Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15596

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL24.48958 en NL23.34562
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit minister over verblijf bij meerderjarige kinderen wegens onvoldoende integrale belangenafweging

Eisers, van Indiase nationaliteit, dienden aanvragen in voor verblijf bij hun meerderjarige kinderen in Nederland. De minister wees deze af wegens het ontbreken van een geldige mvv en het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid die familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro zouden rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende een integrale belangenafweging heeft gemaakt waarbij alle relevante elementen zoals samenwoning, financiële, emotionele en medische afhankelijkheid en banden met India in onderlinge samenhang zijn bezien. De minister beoordeelde deze elementen los van elkaar en hield onvoldoende rekening met de feitelijke samenwoning in India en tijdelijke samenwoning na aankomst in Nederland.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende integrale beoordeling van familieleven volgens artikel 8 EVRM.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.48958 (beroep)
NL23.34562 (voorlopige voorziening)
V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres,

geboren op [geboortedag 1] 1974, van Indiase nationaliteit,

[eiser] , eiser/verzoeker, hierna te noemen eiser,

geboren op [geboortedag 2] 1970, van Indiase nationaliteit,
gezamenlijk te noemen eisers,
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna te noemen: de minister,

(gemachtigde: mr. S. Imami).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna te noemen: de rechtbank) het beroep van eisers tegen de ongegrond verklaring van hun bezwaar waarin de minister bij de afwijzing van hun aanvragen voor een mvv [1] is gebleven en eisers verzoek voor het treffen van een voorlopige voorziening.
1.1.
Eisers hebben op 31 mei 2023 twee aanvragen ingediend voor verblijf bij hun meerderjarige kinderen [naam 1] en [naam 2] . De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 6 oktober 2023 afgewezen, omdat zij niet in het bezit zijn van een mvv. Met de beslissing op bezwaar van 8 november 2024 (het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
1.2.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingediend en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek van eisers op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en mevrouw Z.K. Botani als tolk in de Engelse taal. Ook de gemachtigde van de minister is op de zitting verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eisers aan de hand van de beroepsgronden die zij hebben aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en wijst het verzoek voor het treffen van een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Besluitvorming
4. Bij besluit van 6 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvragen van eisers afgewezen, omdat zij niet in het bezit zijn van een geldige mvv en niet in aanmerking komen voor een vrijstelling daarvan op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [2] . Volgens de minister is geen sprake van familie- en gezinsleven tussen eisers en hun meerderjarige kinderen zoals bedoeld in dat artikel, omdat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Volgens de minister is er wel sprake van privéleven, maar valt de belangenafweging in het nadeel van eisers uit. Daarom stelt de minister zich op het standpunt dat de uitzetting van eisers niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM.
4.1.
In het bestreden besluit van 8 november 2024 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag van eisers gebleven. De minister legt hieraan ten grondslag dat eisers sinds het vertrek van hun kinderen in 2022 naar Nederland niet meer met hen samenwonen. Eisers wonen sinds 18 maart 2023 in Nederland, maar het feit dat de kinderen langere tijd op zichzelf hebben gewoond weegt de minister in het nadeel mee voor wat betreft de bijzondere elementen van afhankelijkheid. Ook stelt de minister zich op het standpunt dat de financiële afhankelijkheid van eisers ten opzichte van hun kinderen door henzelf is ontstaan, doordat zij hun bezittingen in India al hadden verkocht zonder dat zij elders in het bezit waren gesteld van een verblijfsvergunning. Deze financiële afhankelijkheid kan ook op afstand worden gecontinueerd en het is niet onmogelijk voor eisers om in India een nieuwe baan te vinden. Verder weegt het feit dat eisers niet hulpbehoevend zijn en hun kinderen ook niet van hen afhankelijk zijn op medisch gebied in hun nadeel mee voor wat betreft de bijzondere elementen van afhankelijkheid. Eiser ervaart weliswaar psychische problemen, maar door zijn psycholoog is niet geconcludeerd dat eisers band met zijn kinderen de gebruikelijke emotionele afhankelijkheid overstijgt. Het contact tussen eisers en de kinderen kan ook op afstand worden vormgegeven. Daarnaast is er geen sprake van een objectieve belemmering en hebben eisers sterke banden met India. De minister komt daarom tot de conclusie dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen eisers en hun kinderen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Wél is volgens de minister sprake van privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, maar valt de belangenafweging in het nadeel van eisers uit.
