Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummers: [nummer] en [nummer],
Rechtbank Den Haag
Eiseres, een Turkse nationaliteit houdende vrouw, diende op 4 december 2024 een asielaanvraag in Nederland in. De minister verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiseres internationale bescherming geniet in Frankrijk. Eiseres betwistte dit en voerde aan dat haar Franse asielstatus mogelijk was ingetrokken, onderbouwd met een brief van Franse autoriteiten waarin een voornemen tot intrekking werd vermeld.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht mocht uitgaan van de geldigheid van de Franse asielstatus, mede op basis van het Eurodac-resultaat en correspondentie met Franse autoriteiten die bevestigde dat de terugname van eiseres was geaccepteerd. Eiseres slaagde er niet in aannemelijk te maken dat haar bescherming was beëindigd.
Daarnaast stelde eiseres dat terugkeer naar Frankrijk een risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren vanwege de medische situatie van haar minderjarige dochter en bedreigingen binnen haar familie. De rechtbank vond dit niet aannemelijk en benadrukte het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat lidstaten hun verdragsverplichtingen naleven.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het bevel aan eiseres om zich onmiddellijk naar Frankrijk te begeven. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag wegens geldige internationale bescherming in Frankrijk.