ECLI:NL:RBDHA:2026:15097
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum verblijfsvergunning EU/EER in het kader van zorg- en opvoedingstaken
Eiser, een Iraakse nationaliteit dragende vader van twee minderjarige kinderen, betwist de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning EU/EER die is vastgesteld op 15 maart 2024. Hij stelt dat de ingangsdatum ten minste 14 mei 2018 moet zijn, de datum waarop hij zijn kinderen heeft erkend, en voert aan dat hij al eerder zorg- en opvoedingstaken verrichtte. Verweerder handhaaft de ingangsdatum van 15 maart 2024 omdat eiser niet met stukken heeft aangetoond dat hij voor die datum voldeed aan de voorwaarden van het arrest Chavez-Vilchez.
De rechtbank overweegt dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij tussen de scheiding in 2019 en 15 maart 2024 meer dan marginale zorgtaken heeft verricht. Hoewel er een emotionele band bestaat, toont dit niet aan dat er sprake was van een zodanige afhankelijkheidsrelatie. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 3 van Pro het IVRK en artikel 8 van Pro het EVRM, omdat het gezinsleven kan worden voortgezet. Tevens is het horen van eiser niet noodzakelijk geacht omdat het bezwaar geen nieuwe feiten of belangen bevatte die tot een ander besluit konden leiden.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter J. Holleman en griffier J.F. Elzenaar op 20 mei 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van 15 maart 2024 blijft gehandhaafd.