ECLI:NL:RBDHA:2026:15040

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL26.12779
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 VwArt. 30 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te vroege ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen verblijfsvergunning

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 25 november 2024 en moest in beginsel binnen zes maanden beslissen. Vanwege een besluitmoratorium voor Syrië is de beslistermijn verlengd met één jaar, waardoor de uiterste beslisdatum op 25 mei 2026 ligt.

Eiser stelde de minister op 14 januari 2026 in gebreke, maar de rechtbank oordeelt dat deze ingebrekestelling te vroeg is ingediend omdat de beslistermijn toen nog niet was verstreken. Daarnaast is vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag, mede gelet op een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Italië.

De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M. Eradus op 15 april 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te vroege ingebrekestelling.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.12779
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F. Arslan),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. De minister heeft de aanvraag op 25 november 2024 ontvangen. De minister moet in beginsel uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen,4 vangt deze termijn aan op het tijdstip waarop
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.
4 Artikel 30 van Pro de Vw.
overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.5
4. Uit het aanmeldgehoor is gebleken dat Italië mogelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek van eiser om internationale bescherming. Op 4 februari 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat hij zal worden opgenomen in de nationale procedure en dat Nederland op 26 januari 2025 (in beginsel) verantwoordelijkheid is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag.
5. De rechtbank stelt echter vast dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in haar uitspraak van 26 april 2023 heeft bepaald dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.6 De ABRvS heeft ook geoordeeld dat, alhoewel de Italiaanse autoriteiten voornemens zijn overdrachten als bedoeld in de Dublinverordening op enig moment te hervatten, het op dit moment nog niet mogelijk is vast te stellen wanneer het gebrek aan opvangfaciliteiten zal zijn opgelost en de overdrachten aan Italië weer kunnen worden hervat.
6. Deze uitspraak brengt met zich mee dat vanaf het moment dat het voor de minister duidelijk was of had moeten zijn dat een overdracht aan Italië in geval van eiser niet mogelijk was, de minister verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van zijn asielaanvraag. In dit geval was de asielaanvraag na de uitspraak van de ABRvS. Dat betekent dat de minister van meet af aan verantwoordelijk was voor de aanvraag.
7. Eiser komt uit Syrië. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrië een besluitmoratorium.7 Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht was, besliste de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.8
8. De minister dient uiterlijk op 25 mei 2026 te beslissen op de aanvraag
(25 november 2024 + zes maanden + één jaar, tot in totaal ten hoogste 21 maanden). Eiser heeft de minister op 14 januari 2026 in gebreke gesteld. De beslistermijn was op dat moment nog niet verstreken. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Het beroep is daarmee kennelijk niet-ontvankelijk.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
6 ECLI:NL:RVS:2023:1654, r.o. 4.3.3.
7 Stcrt. 2024, 41538.
8 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van Pro het Besluit tot het instellen van een besluitmoratorium en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van M. Eradus, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 15 april 2026.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.