaringen in sterke mate afbreuk doen aan de latere verklaringen van eisers vanaf het nader gehoor dat zij sinds 2015 in Libië verkeerden en daar slachtoffer zijn geworden van mensenhandelaren. De minister heeft verder de verklaring van eiser dat hij als slaaf werd gehouden, maar als bewaker werd ingezet, vaag kunnen achten. Ook heeft de minister wisselend kunnen achten dat eiseres een specifiek bedrag heeft genoemd dat zij zou moeten betalen aan de mensenhandelaar, terwijl eiser heeft verklaard dat zij zich moest prostitueren totdat zij er genoeg van had. Eisers hebben deze tegenwerpingen niet inhoudelijk betwist.
6.2.
Daarnaast heeft de minister de verklaringen van eisers, dat zij zich in Italië aan de mensenhandelaren hebben kunnen onttrekken vanwege verblijf in een opvangkamp en de zwangerschap van eiseres, ongerijmd kunnen achten. Daartoe heeft de minister terecht gesteld dat eisers hebben verklaard dat zij zich na aankomst in Italië in mei 2017 konden onttrekken aan de mensenhandelaren, terwijl eiseres op dat moment nog niet zwanger was. Ook heeft de minister ongerijmd kunnen achten dat eisers, ondanks de gestelde dreiging van de mensenhandelaren, in 2021 het opvangkamp hebben verlaten. Daartoe heeft de minister kunnen betrekken dat eiser in eerste instantie heeft verklaard dat zij het opvangkamp hebben verlaten en van februari tot november 2021 een huis hebben gehuurd voor meer privacy. [6] Tot slot heeft de minister aan eisers kunnen tegenwerpen dat zij niet hebben onderbouwd dat de zus van eiseres, dan wel hun zoon [naam 7], in Nigeria worden lastig gevallen door de mensenhandelaren. Dit terwijl eisers hebben verklaard dat zij contact onderhouden met hen. De beroepsgrond slaagt niet, gelet op het voorgaande.
Zesde asielmotief: vrouwenbesnijdenis
7. Eisers hebben verder betoogd dat hun dochters te vrezen hebben voor vrouwenbesnijdenis. Eisers stellen dat zij zich hieraan niet kunnen onttrekken, omdat zij geen beschermend (familie) netwerk hebben. Ook komt besnijdenis in heel Nigeria veel voor. Volgens algemene informatie is 22% van de Igbo vrouwen besneden. Eisers menen dat daarom sprake is van 22% kans dat de dochters besneden worden en dit vormt volgens hen een reële kans op ernstige schade. Dat de zus van eiseres zich aan besnijdenis heeft onttrokken door naar Lagos te vertrekken, betekent niet dat dit van eisers met minderjarige kinderen kan worden verwacht. De zus heeft zich in Lagos in erbarmelijke omstandigheden moeten begeven. Er zijn in Lagos geen voorzieningen voor terugkerende gezinnen, waardoor eisers bij terugkeer op straat komen te staan. Daartoe zijn de in Nederland geboren en getogen kinderen niet in staat. Het is ook niet in het belang van deze kinderen. De problemen van eiseres met de Igbo gemeenschap, omdat zij als minderjarige zwanger was en niet besneden wilde worden, zijn bovendien geloofwaardig geacht. Op dezelfde manier zullen haar dochters problemen krijgen in Nigeria. Eiseres is gevlucht om aan besnijdenis te ontkomen, maar dit was het begin van vernederende en mensonterende ervaringen, waardoor het te ver gaat om te stellen dat eiseres gelukt is om aan besnijdenis te ontkomen.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun dochters een reëel risico lopen te worden onderworpen aan vrouwenbesnijdenis. Daartoe heeft de minister terecht gesteld dat eisers hebben aangegeven tegen besnijdenis zijn. Daarom is het aannemelijk dat zij zich hiertegen kunnen uitspreken en dat eisers dochters, en ook eiseres, zich kunnen onttrekken aan besnijdenis. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat uit het ambtsbericht van 2023 volgt dat de vader de belangrijkste persoon is in de beslissing over besnijdenis. Ook blijkt uit dit ambtsbericht dat sprake is van een dalende trend in het aantal besnijdenissen. [7] Op zitting heeft de minister ter onderbouwing kunnen wijzen op een uitspraak van de zittingsplaats Zwolle, die door de Afdeling is bevestigd. [8] Het EUAA Country of Information rapport waar eisers op wijzen, vermeldt immers dat vrouwenbesnijdenis strafbaar is gesteld. [9] Voor zover deze informatie verder vermeldt dat weigering kan leiden tot sociale dwang of