Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15681

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL25.27856
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken gezinsleven tussen moeder en meerderjarig kind

Eiseres, een Turkse vrouw geboren in 1948, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland voor het verblijfsdoel 'familie en gezin' om bij haar meerderjarige dochter (referente) te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat geen sprake zou zijn van gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro, omdat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn die de normale emotionele band overstijgen.

Eiseres voerde aan dat er wel degelijk sprake is van gezinsleven, onder meer vanwege frequente bezoeken, feitelijke samenwoning, financiële en praktische hulp, en haar zwakke gezondheid. De rechtbank oordeelde echter dat de frequente bezoeken geen samenwoning vormen en dat de gestelde afhankelijkheid onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank volgde de minister in zijn standpunt dat het contact voortgezet kan worden zonder fysieke nabijheid.

Omdat geen gezinsleven werd vastgesteld, was een belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro niet vereist. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard omdat geen gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27856

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Kuster).

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen.
Bij besluit van 6 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 in Breda op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Eiseres en referente, [referente] , waren niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1948 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiseres is de moeder van referente. Referente heeft op 20 maart 2023 namens eiseres een aanvraag ingediend voor verlening van een mvv met als doel om in Nederland bij haar te verblijven.
2. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat tussen eiseres en referente geen sprake is van familie- of gezinsleven dat op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [1] moet worden beschermd.
3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder, onder verwijzing naar het primaire besluit, overwogen dat tussen eiseres en referente geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM omdat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele band tussen een ouder en een meerderjarig kind overstijgen.
4. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat, anders dan verweerder stelt, er tussen eiseres en referente wel degelijk sprake is van gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Hierbij wijst zij op de frequente bezoeken van eiseres aan referente in Nederland, waarbij eiseres steeds voor een periode van 90 dagen in Nederland verblijft, waarna ze weer even terugkeert naar Turkije om daarna opnieuw voor 90 dagen naar Nederland te komen. Bovendien verblijft referente gedurende haar vakanties bij haar moeder in Turkije zodat eiseres en referente per saldo meer dan de helft van het jaar samen zijn (in Nederland of in Turkije). Eiseres stelt dat er daarom feitelijk sprake is van samenwoning tussen eiseres en referente. In elk geval blijkt hieruit dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Dit blijkt volgens eiseres bovendien uit de kosten voor reizen, boodschappen en medische behandelingen die referente voor haar moeder vergoedt, het frequente telefonische contact en de medische afspraken die referente voor haar moeder regelt en waar zij haar bij begeleidt. Daarbij komt dat de moeder een zwakke gezondheid heeft, slechthorend is waardoor de communicatie moeizaam verloopt, dat eiseres er in Turkije feitelijk alleen voor staat omdat er geen familie is om haar te helpen, en dat zij daarom feitelijk verstoken is van hulp. Met Nederland heeft eiseres sterke banden. Zij heeft jarenlang in Nederland gewoond, al haar kinderen en kleinkinderen wonen er. Op basis van al deze elementen, in samenhang bezien, had verweerder het bestaan van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM aan moeten nemen. Hij had vervolgens een belangenafweging moeten maken. Nu daar ten onrechte niet aan is getoetst kan het bestreden besluit niet in stand blijven.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In het geval van een ouder en een meerderjarig kind is sprake van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM als tussen hen een emotionele band bestaat met bijkomende elementen van afhankelijkheid (
additional elements of dependancy involving more than the normal emotional ties). Of een dergelijke band aanwezig is, moet van geval tot geval worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feitelijke omstandigheden. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid tussen betrokkenen, de gezondheid van betrokkenen, de banden met het land van herkomst, de mate van emotionele afhankelijkheid en het antwoord op de vraag of betrokkenen hebben samengewoond, kunnen bijvoorbeeld een rol spelen. [2]
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft overwogen dat tussen eiseres en referente geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hoewel de frequente bezoeken van eiseres aan referente door verweerder niet betwist worden, vormen deze bezoeken nog geen samenwoning. Eiseres heeft Nederland in 2008 uit eigen beweging verlaten om met haar echtgenoot in Turkije te gaan wonen. Eiseres woonde op dat moment al lang niet meer met haar moeder samen en heeft ook daarna haar leven met haar gezin in Nederland voortgezet. Wederzijdse bezoeken, ook frequent, leiden dan nog niet tot de conclusie dat er sprake is van samenwonen. Ook indien de frequente bezoeken moeten worden beoordeeld in het kader van de bijkomende elementen van afhankelijkheid oordeelt de rechtbank dat verweerder voldoende heeft onderbouwd dat uit het complex van feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, niet is gebleken dat eiseres zonder de fysieke nabijheid van referente niet kan functioneren. Dit geldt ook voor de door eiseres gestelde, maar niet met stukken onderbouwde, financiële en praktische hulp bij doktersbezoeken, boodschappen, en frequent telefonisch contact. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet aannemelijk is geworden dat het contact dat tussen eiseres en referente zoals dat nu bestaat niet zou kunnen worden voortgezet.
7. Nu verweerder niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven was verweerder niet gehouden een belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM te maken.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 9 juni 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Dit volgt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275.