Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15470

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/2785
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17, tweede lid, ParticipatiewetArt. 54, eerste lid, ParticipatiewetArt. 54, tweede lid, ParticipatiewetArt. 54, derde lid, ParticipatiewetArt. 54, vierde lid, Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens niet-verstrekken gevraagde informatie

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiderdorp om haar bijstandsuitkering op te schorten en vervolgens in te trekken vanwege het niet verstrekken van gevraagde informatie over haar vermogen in het buitenland.

Het college ontving anonieme meldingen over een erfenis en onroerend goed in het buitenland, waarna zij verzoekster verzocht documenten te overleggen, waaronder een verklaring van het consulaat over het bezit van een CIN-nummer en bewijsstukken over een begrafenispolis. Verzoekster verscheen niet op de geplande gesprekken en leverde de gevraagde stukken niet aan.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het college terecht heeft geoordeeld dat sprake is van verwijtbaar verzuim en dat de intrekking van de bijstand op grond van artikel 54 van Pro de Participatiewet gerechtvaardigd is. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar naar verwachting geen kans van slagen heeft.

De uitspraak heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2785

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiderdorp, het college
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de beëindiging en intrekking van de bijstandsuitkering van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 13 maart 2026 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster per 11 februari 2026, de datum waarop de bijstand is opgeschort, beëindigd op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet (Pw) en ingetrokken vanaf 18 januari 2024 op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het spoedeisend belang bij het verzoek om voorlopige voorziening. Het verzoek heeft betrekking op beëindiging van de algemene bijstand, een vangnetvoorziening. Een dergelijk verzoek is naar zijn aard spoedeisend, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Daarvan is niet gebleken. Voor zover de voorlopige voorziening ook is gericht tegen de intrekking van de bijstand per 18 januari 2024, is geen sprake van een spoedeisend belang nu dat ziet op een periode in het verleden. Niet valt in te zien dat verzoekster de beslissing met betrekking tot de intrekking in de bezwaarprocedure niet kan afwachten. De voorzieningenrechter zal daarom alleen de beëindiging van verzoeksters bijstandsuitkering per 11 februari 2026 op grond van artikel 54, vierde lid, van de Pw beoordelen.
4. Verzoekster ontving bijstand naar de norm van een alleenstaande. Op 17 september 2024 is er een anonieme melding bij het college binnengekomen dat verzoekster haar erfdeel heeft ontvangen uit de erfenis van haar ouders nadat haar moeder in januari 2024 in [land] is overleden. In december 2024 heeft verzoekster aan het college verklaard dat er sprake is van een conflict met haar broers en zussen, dat de villa niet is verkocht en dat de nalatenschap niet is verdeeld. Op 9 januari 2025 heeft het college nogmaals een melding ontvangen van een anonieme melder. Er is onder andere gemeld dat de woning is verkocht in [land], dat verzoekster een [land] bankrekening heeft en dat zij tevens eigenaar is van een appartement in [plaats].
4.1.
Het college heeft onderzoek gedaan naar het recht op bijstand van verzoekster en in dat kader dossieronderzoek gedaan. Aan verzoekster is gevraagd een aantal stukken te overleggen en deze mee te nemen naar het gesprek op 14 januari 2026. Tijdens het gesprek, waar de schoonzoon van verzoekster bij aanwezig was, is aan verzoekster uitgelegd dat er twijfel is over de vraag of zij vermogen heeft in [land]. Om onderzoek te kunnen doen naar het vermogen van verzoekster heeft het college een [land] paspoort en/of [land] identiteitskaart en een CIN-nummer nodig. Nu verzoekster aangeeft dit niet te hebben dient zij een verklaring over te leggen van het [land] consulaat waaruit blijkt dat zij hier niet over beschikt. Als zij wel over deze stukken beschikt zal het college het IBF [1] inschakelen om verder te onderzoeken wat er met de villa in [land] en de erfenis is gebeurd. Verder is aangegeven dat verzoekster informatie dient te overleggen met betrekking tot de [land] begrafenispolis welke zij tijdens het gesprek heeft genoemd.
4.2.
Bij brief van 14 januari 2026 heeft het college verzoekster opgeroepen voor een gesprek op 11 februari 2026 en de in de brief gevraagde stukken, onder andere bewijs met betrekking tot het wel of niet hebben van een CIN-nummer, mee te nemen. De adressen van het [land] consulaat in Den Haag en Rotterdam zijn tevens vermeld in de brief.
4.3.
Op 11 februari 2026 heeft verzoekster zich telefonisch afgemeld voor het gesprek vanwege ziekte. Naar aanleiding daarvan is verzoekster gebeld. In het telefonisch gespreksverslag staat dat verzoekster onder andere heeft verklaard dat zij niet naar het consulaat is gegaan voor een verklaring omdat zij daar geen tijd voor had vanwege allerlei medische afspraken en dat zij haar kinderen daar niet mee wil belasten.
Vervolgens is bij besluit van 11 februari 2026 de bijstandsuitkering opgeschort per 11 februari 2026. Verzoekster is verzocht om op gesprek te verschijnen op 3 maart 2026 en de eerder gevraagde stukken mee te nemen naar het gesprek. Zij is er tevens op gewezen dat haar bijstandsuitkering mogelijk stopt indien zij niet verschijnt op het gesprek. Tegen de opschorting heeft verzoekster geen bezwaar gemaakt. Verzoekster is zonder kennisgeving niet verschenen op het gesprek op 3 maart 2026. Het college heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.
Toetsingskader
5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Pw is de betrokkene verplicht gevolg te geven aan een verzoek tot medewerking aan het bestuursorgaan, tenzij deze medewerking redelijkerwijs niet nodig is voor de vaststelling van het recht op bijstand of redelijkerwijs niet van de betrokkene gevergd kan worden.
Op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt, dan wel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend en hem dit te verwijten valt, het recht op bijstand opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft.
Op grond van artikel 54, tweede lid, van de Pw doet het college mededeling van de opschorting aan belanghebbende en nodigt hem uit binnen de door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.
Artikel 54, vierde lid, van de Pw bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
6.1.
Vaststaat dat verzoekster op 11 februari 2026 de gevraagde stukken, met betrekking tot het wel of niet beschikken over een CIN-nummer, het [land] rekeningnummer dat is verbonden aan de [land] begrafenispols en het betaalbewijs met daarop het [land] rekeningnummer waarop de premie van de begrafenispolis voor het jaar 2026 is betaald, niet heeft overgelegd. Zij is ook niet verschenen op het gesprek van 3 maart 2026 en evenmin heeft ze voor 3 maart 2026 alsnog de stukken overgelegd.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de gevraagde stukken van belang voor de beoordeling van de bijstandsverlening. Die gegevens kunnen immers meer duidelijkheid geven bij het onderzoek naar de mogelijke aanspraak op de erfenis van haar ouders en dus het vermogen van verzoekster. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat sprake is van een verwijtbaar verzuim en dat verzoekster haar inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden door niet te verschijnen en de gevraagde gegevens niet te verstrekken.
6.2
Ter zitting heeft verzoekster gesteld dat sprake is van beperkte zelfredzaamheid en daarbij verwezen naar een rapportage medisch advies Participatiewet van Salude van 16 november 2025. Voor zover verzoekster daarmee wil betogen dat geen sprake is van een verwijtbaar verzuim, slaagt dit niet. Niet valt in te zien waarom verzoekster zich niet heeft kunnen afmelden voor het gesprek. Ook is niet gebleken waarom niet van haar gevraagd mag worden om, eventueel met behulp van derden, te voldoen aan haar inlichtingen- en medewerkingsplicht.
Dit betekent dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Pw. Het college was daarom bevoegd de bijstand met ingang van 11 februari 2026 in te trekken.
6.2.
Uit het voorgaande volgt dat, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, het bestreden besluit naar verwachting in stand zal blijven na heroverweging in bezwaar, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening in deze procedure.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat zij geen voorlopige voorziening zal treffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
- de griffier is verhinder
om te tekenen -
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.IBF = Internationaal Bureau Fraude-Informatie