sociale isolatie, heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat niet aannemelijk is dat eisers van hun directe familie druk verwachten. Eisers hebben namelijk verklaard dat hun beider vaders zijn overleden en dat zij met hun moeders geen contact meer hebben. Dat geloofwaardig is geacht dat eiseres eerder in 2013 is gevlucht, omdat zij zwanger was en volgens haar familie en Igbo gemeenschap besneden moest worden, maakt niet dat nu bij terugkeer sprake is van een reëel risico op ernstige schade. Anders dan in 2013 is eiseres nu meerderjarig. Ook heeft eiser zeggenschap over hun minderjarige dochters. De minister heeft verder mogen betrekken dat eiseres zich eerder aan besnijdenis heeft onttrokken, door naar het noorden van Nigeria te vluchten. De hier gestelde mensonterende ervaringen zijn ongeloofwaardig geacht en eisers hebben dit in beroep niet betwist. De overige stellingen, waaronder dat 22% van de Igbo vrouwen besneden zijn en dat eisers geen beschermend netwerk hebben, laten het voorgaande onverlet. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Vierde asielmotief: politieke overtuiging en geloofwaardigheid van eerdere problemen
8. Eisers betwisten verder de geloofwaardigheidsbeoordeling van de politieke activiteiten van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen. Volgens eiser is zijn deelname aan de demonstratie op 3 december 2015 geloofwaardig, omdat hij een foto heeft overgelegd waarop hij staat afgebeeld op een herkenbare plek. Ook is er een krantenartikel waarin staat dat hij gezocht wordt. Dit is niet tegen betaling gepubliceerd. De minister heeft eisers aanvaring met de soldaat ten onrechte tegenstrijdig geacht. Dit ziet op een gebeurtenis van een zeer kort tijdsbestek waarin alles tegelijk gebeurt en eiser gewond is geraakt. Eiser betwist dat hij inconsistent heeft verklaard over de IPOB-coördinator, noch over dat zijn familieleden na de demonstratie door de autoriteiten zijn gedood. Eiser kan daarvan geen overlijdensakten overleggen, omdat hij op dat moment al op de vlucht was.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser in het verleden problemen heeft gehad vanwege zijn politieke activiteiten. In dit verband heeft de minister allereerst ongeloofwaardig mogen achten dat eiser op 2 en 3 december 2015 heeft deelgenomen aan een demonstatie. Daartoe heeft de minister eiser mogen tegenwerpen dat er een aanzienlijk verschil zit tussen zijn verklaring dat er meer dan 500 demonstranten aanwezig waren, en informatie uit openbare bronnen waaruit blijkt dat er 20.000 demonstranten aanwezig waren die alle commerciële activiteiten en het vervoer in Onitsha tot staan hebben gebracht. Eiser heeft niet gereageerd op deze tegenwerping.
8.2.
Ten aanzien van de door eiser overgelegde foto’s, de video en het krantenartikel heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat eiser heeft aangeven dat hij maar op één foto staat afgebeeld en dat onduidelijk is wanneer deze foto’s (en video) zijn genomen. Dat de foto volgens eiser om een herkenbare plek gaat, laat dit onverlet. Ook heeft de minister niet ten onrechte tegengeworpen dat de naam van de in het krantenartikel genoemde gezochte persoon, niet overeenkomt met de naam van eiser. Verder heeft de minister niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser meermaals tegenstrijdig heeft verklaard over een gestelde aanvaring met een soldaat bij deze demonstratie. Eiser heeft wisselend verklaard dat hij het wapen van deze soldaat wel of niet heeft afgepakt, dat hij de soldaat op zijn hand of been sloeg met een vlaggenstok, dan wel dat hij de soldaat in het been heeft geschoten. Geconfronteerd met deze wisselende verklaringen, heeft eiser aangegeven dat zijn eerdere verklaringen fout zijn weergeven of vertaald. De minister heeft dit onvoldoende mogen achten, nu een deel van de wisselende verklaringen voortkomen uit de door hem ingediende zienswijze van 2 februari 2024. Om dezelfde reden volgt de rechtbank eiser niet in de stelling dat het een gebeurtenis betreft van kort tijdsbestek, waarbij hij gewond is geraakt. Dit laat namelijk onverlet dat van eiser consistente verklaringen mogen worden verwacht.