Standpunten van partijen.
5. Eisers stellen zich in beroep op het standpunt dat de minister ten onrechte geen familie- en gezinsleven heeft vastgesteld in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Bij de beoordeling of sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van dat artikel, heeft de minister ten onrechte niet alle elementen in onderlinge samenhang bezien. Ten aanzien van de samenwoning, heeft de minister zich bij de beoordeling enkel beperkt tot de periode van het samenwonen van eisers met hun kinderen in Nederland en ten onrechte niet naar de periode in India gekeken. Daaruit volgt volgens eisers dat zij nooit zonder hun kinderen hebben gewoond en daarmee is de belangenafweging ook niet op de juiste wijze gemaakt. Daarnaast stellen eisers zich ten aanzien van de emotionele afhankelijkheid op het standpunt dat het op afstand onderhouden van contact met moderne communicatiemiddelen al is geprobeerd, maar onvoldoende is gebleken. Eisers verwijzen daarvoor naar de uitspraak van het EHRM [3] Udeh tegen Zwitserland van 16 april 2013 [4] en de uitspraak van de Afdeling [5] van 23 december 2013. [6] Verder stellen eisers zich op het standpunt dat de financiële afhankelijkheid twee richtingen op ging. De kinderen waren financieel afhankelijk van hun ouders toen eisers nog in India woonden en eisers nu van hun kinderen sinds hun vertrek uit India. Ten aanzien van de banden met India, stellen eisers zich op het standpunt dat zij geen binding meer met India hebben. Eisers voelen zich volledig sociaal vervreemd van de Indiase samenleving sinds hun vertrek en de banden waren nooit sterk doordat zij nooit een onderdeel van de Indiase samenleving hebben uitgemaakt. Eisers stellen zich verder op het standpunt dat de minister bij de beoordeling van de medische omstandigheden de lat te hoog legt door bewijs te vragen in het kader van een medische aanvraag. De minister beperkt zich dan ook ten onrechte tot de vaststelling dat de psycholoog van eiser niet heeft opgeschreven dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke emotionele afhankelijkheid van eiser ten opzichte van zijn kinderen. Volgens eisers had de minister door alle elementen in onderlinge samenhang te beoordelen tot de conclusie moeten komen dat er sprake is van familie- en gezinsleven.
6. De minister stelt zich – kort gezegd – in het verweerschrift op het standpunt dat het bestreden besluit rechtens juist is en verwijst daarvoor naar hetgeen is overwogen in het bestreden besluit. In aanvulling op het bestreden besluit, stelt de minister zich op het standpunt dat eisers nog altijd niet hebben aangetoond dat de periode van zelfstandig wonen van de kinderen tot problemen heeft geleid en weegt dat in het nadeel mee voor wat betreft de bijkomende elementen van afhankelijkheid. Ten aanzien van de emotionele afhankelijkheid, stelt de minister zich aanvullend op het standpunt dat het op de weg van eisers ligt om aannemelijk te maken dat er een verband is tussen de psychische klachten van eiser en de (emotionele) afhankelijkheid van zijn kinderen. De minister kan zich niet vinden in hetgeen eisers naar voren brengen ten aanzien van het onderhouden van contact op afstand met moderne communicatiemiddelen. In de zaak Udeh tegen Zwitserland gaat het om contact tussen ouders en hun minderjarige kinderen en daar is in het geval van eisers geen sprake van. Ook betwist de minister dat uit het arrest zou volgen dat een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM er altijd toe zou moeten leiden dat eisers worden toegelaten structureel in elkaars fysieke nabijheid te zijn. In aanvulling op de medische afhankelijkheid stelt de minister zich op het standpunt dat de medische klachten van de dochter van eisers niet zijn onderbouwd en daarom ook niet dat zij afhankelijk is van eisers.
Het oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank vat de beroepsgronden zo op, dat de kern van het geschil primair gaat om de vraag of de minister tot de conclusie heeft mogen komen dat geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen eisers en hun kinderen. De rechtbank beperkt zich in beroep dan ook tot het beantwoorden van die vraag. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de minister, nu hij geen familie- en gezinsleven heeft aangenomen, niet tot een belangenafweging in het kader daarvan is gekomen.
8. De rechtbank stelt vast dat de minister de elementen samenwoning, financiële afhankelijkheid, medische afhankelijkheid, emotionele afhankelijkheid en de banden van eisers met India heeft betrokken bij de beoordeling of er sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eisers en hun kinderen.
