ECLI:NL:RBDHA:2026:15086

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL26.5718
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buiten behandeling stelling verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd buiten behandeling te stellen. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 28 mei 2026.

Tijdens de zitting bleek dat eiser sinds 2 mei 2026 met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde. De gemachtigde heeft meerdere pogingen gedaan om contact te krijgen, maar zonder resultaat. Volgens vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die zonder opgave van verblijfplaats vertrekt geen prijs meer stelt op de bescherming die hij aanvankelijk zocht.

De rechtbank concludeert dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep en verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5718
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 28 mei 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure buiten behandeling gesteld. [1]
Eiser heeft op 2 februari 2026 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld in Breda. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. De rechtbank beantwoordt eerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Verweerder heeft de rechtbank bij bericht van 4 mei 2026 gemeld dat eiser sinds 2 mei 2026 staat geregistreerd als ‘met onbekende bestemming vertrokken’. Eiser heeft op deze laatste datum de opvang verlaten zonder verweerder van zijn nadere verblijfplaats te informeren.
2. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser gemeld dat hij eiser voor het laatst gesproken heeft op 9 maart 2026 ter voorbespreking van de zitting. De gemachtigde van eiser heeft daarna nog telefonisch contact gezocht en verschillende e-mails aan eiser gestuurd maar daarop geen reactie ontvangen. De dag voorafgaand aan de zitting heeft gemachtigde bericht gekregen van eiser dat hij niet aanwezig is bij de zitting. Verder contact is uitgebleven. De gemachtigde van eiser weet ook niet waar eiser verblijft.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland. Dit is anders als de vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt. [2]
4. Gelet op de toelichting van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser op 2 mei 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser stelt kennelijk geen prijs meer op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Daarom heeft eiser geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep tegen het bestreden besluit.
5. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en het proces-verbaal daarvan is geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.