8.3.
Verder heeft de minister mogen betrekken dat eiser heeft verklaard dat hij in 2018 in Italië bij de Nigeriaanse ambassade een paspoort heeft aangevraagd en heeft verkregen, wat ongerijmd is met de stelling dat hij (sinds een demonstratie in 2015) door de Nigeriaanse autoriteiten gezocht zou worden. Tegen deze achtergrond heeft de minister de verklaringen van eiser dat zijn broers en vader door het Nigeriaanse leger zijn gedood, drie weken na de demonstratie in 2015, ongeloofwaardig mogen achten. Daartoe heeft de minister verder mogen tegenwerpen dat eiser dit enkel via derden heeft vernomen en geen enkel (indicatief) bewijs heeft kunnen overleggen. De overige stellingen doen niet af aan het voorgaande. De minister heeft daarom niet aannemelijk mogen achten dat eiser in het verleden in de negatieve belangstelling is komen te staan van de Nigeriaanse autoriteiten vanwege zijn politieke activiteiten.
Vierde asielmotief: politieke overtuiging en aannemelijkheid van gegronde vrees
9. Eisers betwisten tot slot de beoordeling van de zwaarwegendheid van de politieke overtuiging van eiser. Eiser is al bijna zijn hele leven actief voor de IPOB en zal dat bij terugkeer blijven. Hij heeft deelgenomen aan demonstraties in Nigeria en Europa. Hij is lid en draagt dit uit door deelname aan vergaderingen en via sociale media. De Nigeriaanse autoriteiten zijn op de hoogte van zijn politieke activiteiten, of deze zullen in de toekomst negatieve belangstelling wekken. Ter onderbouwing wijzen eisers op JV 2024/133, het ambtsbericht uit 2021, en het rapport van UK Home Office Nigeria 2022. Bij aanvullende gronden is verder gewezen op VWN informatie van 12 februari 2026, de EUAA Country Guidance van maart 2026, [10] een uitspraak van de zittingsplaats Utrecht van 16 september 2025, [11] en het arrest S. en A. [12]
9.1.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank overweegt dat het beoordelingskader met betrekking tot een politieke overtuiging volgt uit het arrest S. en A. In dit arrest is geoordeeld dat de autoriteiten een grondig onderzoek moeten verrichten naar alle relevante omstandigheden met betrekking tot de specifieke persoonlijke situatie van de vreemdeling en van de meer algemene context van zijn land van herkomst, om vast te stellen of de vreemdeling een gegronde vrees heeft om persoonlijk te worden vervolgd wegens zijn politieke overtuiging. Uit de rechtspraak van de Afdeling en het informatiebericht van de minister naar aanleiding van dit arrest, volgt concreet dat hierbij betrokken moet worden welke activiteiten de vreemdeling bij terugkeer stelt te willen verrichten of hoe hij zijn opvatting, mening of gedachte zou willen uiten. [13] Volgens dit informatiebericht moet de vreemdeling hierover bevraagd worden.
9.2.
De rechtbank stelt verder vast dat de minister de politieke overtuiging van eiser geloofwaardig heeft geacht. Ook is geloofwaardig geacht dat eiser heeft deelgenomen aan activiteiten in Nigeria en daarbuiten, dat hij lid is van IPOB Nederland en dat hij contributie heeft betaald aan de IPOB. Eiser heeft in 2012 in Nigeria deelgenomen aan twee demonstraties en heeft in Europa deelgenomen aan vergaderingen en één demonstratie. Ook heeft eiser met screenshots van zijn Tiktok-pagina onderbouwd dat hij zich politiek uit op sociale media.
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister, gelet op het beoordelingskader, onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Daartoe acht de rechtbank onvoldoende dat eiser volgens de minister enkel geringe politieke activiteiten heeft verricht, dat hij een laag profiel heeft en dat zijn sociale media een beperkt bereik heeft. Uit de motivering blijkt de rechtbank niet dat de minister heeft betrokken welke activiteiten eiser bij terugkeer stelt te willen verrichten of hoe hij zijn opvatting, mening of gedachte zou uiten. Uit het aanvullend gehoor blijkt de rechtbank evenmin dat eiser hierover is bevraagd. Al om deze reden volgt de rechtbank de minister niet in de verwijzing naar een uitspraak van zittingsplaats Rotterdam van 17 oktober 2025. [14] Uit die uitspraak volgt namelijk dat de gestelde uiting bij terugkeer voldoende was betrokken.
