ECLI:NL:RBDHA:2026:1514

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
AWB 25/23538
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2e, eerste lid, onder b, Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrechtArt. 1.13 Voorschrift Vreemdelingen 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening erkenning als referent au pair

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend tot erkenning als referent voor het verblijfsdoel uitwisseling/au pair, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen op grond van onvoldoende continuïteit en solvabiliteit. Verzoekster stelde dat zij een spoedeisend belang had en dat haar bezwaar een redelijke kans van slagen bood.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster geen spoedeisend belang had, omdat zij ook zonder erkenning voorbereidende werkzaamheden kon verrichten en het bezwaar nog in behandeling was. Financiële schade werd niet als acuut beoordeeld en het culturele belang werd niet als spoedeisend erkend.

Daarnaast werd geoordeeld dat het besluit niet evident onrechtmatig was, aangezien de minister het juiste toetsingskader had gehanteerd en de afwijzing op een gemotiveerd advies van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland was gebaseerd.

Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, met als gevolg dat verzoekster geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en omdat het besluit niet evident onrechtmatig is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/23538

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , KvK-nummer: [KvK-nummer] , verzoekster

(gemachtigde: mr. T. de Wert),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend tot erkenning als referent. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 15 oktober 2025 afgewezen.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster (vertegenwoordigd door [naam] ) en de gemachtigde van verzoekster. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster heeft op 4 december 2024 een aanvraag ingediend tot erkenning als referent voor het verblijfsdoel uitwisseling/au pair. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. Na negatief advies van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de continuïteit en solvabiliteit van verzoekster onvoldoende is gewaarborgd, waarna hij op grond van artikel 2e, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de aanvraag heeft afgewezen. Gelet daarop heeft verweerder het uitwisselingsprogramma inhoudelijk niet beoordeeld.
Wat vindt verzoekster in de voorlopige voorziening?
3. Verzoekster is het niet eens met het bestreden besluit en verzoekt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Kort gezegd vindt zij het volgende. Verzoekster stelt allereerst dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. Het enkele feit dat het bezwaar nog in behandeling is, neemt het spoedeisend belang niet weg, nu de schade volgens haar nu al optreedt en niet kan worden afgewacht. Verder stelt verzoekster – kort samengevat – dat haar bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

4. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de voorzieningenrechter tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de voorzieningenrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Als er sprake is van een spoedeisend belang, toetst de voorzieningenrechter of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, waarbij ook een belangenafweging kan plaatvinden. De uitkomst daarvan kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
5. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de voorzieningenrechter in een (eventueel) bodemgeding niet.
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat uit.
Geen spoedeisend belang
7. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. Verzoekster stelt dat dat zij hangende haar aanvraag om als referent erkend te worden verschillende voorbereidende werkzaamheden kon verrichten die gebruikelijk zijn onder aspirant-referenten, zonder het risico op overtreding van regelgeving. De voorzieningenrechter volgt dit niet. Er is geen regelgeving waarin staat dat verzoekster in afwachting van een beslissing op haar aanvraag geen voorbereidende werkzaamheden mag verrichten. Dat geldt ook in de situatie dat haar aanvraag is geweigerd, want ook dan heeft zij (nog) niet de status van erkend referent. Van een onomkeerbare of onherstelbare situatie kan dus geen sprake zijn. Ook is van belang dat de behandeling van het bezwaarschrift nog loopt, waarmee de weigering van de verlening van de status van erkend referent nog niet definitief is. Voor zover verzoekster stelt dat zij met het besluit reputatie- en financiële schade oploopt overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Bij een financieel geschil is volgens vaste jurisprudentie niet snel sprake van een spoedeisend belang. Dat is anders als er acute financiële nood dreigt. [1] Daarvan is in dit geval geen sprake. Dat verzoekster haar huidige en toekomstige omzet uitsluitend genereert uit activiteiten met betrekking tot au pairs, die door het bestreden besluit stil komen te liggen, dat verzoekster inkomsten misloopt en dit voor de bedrijfsvoering op korte termijn financieel onhoudbaar wordt, volgt de voorzieningenrechter niet. Ter zitting heeft verzoekster aangegeven dat zij momenteel niet in een acute financiële noodsituatie verkeert. In de gronden van bezwaar stelt verzoekster verder dat zij in de afgelopen jaren een stabiele en duurzame bedrijfsvoering heeft opgebouwd en zij haar omzet hoofdzakelijk genereert uit dienstverlening aan internationale studenten, gastgezinnen en samenwerkingspartners binnen de sector huisvesting. Ook noemt verzoekster daarbij dat zij beschikt over voldoende liquiditeitsreserves en een gezonde verhouding tussen vaste en variabele lasten. Voor zover verzoekster stelt dat met het bestreden besluit een cultureel belang wordt geschaad, nu culturele uitwisseling beperkt wordt, en dat zij wellicht klanten misloopt omdat er na het intrekken van de vergunning van au-pairbureau Nina Care veel ouders op zoek zijn naar een nieuw au-pairbureau, overweegt de voorzieningenrechter dat zij daarin geen spoedeisend belang voor verzoekster ziet.
Besluit niet evident onrechtmatig
8. Bij het ontbreken van spoedeisend belang kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig getwijfeld moet worden of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven. De voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit niet evident onrechtmatig is. Uit het bestreden besluit volgt expliciet dat verweerder zich in beginsel heeft gebaseerd op artikel 1.13 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV). Daarmee heeft verweerder geen verkeerd toetsingskader gebruikt. Alhoewel uit de stukken blijkt dat verweerder om een ondernemingsplan heeft gevraagd, terwijl dit volgens artikel 1.13, vierde lid, aanhef en onder c, van de VV niet vereist is, blijkt uit het advies dat inhoudelijk is gekeken naar de financiële stukken die verzoekster heeft overgelegd en is op basis daarvan gemotiveerd dat verzoekster de continuïteit en solvabiliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Daar komt bij dat uit het advies van het RVO blijkt dat het ondernemingsplan als zodanig niet getoetst is. De voorzieningenrechter ziet in het enkele opvragen van het ondernemingsplan dan ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij haar verzoek en dat het besluit niet evident onrechtmatig is, waardoor het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verzoekster krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2024 (voorlopige voorziening), ECLI:NL:RBAMS:2024:1619.