ECLI:NL:RBDHA:2026:14940
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
Eiser, een Gambiaanse vreemdeling, maakte bezwaar tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was op 20 april 2026 opgelegd en op 27 mei 2026 opgeheven. Eiser vorderde tevens schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheid van de bewaring.
De rechtbank stelde vast dat de maatregel tot 6 mei 2026 rechtmatig was bevonden in een eerdere uitspraak. De beoordeling richtte zich daarom op het voortduren van de bewaring na die datum tot de opheffing. Hoewel de rechtbank het vooronderzoek niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn sloot, was er geen sprake van schending van het recht op een voortvarende beslissing omdat de uitspraak binnen de termijn van artikel 96, tweede lid, Vw werd gedaan.
Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde en dat er geen zicht was op uitzetting binnen afzienbare tijd. De rechtbank oordeelde dat bij een bewaring op grond van artikel 59b Vw geen zicht op uitzetting vereist is en dat verweerder niet verplicht is voortvarende uitzettingshandelingen te verrichten. De ambtshalve toetsing leidde tot de conclusie dat het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard omdat de bewaring niet onrechtmatig was.