Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15104

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL25.33852
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis wegens onvoldoende bewijs familierechtelijke relatie

Eisers, Eritrese nationaliteit, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis aan. De minister wees de aanvraag af omdat de identiteit van eisers en de familierechtelijke relatie met de referent niet voldoende waren aangetoond. Eisers waren niet beschikbaar voor nader onderzoek, wat de minister als reden gaf om de aanvraag te weigeren.

De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt kon stellen dat de overgelegde documenten onvoldoende bewijs leverden, maar dat de minister niet voldeed aan zijn samenwerkingsverplichting. Eisers konden niet naar Ethiopië reizen voor nader onderzoek vanwege ernstige belemmeringen zoals gijzeling, detentie en dreiging van arrestatie van garantstellers.

De rechtbank stelt dat de minister alternatieve bewijsmethoden moet onderzoeken, zoals samenwerking met andere lidstaten met een ambassade in Eritrea of het horen van betrokkenen. De eisers hebben hun inspanningsverplichting voldaan gezien de omstandigheden. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33852

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

mede namens:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2008, eiser
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2011
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2013
[minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2017
[minderjarige 5], geboren op [geboortedatum 5] 2019
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. E.A.M. Verstelle),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 15 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 juni 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (referent), de gemachtigde van eisers, A. Solomon als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 6] 1984. Eisers hebben de Eritrese nationaliteit. Referent is de gestelde echtgenoot van eiseres en de gestelde vader van de overige eisers. Referent heeft namens eisers een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis.
2.1.
Na het primaire besluit hebben eisers aan verweerder laten weten dat zij bij een poging tot uitreizen naar Ethiopië zijn aangehouden en na twee weken in vrijheid zijn gesteld. Het is alleen eiser gelukt om naar Ethiopië te reizen. Hij werd in Ethiopië ontvoerd en er moest losgeld worden betaald om hem in vrijheid te stellen.
2.2.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de identiteit van eisers en de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent niet zijn aangetoond. Op basis van de door eisers overgelegde documenten kan verweerder de identiteit en familierechtelijke relatie van eisers namelijk niet vaststellen. Verweerder heeft eisers weliswaar het voordeel van de twijfel gegeven en nader onderzoek aangeboden, maar eisers zijn niet beschikbaar voor nader onderzoek. Verweerder houdt de beslissing op bezwaar niet aan, omdat verweerder eisers een reële mogelijkheid heeft geboden om het bezwaarschrift te onderbouwen en om beschikbaar te zijn voor nader onderzoek. Daarnaast stelt verweerder geen nader onderzoek te hoeven doen in Eritrea zelf, omdat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het voor hen absoluut onmogelijk is om uit te reizen en er verweerder niet verplicht is om nader onderzoek te doen naar binnenlandse alternatieven. Verder beoordeelt verweerder niet ambtshalve of het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Ten slotte ziet verweerder geen aanleiding om referent te horen.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst stellen eisers dat hetgeen zij eerder in de procedure hebben verklaard geldt als gronden van beroep en dat de eerder overgelegde stukken als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Verder is het niet aan eisers te wijten dat zij niet beschikbaar waren voor nader onderzoek. Daarnaast is verweerder ten onrechte terughoudend omgegaan met de andere documenten die eisers hebben overgelegd ter onderbouwing van hun identiteit en familierechtelijke relatie. Ook stelt verweerder ten onrechte dat eisers niet aan hun samenwerkingsverplichting hebben voldaan. Omdat eisers aan hun samenwerkingsverplichting hebben voldaan, had verweerder nader onderzoek moeten aanbieden in Eritrea zelf of bijvoorbeeld door middel van gehoren om de familierechtelijke relatie vast te stellen. Verder had verweerder nader onderzoek moeten doen bij [minderjarige 1]. Daarnaast stelt verweerder ten onrechte dat het voor eisers niet absoluut onmogelijk is om uit te reizen. Ten slotte had verweerder moeten horen in bezwaar.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank geeft eisers in deze zaak gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Overgelegde documenten
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eisers overgelegde documenten, zowel op zichzelf als in samenhang bezien, niet een zodanig overtuigend bewijs van de identiteit van eisers en de gestelde familierechtelijke relatie tussen referent en eisers vormen dat op basis daarvan die familierelatie, zonder nader onderzoek, kan worden aangenomen. Hierbij heeft verweerder voor familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent van belang mogen vinden dat de overgelegde religieuze huwelijksakte niet als volwaardig bewijsstuk kan worden meegenomen en dat referent geen huwelijksakte heeft overgelegd die is afgegeven door de Eritrese autoriteiten. Voor de familierechtelijke relatie tussen referent en de overige eisers heeft verweerder kunnen betrekken dat de identiteit van eisers niet aannemelijk is gemaakt. Zo zijn er geen officiële identificerende documenten van de kinderen overgelegd en zijn de overgelegde doopaktes en geboortecertificaten onvoldoende om de identiteit aannemelijk te maken. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eisers aangegeven dat zij kort voorafgaand aan de zitting in het bezit was gesteld van een kopie van het UNHCR registratiebewijs van eiser. Verweerder heeft zich tijdens de zitting op het standpunt mogen stellen dat, afgezien van dat het registratiebewijs nog niet op echtheid is beoordeeld, dit de conclusie niet anders maakt. Dit neemt namelijk niet weg dat de familierechtelijke relatie onvoldoende aannemelijk is gemaakt.
