Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14942

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL24.47525
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling wegens ontbreken hoorzitting in bezwaarfase bij visumaanvraag

Verzoekster diende een aanvraag voor een visum kort verblijf in, die door de minister van Asiel en Migratie op 5 januari 2024 werd afgewezen. Na bezwaar verklaarde de minister het bezwaar op 19 november 2024 ongegrond, waarna verzoekster beroep instelde. Tijdens de beroepsfase trok de minister het besluit in en keurde alsnog de visumaanvraag goed.

De minister weigerde aanvankelijk proceskosten te vergoeden omdat de herroeping niet voortkwam uit een verwijtbare onrechtmatigheid in het eerste besluit, maar uit feiten en omstandigheden die pas tijdens de bezwaarfase bekend werden. De rechtbank oordeelde echter dat de minister in de bezwaarfase geen hoorzitting had gehouden, waardoor verzoekster niet de gelegenheid had om tijdig aanvullende stukken te overleggen die de twijfel over haar opleiding konden wegnemen.

De rechtbank stelde vast dat het ontbreken van de hoorzitting een aan de minister te wijten onrechtmatigheid vormde. Hierdoor kon verzoekster de benodigde stukken pas in de beroepsfase overleggen, wat leidde tot de gegrondverklaring van het bezwaar. De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten van in totaal €1.600,-, bestaande uit kosten voor bezwaar en beroep.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van €1.600,- aan proceskosten wegens het ontbreken van een hoorzitting in de bezwaarfase.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.47525
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van verweerder van 19 november 2024.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om een proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2.1.
De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
2.2.
Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2] Volgens vaste jurisprudentie dient een verzoek om een proceskostenveroordeling als regel te worden ingewilligd op grond van het enkele feit dat het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien de noodzaak om beroep in te stellen uitsluitend was te wijten aan de handelwijze van de betrokkene zelf.
2.3.
Over de vraag of sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, overweegt de rechtbank als volgt.
2.4.
Met een besluit van 5 januari 2024 heeft verweerder verzoeksters aanvraag om een visum kort verblijf afgewezen. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing. Met een besluit van 19 november 2024 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 november 2024.
2.5.
Verweerder heeft op 21 oktober 2024 laten weten het besluit van
19 november 2024 in te trekken en het bezwaar van verzoekster alsnog gegrond te verklaren. Verzoeksters aanvraag om een visum kort verblijf wordt alsnog goedgekeurd. Verweerder ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten, omdat de herroeping niet voortkomt uit een verwijtbare onrechtmatige beslissing in primo, maar uit feiten en omstandigheden waarvan pas tijdens de bezwaarfase is gebleken. De toelichting en de in bezwaar overgelegde stukken hebben de onduidelijkheden over de sociale en economische binding voldoende opgehelderd. Daarom is pas in de bezwaarfase aangetoond dan wel voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening.
2.6.
De rechtbank overweegt allereerst dat het standpunt van verweerder dat de herroeping is voortgekomen uit feiten en omstandigheden en stukken waarvan pas tijdens de bezwaarfase is gebleken, niet klopt. Als verzoekster namelijk in de bezwaarfase de benodigde stukken had overgelegd, had verweerder het bezwaar aanvankelijk niet ongegrond hoeven te verklaren. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder hier bedoeld heeft de feiten en omstandigheden waarvan tijdens de beroepsprocedure is gebleken. In het bestreden besluit stelde verweerder zich namelijk op het standpunt dat niet aannemelijk was dat sprake was van economische binding, omdat hij twijfelde of verzoekster wel daadwerkelijk een opleiding volgde en dat daarnaast niet is vast komen te staan dat ze zodanig waarde hecht aan die opleiding om op basis daarvan terug naar Senegal te keren. In de beroepsfase heeft verzoekster hiertoe aanvullende stukken overgelegd: cijferlijsten en facturen van het collegegeld. De rechtbank gaat ervan uit dat die overgelegde stukken in de beroepsfase de twijfel bij verweerder over de opleiding van verzoekster hebben weggenomen en dat dit voor verweerder aanleiding is geweest het bezwaar alsnog gegrond te verklaren.
2.7.
De rechtbank is van oordeel dat hier wel sprake is geweest van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Verweerder heeft in de bezwaarfase geen hoorzitting gehouden. Een hoorzitting had de aangewezen plek geweest om te bespreken dat verweerder twijfels had over de opleiding van verzoekster en verweerder had daar kunnen aangeven welke stukken nodig waren om de twijfels over de opleiding weg te nemen. Dit te meer nu eiseres bij het bezwaar al een behoorlijk aantal stukken heeft ingediend. Nu verweerder geen hoorzitting heeft gehouden om het toesturen van de stukken te bespreken, is de rechtbank van oordeel dat het niet aan verzoekster te wijten is dat zij deze stukken pas in de beroepsfase heeft overgelegd en dat hangende de beroepsprocedure pas tot een gegrondverklaring is kunnen komen.
2.8.
De rechtbank overweegt voorts dat verweerder eiseres ten onrechte niet heeft gehoord. De omstandigheid dat op basis van de beschikbare informatie ten tijde van het besluit op bezwaar de aanvraag had moeten worden afgewezen, is niet allesbepalend voor de vraag of verweerder van horen in bezwaar mocht afzien. Het gaat er immers om of op grond van het bezwaarschrift en wat daarbij wordt aangevoerd en overgelegd op voorhand, dus al meteen, kan worden geconcludeerd dat dit alles redelijkerwijs het primaire besluit niet anders zal kunnen maken. Deze conclusie was in dit geval niet gerechtvaardigd, zeker bezien in het licht dat verweerder een afwijzingsgrond heeft laten vallen bij het bestreden besluit. [3]
2.9.
De rechtbank wijst het verzoek daarom als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend. De rechtbank ziet ook aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten in bezwaar. Deze vergoeding bedraagt € 666,- omdat de gemachtigde van verzoekster een bezwaarschrift heeft ingediend.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.600,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspaak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.G.A. Karregat, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.