Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [v-nummer], verzoekster,
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1 april 2026 en vervolgens ook terecht verlengd op 6 mei 2026. De minister ziet in de uitspraak van deze rechtbank van 3 juni 2026, [13] geen aanleiding om een ander standpunt in te nemen.
17 april 2026 niet is opgeschort. Het beroep van verzoekster heeft dan ook een redelijke kans van slagen. Het verweer van de minister treft geen doel. Er is een definitieve situatie ontstaan na de uitspraak in beroep. Het standpunt van de minister dat er pas sprake zou zijn van een definitieve beslissing in beroep na beëindiging van de verzetsprocedure is onjuist. Er is immers ook niet pas sprake van een definitieve beslissing in beroep na de beëindiging van de hoger beroepsprocedure. Dat er in een verzetsprocedure sprake is van toetsing door hetzelfde gerecht, terwijl de toetsing in een hoger beroepsprocedure plaatsvindt door een ander of hoger gerecht maakt dit niet anders. Tot slot merkt de voorzieningenrechter op dat ook het Informatiebericht [15] van de minister zelf – voor zover hier relevant – alleen spreekt over beroep en daarbij niet een definitieve beslissing in beroep na een verzetsprocedure aanhaalt.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verzoekster de beslissing op het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn in Nederland mag afwachten en dat verzoekster tot die tijd niet mag worden overdragen aan Frankrijk;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.