Samenwerkingsverplichting
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn samenwerkingsverplichting. In beroep hebben eisers verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 maart 2019 [1] en de uitspraak van de zittingsplaats Zwolle van 19 maart 2025 [2] , waaruit zou volgen dat verweerder eisers een alternatief moet bieden om hen tegemoet te komen. De rechtbank doet deze uitspraak onder verwijzing naar die uitspraken. [3]
6.1.
Verder stelt de rechtbank vast dat uit het door eisers genoemde arrest van het Hof volgt dat de eisen die de minister mag stellen aan het bewijs dat door een vreemdeling moet worden geleverd, afhangen van de situatie waarin de betrokken vreemdeling zich bevindt. De eisen moeten evenredig zijn en afhangen van de aard en het niveau van de problemen waaraan de vreemdeling blootstaat. [4] Verweerder mag het verzoek om gezinshereniging afwijzen, als de vreemdeling zelf zijn kant van de samenwerkingsverplichting niet nakomt. [5]
6.2.
De rechtbank stelt vast dat verweerder niet betwist dat eiser bij zijn uitreis is gegijzeld en losgeld heeft moeten betalen. Ook betwist verweerder niet dat de overige eisers bij hun poging om naar Ethiopië uit te reizen zijn opgepakt en twee weken hebben vastgezeten, dat zij een familielid als garantsteller hadden die zou worden opgepakt als zij probeerden om uit te reizen, en dat zij na afloop van de garantstelling opnieuw hebben geprobeerd om uit te reizen maar dat het niet is gelukt. In het geval van eisers is daarmee gebleken dat het voor hen (nagenoeg) onmogelijk is om in Ethiopië DNA-bewijs af te staan. Gelet op de pogingen die eisers hebben ondernomen om uit te reizen met alle gevolgen van dien, volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat eisers niet hebben voldaan aan hun inspanningsverplichting. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet langer van eisers kan worden verlangd dat zij afreizen naar Ethiopië voor nader onderzoek.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet verweerder rekening houden met deze omstandigheden en kijken naar alternatieve bewijsmethodes voor eisers. [6] Verweerder is specifiek verplicht om te onderzoeken of hij zou kunnen samenwerken met één van de andere lidstaten die wel een ambassade of diplomatieke vertegenwoordiging in Eritrea hebben, zodat het op die manier voor eisers mogelijk zou worden om het DNA-onderzoek in Eritrea zelf te ondergaan.
6.4.
Als zou blijken dat het niet mogelijk is om samen te werken met andere lidstaten, dan moet verweerder nagaan of er andere mogelijkheden zijn voor eisers om het bewijs te leveren. Zoals eisers in beroep hebben aangevoerd, zou in dat geval bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan het vaststellen van de familierechtelijke relatie door middel van gehoren met eisers en referent. De rechtbank wijst in dit verband op de conclusie van advocaat-generaal N. Wahl van 29 november 2018 dat voorafging aan voornoemd arrest van het Hof. Daaruit kan worden afgeleid dat ook aan het horen van – bijvoorbeeld – de betrokken ouders bewijswaarde kan worden toegekend. [7]
6.5.
Het standpunt van verweerder dat eisers ook Eritrea moeten uitreizen als de mvv wordt afgegeven en eisers de gezinshereniging te effectueren, maakt de conclusie niet anders. Er zit namelijk een wezenlijk verschil tussen verlangen van uitreizen voor nader onderzoek en voor het ophalen van de mvv en het effectueren van de gezinshereniging. Het is aan eisers om de afweging te maken, wanneer de gezinsband is vastgesteld en daarmee het recht op gezinshereniging vaststaat, of zij gebruik willen maken van hun recht om (te proberen) naar Nederland af te reizen om het recht op gezinshereniging te effectueren. Ook miskent verweerder daarmee dat hij op die manier extra reisbewegingen van eisers verlangt en daarmee van hen verwacht (nog) meer risico te nemen. Dit zou, gelet op de eerdere ervaringen van eisers bij pogingen om Ethiopië te bereiken, een onbegrijpelijke en inhumane eis zijn.
6.6.
Mede gelet op wat de rechtbank heeft geoordeeld over het nader onderzoek naar de familierechtelijke relatie, kan alsnog vastgesteld worden dat eiseres de biologische moeder is van eiser en een toestemmingsverklaring worden verlangd. De rechtbank volgt de gemachtigde van eisers niet in haar betoog tijdens de zitting dat uit een uitspraak [8] blijkt dat er geen toestemmingsverklaring nodig is omdat de kans op kindontvoering klein is. De huidige zaak is namelijk niet vergelijkbaar met de situatie die zich in de aangehaalde uitspraak voordeed, zo is eiser niet de enige van het gezin die uitreist en is er ook geen toestemmingsverklaring overgelegd.
Overige beroepsgronden
7. Aangezien de rechtbank het beroep al gegrond heeft verklaard omdat verweerder niet heeft voldaan aan zijn samenwerkingsverplichting, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak.
9. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-. [9]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2019:192.
3.Specifiek rechtsoverwegingen 65 tot en met 68 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 maart 2019 en rechtsoverwegingen 12.1 tot en met 16 van de uitspraak van de zittingsplaats Zwolle van 19 maart 2025.
4.Zie rechtsoverwegingen 65 en 68.
5.Zie rechtsoverweging 67.
6.Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 maart 2019, met name rechtsoverwegingen 65 en 69.
7.Conclusie van Advocaat-Generaal N.Wahl bij het HvJ EU van 29 november 2018, ECLI:EU:C:2018:973, in het bijzonder overweging 58.
8.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:9353.
9.1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1.