Uitspraak
Gezag, verdeling van zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en alimentatie
Beschikking op het op 16 juli 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
[de vader] ,
Procedure
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Feiten
Verzoek en verweer
- dat de moeder het eenhoofdig gezag over de kinderen toekomt;
- dat de vader met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2024/1 maart 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de moeder een bedrag van € 700,- per maand dient te voldoen, dan wel een zodanig bedrag door de rechtbank in goede justitie vast te stellen.
- dat er een bijdrage wordt vastgesteld op basis van de inkomensgegevens van de vader en de moeder en met ingang van de datum beschikking, althans met ingang van de datum indiening verzoekschrift;
- dat er tussen de vader en de kinderen sprake zal zijn van een regeling waarbij de kinderen ieder weekend bij de vader verblijven van vrijdag uit school tot maandag naar school, alsmede de helft van de feestdagen en de helft van de schoolvakanties.
Beoordeling
€ 700,- aan kinderalimentatie aan haar zou betalen, maar heeft de vader dit slechts één keer, in april 2024, betaald. De moeder stelt dat de vader deze afspraak daarna niet meer is nagekomen.
€ 25.000,- per jaar.
(NBI vrouw) +€ 1.997,- (
NBI man)). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 192,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.304,- per maand voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gezamenlijk, dat wil zeggen € 652,- per maand per kind.
- de gemiddelde pensioenpremie van € 535,-;
- de gemiddelde premie WW Loyalis van € 5,-, en;
- de gemiddelde premie WGA Hiaat van € 15,-.
0,3 x NBI), zal de rechter (ambtshalve) moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, moet de rechter ofwel deze hogere bijdrage opleggen, ofwel motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.
€ 789,- per maand aan huur aan de wooncorporatie betaalt. Dit bedrag overstijgt het woonbudget van € 599,- (30% van € 1.997,-
(NBI vader)). Als de rechtbank de draagkracht van de vader zou berekenen met inachtneming van de huurprijs die de vader betaalt, zou dit tot gevolg hebben dat zijn draagkracht lager wordt en dus dat er een lager bedrag beschikbaar is voor de kinderen. Dit acht de rechtbank niet wenselijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder onvoldoende onderbouwd dat de vader zijn woning deelt met anderen die ook een deel van de huurprijs voldoen en dat zijn werkelijke woonlasten daarom duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget.
behoeftebedrag)). Omdat sprake is van een tekort van € 29,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de vader. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van afgerond € 312,- per maand.
€ 214,- niet zelf voorzien in de zorgkosten die hij maakt als de kinderen bij hem verblijven.
BeslissingDe rechtbank:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te Leiden, en;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te Leiden;
- om de week van vrijdagmiddag tot zondagavond;
- gedurende de helft van de schoolvakanties, waarbij de ouders de vakanties in onderling overleg verdelen;
mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 mei 2026.