De minister moest vervolgens deugdelijk motiveren waarom het geheel van de feiten en omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, niet leidt tot de conclusie dat tussen eisers en hun kinderen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. [7] Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deze integrale beoordeling niet kenbaar verricht, maar heeft hij de genoemde elementen in het bestreden besluit uitsluitend los van elkaar beoordeeld. De rechtbank licht dit als volgt toe.
8.1.
De rechtbank verwijst naar hetgeen de minister heeft overwogen ten aanzien van de emotionele en medische afhankelijkheid. Ten aanzien van de medische afhankelijkheid neemt de minister aan dat eisers gezondheidsproblemen hebben. Eisers zijn volgens de minister niet gebonden aan Nederland voor een behandeling, nu deze problemen vóór de komst van eisers ook al speelden. Ook wordt aangenomen dat de dochter van eiseres kampt met oogproblemen en een burn-out. Het is volgens de minister begrijpelijk dat eisers emotionele steun verlenen aan hun dochter nu zij een moeilijke periode doormaakt, maar niet is gebleken dat er sprake is van medische afhankelijkheid. Los daarvan beoordeelt de minister in het bestreden besluit onder de emotionele afhankelijkheid dat eiser vanwege zijn mentale problemen niet op een bijzondere manier afhankelijk is van zijn kinderen in Nederland nu dat niet blijkt uit de verklaring van zijn psycholoog. De minister heeft telkens naar aanleiding van iedere aangevoerde omstandigheid apart beoordeeld of die leidt tot de conclusie dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarmee heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom alle relevante omstandigheden tezamen in onderlinge samenhang niet kunnen leiden tot de conclusie dat er sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De minister heeft dit gebrek ook niet in het verweerschrift gerepareerd. Daarmee is volgens de rechtbank sprake van een gebrek in de besluitvorming.
8.2.
Ook wat betreft de beoordeling van de samenwoning van eisers is de rechtbank van oordeel dat in het bestreden besluit sprake is van een gebrek. De minister heeft enkel vastgesteld dat eisers op het moment van het bestreden besluit samenwoonden en dat de samenwoning is verbroken op het moment dat de kinderen in januari 2022 naar Nederland zijn vetrokken. De minister heeft daarbij ten onrechte niet betrokken dat de dochter van eisers na haar aankomst in Nederland voor vijf weken is teruggekeerd naar haar ouders in India, dat eisers tijdelijk hebben samengewoond tijdens hun bezoek op een toeristenvisum in Roemenië en dat eisers en de kinderen gedurende hun hele leven in India, ook toen zij al volwassen waren, tot het vertrek van de kinderen hebben samengewoond.
8.3.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat een beroep van eisers op de uitspraak Udeh tegen Zwitserland en de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2013 niet slaagt. De rechtbank overweegt daartoe dat het in beide uitspraken gaat om de vraag of contact op afstand kon worden onderhouden tussen een minderjarig kind en een ouder uit een derde land. Deze situatie wijkt om die reden af van de situatie van eisers en hun kinderen nu zij allen meerderjarig zijn.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen onder 8-8.2. is het beroep gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien, omdat de minister opnieuw, met inachtneming van deze uitspraak, zal moeten beoordelen of sprake is van familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM en indien dat het geval is, in het kader van dat familie- en gezinsleven alsnog een belangenafweging zal moeten maken. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het oordeel van de rechtbank geen doelmatige afdoening van het geding is. Dat betekent dat de rechtbank de minister zal opdragen om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
10. Nu het beroep gegrond is, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
11. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten aan eisers vergoeden en bestaat er aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de minister daarom in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het dienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, ten aanzien van de zaak geregistreerd onder NL24.48958:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, ten aanzien van de zaak geregistreerd onder NL23.34562:
- wijst het verzoek voor het treffen van een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter in alle zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eisers;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 374,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
4.nr. 12020/09.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3483, overweging 6.