ECLI:NL:RBDHA:2026:15471
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid en redelijkheid verdeelbesluit opvangplaatsen asielzoekers in Zuid-Holland
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft beroep ingesteld tegen het Verdeelbesluit Zuid-Holland van de minister van Asiel en Migratie, waarin het aantal opvangplaatsen voor asielzoekers per gemeente is vastgesteld. Het college betwistte de bevoegdheid van de minister om het besluit te nemen en stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met specifieke omstandigheden in Den Haag, met name de extra lasten van opvangplaatsen voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv-ers).
De rechtbank oordeelt dat het verdeelbesluit en de beslissing op bezwaar bevoegd zijn genomen door de minister, ook in de demissionaire periode. De minister heeft een ruime beoordelingsvrijheid bij het vaststellen van de verdeling, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de sociaaleconomische status van gemeenten, eerdere opvangbijdragen en bijzondere opvangmodaliteiten.
De rechtbank vindt het niet onredelijk dat het beleid geen ruimte laat voor het meewegen van alle specifieke gemeentelijke omstandigheden vooraf, omdat dit onwerkbaar zou zijn. Specifieke problemen kunnen worden meegenomen bij het interbestuurlijk toezicht. Het college heeft onvoldoende bijzondere omstandigheden aangetoond die afwijking van het beleid rechtvaardigen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het aantal opvangplaatsen voor Den Haag blijft zoals vastgesteld: 2.260 plaatsen, waarvan 1.940 reguliere en 320 amv-plaatsen. Het griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep van het college van B&W Den Haag tegen het verdeelbesluit asielopvangplaatsen wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.