Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen haar feitelijke overdracht aan Spanje op grond van de Dublinverordening. De minister had haar asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn. Na een eerdere afwijzing van het beroep en verzet, werd de overdracht gepland op 3 juni 2026.
Verzoekster vroeg om een voorlopige voorziening om de overdracht te voorkomen en haar bezwaar in Nederland af te wachten. De voorzieningenrechter oordeelde dat de uiterste overdrachtsdatum van 15 april 2026 niet was opgeschort en dat het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft.
De voorzieningenrechter wees het verzoek toe en bepaalde dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan Spanje totdat op het bezwaar is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster.