ECLI:NL:RBDHA:2026:15115

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL25.47054
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T.J. Thurlings - Rassa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArtikel 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 29 lid 1 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onvoldoende onderzoek naar risico op onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Kosovo

Eiser, van Kosovaarse nationaliteit, diende een asielaanvraag in nadat hij vanwege bedreigingen en problemen in Kosovo en Nederland naar Nederland was teruggekeerd. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, stellende dat Kosovo een veilig land van herkomst is en dat eiser geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer heeft aangetoond.

De rechtbank oordeelt dat Kosovo niet langer als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, waardoor de afwijzing als kennelijk ongegrond onterecht was. Hoewel het vermoeden van eiser dat de bedreigingen in Nederland verband houden met zijn situatie in Kosovo niet concreet is onderbouwd, acht de rechtbank het onvoldoende dat de minister niet heeft onderzocht of eiser bij terugkeer opnieuw gevangenisstraf moet uitzitten en of die detentieomstandigheden strijdig zijn met artikel 3 EVRM Pro.

De rechtbank wijst erop dat eiser tijdens detentie in een kleine cel met een agressieve celgenoot zat, wat mogelijk strijdig is met artikel 3 EVRM Pro. De minister moet dit risico nader onderzoeken en beoordelen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt de minister een nieuw besluit te nemen, waarbij ook de proceskosten van eiser worden vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege onvoldoende onderzoek naar risico op strijdige behandeling bij terugkeer naar Kosovo.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47054

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp en mr. M.E. Buijsse),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Yousef).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden, en hetgeen de rechtbank ambtshalve in het verloop van de procedure ter kennis is gekomen, [2] beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgewezen en omdat het bestreden besluit verder in strijd is met artikel 3:2 en Pro artikel 3:46 Awb Pro [3] . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Kosovaarse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op
[geboortedatum] 1990. De minister heeft met het bestreden besluit van 25 september 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [4] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M.E. Buijsse als waarnemer van de gemachtigde van eiser, V. Bolt als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat aan de asielaanvraag voorafging
3. Eiser heeft van 1 september 2023 tot 1 maart 2024 in Nederland gewoond. Hij studeerde aan de [universiteit] in [plaats] en had een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘studie’. Deze verblijfsvergunning is bij besluit van 9 april 2026 ingetrokken per 1 mei 2024.
3.1.
Eiser is eind juli 2025 weer naar Nederland gekomen en heeft op 7 augustus 2025 de asielaanvraag ingediend waar deze uitspraak over gaat.
Het asielrelaas
4. Eiser heeft verklaard dat zijn problemen zijn gestart in 2014. Hij keerde op dat moment terug naar Kosovo, nadat hij in Praag een studie had gevolgd. Eiser had daar afscheid genomen van de Islam en was sympathisant geworden van de partij Vetevendosja. Vanaf dat moment voelde hij druk vanuit zijn familie, vrienden en op zijn werk. Vanwege deze druk heeft eiser het land verlaten en is hij per 1 september 2023 begonnen aan een studie in Nederland. Op 19 september 2023 is eiser in Nederland bedreigd door een huisgenoot waarbij deze persoon eiser bij de keel heeft gegrepen. Eiser moest nog wel met hem samenwonen en kreeg geen hulp van de universiteit, de politie, de huisvesting of zijn andere huisgenoten. Eiser heeft daarom uiteindelijk besloten te stoppen met zijn studie en is in maart 2024 teruggekeerd naar Kosovo. Terug in Kosovo heeft eiser problemen gekregen met zijn ouders. Ze hebben op een gegeven moment besloten om hem niet meer financieel te ondersteunen en eiser heeft toen gedreigd om hun huis te slopen. Eiser is vervolgens op
9 oktober 2024 opgepakt. Hij heeft eerst een periode in de gevangenis gezeten waarbij hij ook voor een onderzoek is opgenomen in een forensisch instituut. Eiser stelt dat hij hier medicatie heeft moeten innemen zonder dat hier een goede reden voor was. Nadat eiser is vrijgelaten moest hij nog een jaar doorgaan met de psychische behandeling. Eiser heeft geprobeerd te klagen bij instanties over wat hem is overkomen, maar heeft nergens steun gevonden. Hij is daarom eind juli 2025 opnieuw naar Nederland vertrokken, nog voordat de verplichte behandeling van een jaar was afgerond. Eiser vreest in Kosovo voor vervolging en slechte behandeling.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- de veroordeling vanwege de bedreiging naar zijn ouders en in het bezit hebben van marihuana;
- dat hij zich slecht behandeld voelde in de gevangenis in Kosovo;
- zijn vermoeden dat de gebeurtenis in Nederland verband houdt met de problemen in Kosovo; en
- zijn problemen met zijn ouders en familie.
