ECLI:NL:RBDHA:2026:14988
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk op grond van Dublinverordening
Eiser diende op 4 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag op 10 april 2026 niet in behandeling, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat Nederland het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kon toepassen vanwege risico's op straatzetting in Frankrijk en problemen met toegang tot opvang.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mede omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit standpunt bevestigt. De verwijzing naar het AIDA-rapport en de stelling dat eiser zonder documenten moeilijker toegang zou krijgen tot opvang in Frankrijk zijn onvoldoende onderbouwd. Daarnaast kan eiser zich bij problemen tot de Franse autoriteiten wenden.
Eiser voerde ook aan dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening toegepast had moeten worden wegens onevenredige hardheid, omdat hij als homoseksueel in Nederland veilig wil leven. De rechtbank stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan Frankrijk tot onevenredige hardheid leidt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling.