ECLI:NL:RBDHA:2026:15490
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van een maatregel van bewaring die op 3 februari 2026 is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank overwoog dat het beroep ontvankelijk is en dat verweerder tijdig de rechtbank heeft geïnformeerd over het voortduren van de maatregel.
Eiser stelde dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, met name door het late opstarten van een onderzoek naar een SIS-signalering. De rechtbank verwierp deze stellingen en benadrukte dat eiser een vertrekplicht heeft en dat verweerder meerdere pogingen heeft gedaan om de benodigde documenten te verkrijgen, waaronder lopende aanvragen bij verschillende landen en een PRUM-onderzoek.
Daarnaast voerde eiser aan dat periodes van bewaring in Oostenrijk en Duitsland meegeteld moeten worden bij de beoordeling van de totale duur van de bewaring. De rechtbank oordeelde dat deze periodes niet relevant zijn omdat zij niet zijn gebaseerd op hetzelfde terugkeerbesluit als de huidige maatregel.
De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig is en dat er geen grond is voor schadevergoeding of proceskostenveroordeling. Het beroep werd ongegrond verklaard en er is geen rechtsmiddel tegen deze uitspraak mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.