Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15097

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL25.46837
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 IVRKArt. 8 EVRMArt. 20 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ingangsdatum verblijfsvergunning EU/EER in het kader van zorg- en opvoedingstaken

Eiser, een Iraakse nationaliteit dragende vader van twee minderjarige kinderen, betwist de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning EU/EER die is vastgesteld op 15 maart 2024. Hij stelt dat de ingangsdatum ten minste 14 mei 2018 moet zijn, de datum waarop hij zijn kinderen heeft erkend, en voert aan dat hij al eerder zorg- en opvoedingstaken verrichtte. Verweerder handhaaft de ingangsdatum van 15 maart 2024 omdat eiser niet met stukken heeft aangetoond dat hij voor die datum voldeed aan de voorwaarden van het arrest Chavez-Vilchez.

De rechtbank overweegt dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij tussen de scheiding in 2019 en 15 maart 2024 meer dan marginale zorgtaken heeft verricht. Hoewel er een emotionele band bestaat, toont dit niet aan dat er sprake was van een zodanige afhankelijkheidsrelatie. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 3 van Pro het IVRK en artikel 8 van Pro het EVRM, omdat het gezinsleven kan worden voortgezet. Tevens is het horen van eiser niet noodzakelijk geacht omdat het bezwaar geen nieuwe feiten of belangen bevatte die tot een ander besluit konden leiden.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter J. Holleman en griffier J.F. Elzenaar op 20 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van 15 maart 2024 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46837

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning.
1.1.
Verweerder heeft eisers aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER met het besluit van 17 februari 2025 ingewilligd en de vergunning verleend met als ingangsdatum 15 maart 2024. Met het bestreden besluit van 28 augustus 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is bij dezelfde ingangsdatum gebleven.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1979 en heeft de Iraakse nationaliteit. Eiser heeft twee minderjarige kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hij stelt dat hij vanaf de geboorte van zijn kinderen tot aan de scheiding met zijn inmiddels ex-partner in 2019 met hen heeft samengewoond. Na de scheiding woonden de kinderen bij hun moeder. Vanwege huiselijk geweld verblijven de kinderen vanaf 14 maart 2024 bij eiser.
2.1.
Verweerder heeft de ingangsdatum gesteld op 15 maart 2024, omdat eiser niet (met stukken) heeft aangetoond dat hij voor die datum voldeed aan de voorwaarden van het arrest Chavez-Vilchez. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om eiser te horen.
2.2.
Eiser heeft eerder ook een aanvraag gedaan voor een verblijfsdocument EU/EER. In de uitspraak van 30 april 2021 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep tegen de afwijzing van eisers eerdere aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER ongegrond verklaard. [1] De rechtbank heeft geoordeeld dat de toen overgelegde foto’s, betalingsbewijzen, verklaring van de moeder en verklaring van de school van de kinderen onvoldoende aantonen dat eiser daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken verrichtte voor de kinderen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst handhaaft eiser zijn standpunten die hij in bezwaar heeft ingenomen. Eiser voert aan dat de ingangsdatum (ten minste) 14 mei 2018 moet zijn, de datum waarop eiser zijn kinderen heeft erkend. Daarnaast stelt verweerder ten onrechte dat hij de ingangsdatum pas kan stellen op het moment dat de kinderen op 15 maart 2024 formeel bij eiser zijn komen wonen, omdat het verblijfsrecht onder artikel 20 van Pro het VWEU [2] een declaratoir karakter heeft. Verder was er al eerder dan 15 maart 2024 sprake van zorg- en opvoedingstaken en een feitelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en de kinderen, en is deze ook na de scheiding niet verbroken geweest. Dit volgt onder andere uit de verklaring van de moeder, de verklaring van Veilig Thuis. Ook is er wel sprake van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de eerdere aanvraag en uitspraak uit 2021, de verklaringen van de moeder en Veilig Thuis zijn namelijk beschikbaar. Verder heeft verweerder onvoldoende gewicht toegekend aan artikel 3 van Pro het IVRK [3] en artikel 8 van Pro het EVRM [4] . Daarnaast heeft verweerder eiser ten onrechte niet gehoord. Ten slotte verwijst eiser naar een beslissing op bezwaar in een andere procedure, waaruit volgt dat de minister in bezwaar een andere ingangsdatum kan bepalen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Ingangsdatum
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder 15 maart 2024 terecht als ingangsdatum heeft vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat ter beoordeling ligt of eiser tussen 14 mei 2018 tot 15 maart 2024 daadwerkelijke zorgtaken uitvoerde voor zijn kinderen. Afgezien van de vraag of er voor de scheiding een afhankelijkheidsrelatie bestond, overweegt de rechtbank dat verweerder heeft mogen tegenwerpen dat er sprake is geweest van een onderbreking, waardoor verweerder mocht uitgaan van de laatste datum namelijk 15 maart 2024. Eiser heeft namelijk niet (met stukken) aangetoond dat hij vanaf de scheiding tot aan 15 maart 2024 meer dan marginale zorgtaken verrichtte voor zijn kinderen, waardoor er tussen hen sprake was van een zodanige afhankelijkheidsrelatie. Uit het feit dat de kinderen graag bij hun vader willen zijn, ziet de rechtbank net als verweerder wel dat zij een bepaalde emotionele band hebben maar dit toont niet aan dat eiser meer dan marginale zorgtaken uitoefende voor zijn kinderen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de zorg voor de kinderen vanaf 15 maart 2024 aan eiser is toevertrouwd.
Artikel 3 van Pro het IVRK en artikel 8 van Pro het EVRM
6. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 3 van Pro het IVRK en artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft in het verweerschrift mogen tegenwerpen dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd waarom het bestreden besluit in strijd is met deze bepalingen. De rechtbank is het eens met verweerder dat niet wordt ingezien op welke manier het bestreden besluit in strijd is met deze bepalingen, omdat eiser het gezinsleven met zijn kinderen door het bestreden besluit kan blijven uitoefenen. Ten slotte volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat eiser zijn betoog over de gestelde financiële belangen van de kinderen onvoldoende heeft onderbouwd.
Hoorplicht
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter [5] heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [6] Verweerder heeft op grond van wat naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Hierbij is van belang dat eiser in bezwaar niet heeft aangevoerd welk concreet belang hij heeft om gehoord te worden en geen nieuwe stukken heeft overgelegd. Tijdens de zitting heeft eisers gemachtigde aangegeven dat eiser tijdens een hoorzitting had kunnen verklaren over hoe hij invulling gaf aan zijn rol als vader voor 15 maart 2024. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat deze verklaringen de uitkomst van het bestreden besluit niet anders hadden kunnen maken, gelet op dat eiser maar een beperkt aantal stukken over de periode van voor 15 maart 2024 heeft overgelegd.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met zaaknummer AWB 20/5992.
2.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
3.Verdrag Inzake de Rechten van het Kind.
4.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
5.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
6.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.