9.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser terecht heeft gesteld dat hij bij het voortzetten van de geloofwaardig geachte politieke activiteiten in de negatieve belangstelling kan komen te staan van de Nigeriaanse autoriteiten. Daartoe heeft eiser gewezen op landeninformatie, waaruit onder meer blijkt dat de IPOB in Nigeria sinds 2017 verboden is. Ook is in de Country Guidance van de EUAA van oktober 2021 op pagina 65 vermeld:
“In 2020 and 2021, the Nigerian government has been deliberately targeting persons suspected to be IPOB members. (…) Supporting separatist movements, including by displaying Biafra symbols, such as flags and other insignia, could reportedly lead to arrest and ill-treatment.”
In de Country Guidance van de EUAA van maart 2026 is op pagina 29 verder vermeld:
“The individual assessment of whether there is a reasonable degree of likelihood for members and perceived supporters of separatist movements to face persecution should take into account risk-impacting circumstances, such as:
• Home area and ethnicity: Igbos living in the South-East states would have a higher risk of being perceived as supporters of separatist movements and therefore would have a higher risk of persecution. Igbo civilians have suffered from harassment and extortion by government security forces, especially during election periods.
• Visibility of activities: Most prominent individuals who are strongly supportive of the Biafra cause would have a higher risk of persecution as they are monitored very closely. For other persons supporting the cause, the state does not have the capacity to track them all; however, the authorities might become aware of their support through other means.
• Age: Young people are more frequently stopped by Nigerian security forces at the numerous checkpoints across the South-East, and if anything linked to Biafra is found, such as content on their phones, they are arrested, detained or otherwise extorted.”
9.5.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, in het licht van deze landeninformatie, de afkomst van eiser uit een zuidelijke staat in Nigeria en de overgelegde screenshots van informatie op zijn telefoon, onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen zijn gegrond. Eisers krijgen deels gelijk. De minister heeft de asielaanvragen ten onrechte afgewezen, gelet op wat is overwogen onder 9. tot en met 9.5. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege zijn politieke overtuiging. Dit vormt een motiveringsgebrek. Dat betekent dat de minister evenmin de asielaanvraag van eiseres en de kinderen heeft mogen afwijzen, omdat zij mogelijk aanspraak maken op een afgeleide vergunning. Daaruit volgt dat ook ten onrechte een terugkeerbesluit is opgelegd aan eisers. Wel heeft de minister de gestelde ontvoering door Fulani en problemen met mensenhandelaren ongeloofwaardig mogen achten. Ook heeft de minister de problemen met de Igbo-gemeenschap, en de gestelde vrees voor vrouwenbesnijdenis onvoldoende zwaarwegend mogen achten.
11. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten, vanwege strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb. [15] De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvragen te nemen, omdat de minister opnieuw dient te beoordelen of eiser vanwege zijn politieke overtuiging en diens activiteiten een gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het motiveringsgebrek gedurende deze beroepsprocedure te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus), omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen op de asielaanvragen van eisers en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
13. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in twee samenhangende zaken, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten van 4 augustus 2025;
  • draagt de minister op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvragen van eisers, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen 4 wekenna de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Zaaknummer NL25.41505.
4.Zie artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000.
5.Zie de aanmeldgehoren Dublin van 18 januari 2022, beide pagina 5.
6.Aanmeldgehoor Dublin met eiser, 18 januari 2022, pagina 6.
7.Zie het algemeen ambtsbericht inzake Nigeria van 2023, pagina 69 en 72.
8.Zie de uitspraak van 27 december 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:5325, overweging 17 en 18. Bevestigd door de Afdeling in haar uitspraak van 6 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4464.
9.EUAA Country of Information Report van juli 2024, pagina 61 en 62.
10.EUAA Country Guidance van maart 2026, p. 28 en 29.
12.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688.
13.Zie de uitspraak van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:63, overweging 11, tweede alinea en het IB 2024/10, p.2 en 3.
15.Algemene wet bestuursrecht.