De minister acht eisers vermoeden dat de gebeurtenis in Nederland verband houdt met de problemen in Kosovo niet geloofwaardig. Eisers verklaringen vormen volgens de minister namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel, omdat ze ongerijmd zijn en enkel gebaseerd op een vermoeden. Ook heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft hij daarvoor volgens de minister geen goede verklaring gegeven.
De overige relevante elementen acht de minister wel geloofwaardig, maar dit maakt volgens de minister niet dat eiser kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. [5] Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Kosovo. [6] Kosovo is namelijk een veilig land van herkomst en uit eisers verklaringen blijkt volgens de minister niet dat Kosovo voor hem persoonlijk niet veilig is. Er is namelijk niet gebleken dat eiser onevenredig zwaar is bestraft. Ook kon eiser in hoger beroep gaan tegen de opgelegde straf, maar niet is gebleken dat hij daar gebruik van heeft gemaakt. Eiser kan in Kosovo bescherming vragen bij hogere autoriteiten of een klacht indienen bij de Ombudsman.
5.1.
De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een onmiddellijke vertrekplicht en een inreisverbod van twee jaar.
Waarom is eiser het hier niet mee eens?
6. Eiser betwist dat hij niet consistent heeft verklaard. Hij is namelijk van meet af aan duidelijk geweest en heeft aangegeven dat er een verband is tussen de bedreiging in Nederland en de gebeurtenissen in Kosovo.
6.1.
Verder werpt de minister eiser ten onrechte tegen dat eiser zijn verklaringen baseert op vermoedens en dat hij niet kan concretiseren dat de gebeurtenis in Nederland te maken heeft met de problemen in Kosovo. De minister verlangt iets van eiser wat hij niet kán bewijzen en hij legt ook niet uit hoe eiser dit zou moeten doen. Eiser heeft zijn vermoedens wel toegelicht.
6.2.
Daarnaast vindt eiser dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk na aankomst in Nederland heeft ingediend. Het gaat namelijk maar om een overschrijding van enkele dagen, welke eiser heeft gebruikt om uit te zoeken hoe hij een asielaanvraag kon indienen. Eiser was in de veronderstelling dat hij bij het indienen van een asielaanvraag op Schiphol direct in detentie zou worden gezet en wilde daarom eerst verder onderzoek doen.
6.3.
Eiser onderkent dat hij tijdens het gehoor niet heeft aangegeven dat er moeilijkheden waren met betrekking tot de tolk. Dit maakt echter niet dat dus kan worden geconcludeerd dat het rapport een betrouwbare weergave van het gehoor is. Fouten in vertalingen of verkeerde weergaven van (bijvoorbeeld) nuances of interpretaties van verklaringen waren tijdens het gehoor nog niet duidelijk. Eiser heeft in beroep alsnog correcties en aanvullingen op het rapport gemaakt.
6.4.
Verder stelt eiser dat de minister zich niet zonder meer op het standpunt mocht stellen dat Kosovo in het algemeen als een veilig land van herkomst wordt gezien. De minister moet zelf een beoordeling uitvoeren en die beoordeling moet recent zijn. Er is geen lijst met veilige landen van herkomst meer.
6.5.
Ook vindt eiser dat de door hem in de zienswijze aangehaalde individuele omstandigheden, die in zijn optiek maken dat zijn persoonlijke risico verhoogd is, door de minister in het bestreden besluit niet afdoende gemotiveerd van de hand worden gewezen. De minister gaat in het bestreden besluit enkel in op de gestelde bedreigingen, niet op eisers politieke profiel.
6.6.
Tot slot voert eiser aan dat hij tijdens het gehoor heeft verklaard waarom hij in Kosovo geen mogelijkheden heeft om te klagen of bescherming te vragen.
Het oordeel van de rechtbank
7. Tussen partijen is niet in geschil dat Kosovo momenteel niet meer als veilig land van herkomst wordt aangemerkt. Dat betekent dat de aanvraag niet als kennelijk ongegrond kon worden afgewezen. Reeds om die reden zal het beroep gegrond moeten worden verklaard en zal het bestreden besluit moeten worden vernietigd. In het navolgende zal de rechtbank beoordelen of de asielaanvraag voor het overige terecht is afgewezen en dus, zoals ook door de minister ter zitting is verzocht, alsnog als ongegrond kan worden afgewezen.
7.1
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht overwogen dat het vermoeden van eiser dat de gebeurtenissen in Nederland verband houden met de problemen in Kosovo ongeloofwaardig is. Eiser heeft in het asielrelaas enkel zijn vermoeden geuit dat de gebeurtenissen in Nederland verband houden met de problemen in Kosovo, maar heeft niet geconcretiseerd waar dit volgens hem uit blijkt. Hoewel de minister hier in het gehoor ook niet op heeft doorgevraagd, heeft de rechtbank dit ter zitting wel gedaan. Eiser blijft ook in die verklaringen op zitting vaag en kan niet concretiseren waar dit vermoeden op is gebaseerd, anders dan dat het volgens hem een logisch patroon is, waarbij personen hem steeds afschilderen als mentaal ziek. Evenwel blijkt uit de verklaringen van eiser niet dat degene die hem heeft bedreigd en mishandeld in Nederland, geconcretiseerd heeft waarom hij dreigde en mishandelde. Ook heeft eiser niets verklaard over de omstandigheden die tot de bedreiging en mishandeling hebben geleid. Voor zover eiser meent dat de bedreigingen en mishandelingen met zijn politieke en religieuze overtuigingen verband houden, is het op zijn minst genoemd onlogisch dat dit nooit concreet tegen hem is geuit, noch in Nederland, noch in Kosovo. De rechtbank overweegt tot slot dat het vermoeden van eiser ook haaks staat op beschikbare landeninformatie, waaruit juist naar voren komt dat in Kosovo een redelijk hoge mate van politieke en religieuze vrijheid bestaat. [7] De minister heeft het asielrelaas van eiser in zoverre dan ook ongeloofwaardig kunnen achten.
7.2
De minister heeft er verder terecht op gewezen dat de gevangenisstraf en de psychiatrische behandeling waar eiser met name zijn vrees op baseert, door de autoriteiten van Kosovo zijn opgelegd in verband met een door eiser gepleegd commuun delict: onder meer het bedreigen van zijn ouders. Eiser erkent ook die dreiging te hebben geuit. De minister heeft verder terecht overwogen dat de opgelegde straf (in beginsel) niet disproportioneel is (behoudens hetgeen hierna in 7.4 en 7.5 wordt overwogen), temeer nu eiser reeds na enkele maanden is vrijgelaten en enkel de psychiatrische behandeling (in vrijheid) moest voortzetten. De psychiatrische behandeling is daarbij blijkens de uitspraak van de Kosovaarse rechtbank opgelegd wegens een verslaving van eiser, zodat die verplichte behandeling de rechtbank evenmin disproportioneel voorkomt.
Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat hij pillen moest slikken zonder duidelijke diagnose, overweegt de rechtbank dat eiser ter zitting en in de in beroep overgelegde aanvullingen op het asielrelaas eveneens heeft verklaard te hebben geweigerd die pillen te slikken. Eiser is blijkens zijn asielrelaas bovendien vrij geweest een andere onafhankelijke arts te raadplegen. Van een oneigenlijke druk om (onjuiste) medicatie in te nemen is dus niet gebleken. Dat de leiding van het Forensisch instituut had gedreigd dat hij eiser bij weigering de medicatie te slikken voor onbepaalde tijd zou kunnen vasthouden, levert geen reëel risico op ernstige schade op, aangezien eiser ook zelf heeft verklaard dat hij – ondanks de weigering de medicatie te slikken – na zes weken bij het Forensisch instituut is vrijgelaten. [8]
7.3
Voor zover eiser zich nog op het standpunt stelt dat het asielgehoor onzorgvuldig is geweest, omdat de tolk geen juiste vertalingen van zijn verklaringen heeft gegeven, er geen Engelstalige tolk is ingeschakeld en zijn eerste advocaat niet de door hem gewenste correcties en aanvullingen wilde indienen, zijn de eventueel daaruit voortvloeiende gebreken naar het oordeel van de rechtbank thans in beroep hersteld. Eiser heeft immers alsnog uitvoerige aanvullingen op zijn asielrelaas op papier gezet en heeft deze in beroep overgelegd. Daarnaast heeft eiser in beroep de gelegenheid gehad aan de hand van de vragen van de rechtbank zijn verklaringen ter zitting te verduidelijken. Ook met inachtneming van deze aanvullingen, ziet de rechtbank geen aanleiding om van bovenstaande overwegingen af te wijken.
7.4
De rechtbank is evenwel van oordeel dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de risico’s op een met artikel 3 EVRM Pro [9] strijdige behandeling bij terugkeer naar Kosovo in verband met een mogelijke alsdan op te leggen of nog uit te zitten gevangenisstraf. Uit de verklaringen van eiser volgt immers dat hij naar Nederland is gevlucht nog voordat hij de door de Kosovaarse rechtbank opgelegde psychiatrische behandeling had afgerond. Voor de rechtbank is het onduidelijk of deze verplichte behandeling was gekoppeld aan een voorwaardelijke gevangenisstraf. In het gehoor is de uitspraak van de Kosovaarse rechtbank slechts beknopt samengevat vertaald en eiser is hierop verder niet uitgevraagd. Voor de rechtbank is daarom onduidelijk of eiser, wegens het niet afronden van de behandeling, bij terugkeer opnieuw vastgezet zou kunnen worden. Dit is niet ondenkbaar, nu het in de Nederlandse strafrechtpraktijk ook met enige regelmaat voorkomt dat een verplichte (psychische/psychiatrische) behandeling wordt opgelegd onder een voorwaardelijke gevangenisstraf (waarbij de betrokkene dus weer kan worden vastgezet als hij niet meewerkt aan de opgelegde behandeling). [10]
7.5
De minister zal daarom moeten nagaan:
1) wat het risico is dat eiser bij terugkeer als gevolg van het niet afronden van zijn psychiatrische behandeling loopt om opnieuw te worden vastgezet en;
2) of een dergelijke voortzetting van een gevangenisstraf in dat geval strijdig is met artikel 3 EVRM Pro, [11] in het bijzonder gelet op de verklaringen die eiser heeft afgelegd over zijn detentieperiode. Eiser heeft immers onder meer verklaard in een kleine cel (2 meter bij 2 meter en dus 4 vierkante meter) opgesloten te zijn geweest samen met een agressieve celgenoot. Uit de rechtspraak van het EHRM [12] kan worden afgeleid dat wanneer een gevangene minder dat 3 vierkante meter voor zichzelf beschikbaar heeft (zoals het geval is wanneer een cel van 4 vierkante meter door 2 personen wordt gedeeld) er een sterk vermoeden bestaat dat de detentieomstandigheden strijdig zijn met artikel 3 EVRM Pro. [13] Wanneer 3 vierkante meter of meer ter beschikking staat aan een gevangene, dan moeten overige omstandigheden bij de beoordeling worden betrokken, waaronder de duur van de gevangenisstraf, maar ook – waar eiser over heeft verklaard – bijvoorbeeld de hygiënische omstandigheden. In dat verband kunnen dan ook de verklaringen omtrent de agressieve celgenoot en het veelvuldig aan en uit laten gaan van het licht in de cel relevant zijn. [14]
7.6.
Voor zover de minister zich nog op het standpunt stelt dat eiser over de detentieomstandigheden kan klagen bij de Kosovaarse autoriteiten, overweegt de rechtbank dat als de detentieomstandigheden als een schending van artikel 3 EVRM Pro kwalificeren, de minister in beginsel geen beroep kan doen op een beklagmogelijkheid bij de Kosovaarse autoriteiten. De minister beroept zich dan immers in wezen op de mogelijkheid van binnenlandse bescherming als bedoeld in artikelen 7 en 8 van richtlijn 2011/95/EU, geïmplementeerd in artikelen 3.37c en 3.37d Vv [15] . In de per 12 juni in werking tredende Verordening (EU) 2023/1347 is in artikel 8 lid 2 evenwel Pro geregeld dat als de staat of staatsfunctionarissen de actoren van vervolging of ernstige schade zijn, de beslissingsautoriteit aan dient te nemen dat er geen doeltreffende bescherming beschikbaar is. Hoewel deze verordening ten tijde van de sluiting van het onderzoek door de rechtbank nog niet in werking was getreden, dienen de huidige artikelen 7 en 8 van richtlijn 2011/95/EU en daarmee de artikelen 3.37c en 3.37d Vv wel teleologisch tegen de achtergrond van die verordening te worden uitgelegd, nu die de huidige opvatting van de EU-wetgever weerspiegelt. Bovendien zal de verordening ten tijde van de door de minister uit te voeren hernieuwde beoordeling naar aanleiding van deze uitspraak wel van toepassing zijn, zodat de minister in die beoordeling ten volle rekening dient te houden met artikel 8 Verordening Pro (EU) 2023/1347.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond, daarnaast is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Aangezien de minister nog een nadere afweging zal moeten maken over het risico dat eiser loopt om bij terugkeer opnieuw in detentie te worden geplaatst en, voor zover dat risico aanwezig is, zal moeten beoordelen of de detentieomstandigheden in dat geval strijdig zijn met artikel 3 EVRM Pro, kan de rechtbank niet – zoals de minister heeft verzocht – zelf in de zaak voorzien. De rechtbank zal daarom volstaan met een vernietiging van het bestreden besluit met een opdracht aan de minister om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag van eiser te nemen.
8.1
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de minister aan eiser de proceskosten moet vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarbij kent de rechtbank 1 punt toe voor het beroepschrift en 1 punt voor de deelname aan de zitting met een waarde per punt van € 934,-. De totale vergoeding komt dan neer op: € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de minister met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op de aanvraag van eiser;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings - Rassa, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.M. Timmerman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vgl. Conclusie van Advocaat-Generaal T. Ćapeta bij HvJ EU 19 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:228
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Zaak NL25.47055.
5.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, artikel 1a.
6.Zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000.
7.Bijvoorbeeld:
8.Zie de in beroep overgelegde aanvullingen op het asielrelaas van eiser, onder het vrije asielrelaas.
9.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
10.Zie bijvoorbeeld het dictum van het volgende vonnis: Rechtbank Gelderland 1 juni 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2693.
11.Een schending van artikel 3 EVRM Pro levert namelijk ernstige schade op in de zin van artikel 15 aanhef Pro en onder b van richtlijn 2011/95/EU, zie HvJ EU 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843, r.o. 62, en levert daarmee in beginsel dus een asielgrond als bedoeld in artikel 29 lid 1 aanhef Pro en onder sub b onder 2 Vw op.
12.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
13.Vgl. EHRM 20 oktober 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1020JUD000733413 (Muršić t. Kroatië), r.o. 122 t/m 138.
14.Ibid, r.o. 139 t/m 141.
15.Voorschrift Vreemdelingen 2000.