Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14935

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL25.18619
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:72 AwbVreemdelingencirculaire 2000 paragraaf B7/3.8.1Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoldoende motivering minister bij toepassing jongvolwassenenbeleid in MVV-aanvraag

Eisers, ouders van referent, hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij hun zoon in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat referent volgens hem in eigen onderhoud voorziet en daardoor niet onder het jongvolwassenenbeleid valt.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat referent daadwerkelijk in eigen onderhoud voorziet. De werkzaamheden in Jordanië betroffen vrijwilligerswerk en kortdurend werk tijdens vakantie, waarbij het verdiende geld voor het gezin werd gebruikt. Ook de werkzaamheden in Nederland waren kortdurend, deels als tegenprestatie in het kader van een bijstandsuitkering, en referent verrichtte inmiddels geen werk meer.

De rechtbank stelt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met deze omstandigheden en het criterium onjuist heeft toegepast. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij alle feiten en omstandigheden betrokken moeten worden. Tevens moet de minister het griffierecht en proceskosten aan eisers vergoeden.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.18619
V-nummers: [v-nummer 1]
[v-nummer 2]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], geboren op [geboortedag 1] 1970, eiser,

[eiseres], geboren op [geboortedag 2] 1978, eiseres,
beide van Syrische nationaliteit, hierna samen te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. N. van der Gouw).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [referent]’ (referent).
1.1.
Eisers wensen in Nederland te verblijven bij referent, hun zoon. Op 19 oktober 2022 heeft referent ten behoeve van eisers, zijn ouders, de mvv-aanvraag ingediend.
1.2.
De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 16 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 maart 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referent, A. Jafar als tolk in de Arabische taal en de gemachtigde van de minster.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en de afwijzing van de mvv-aanvraag gehandhaafd. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat er geen sprake is van beschermwaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM [1] . Referent valt niet onder het jongvolwassenenbeleid, omdat hij voldoende in zijn eigen onderhoud heeft weten te voorzien. Referent heeft namelijk voordat hij Nederland is binnengekomen gewerkt in Jordanië. De minister acht verder relevant dat referent sinds oktober 2023 een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt en heeft gewerkt bij een snackbar in Groningen, evenals bij het Regionaal Energieloket. Verder stelt de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt dat niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen referent en eisers en dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen hen, zodat geen sprake is van familieleven. Omdat familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM niet aannemelijk is, heeft de minister, gelet op de rechtspraak [2] van de Afdeling [3] geen belangenafweging gemaakt.
3. Tussen partijen is in geschil of de minister het jongvolwassenebeleid zoals vastgelegd in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc [4] juist heeft toegepast. Het geschil richt zich met name op de vraag of referent voldoet aan de voorwaarde dat hij niet in eigen onderhoud voorziet.
4. Eisers hebben op de zitting aangevoerd en nader toegelicht dat de minister het jongvolwassenenbeleid onjuist heeft toegepast. Daarbij hebben zij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024 over het jongvolwassenenbeleid in reguliere zaken [5] en stellen dat daaruit volgt dat het vereiste niet ziet op de vraag of een jongvolwassene kán voorzien in zijn eigen onderhoud, maar op de vraag of de jongvolwassene daadwerkelijk in zijn eigen onderhoud voorziet. Bij die beoordeling dient de minister alle relevante individuele omstandigheden van het geval te betrekken. In dat verband hebben eisers betoogd dat de minister ten onrechte heeft aangenomen dat referent met zijn werkzaamheden in Jordanië en Nederland in zijn eigen onderhoud heeft voorzien. Daarbij heeft de minister volgens eisers onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat sprake was van een noodgedwongen vertrek uit het land van herkomst. Voorts hebben eisers erop gewezen dat referent zijn werkzaamheden voor Terre des Hommes in een vluchtelingenkamp in Jordanië als computertrainer op vrijwillige basis verrichtte. Hij ontving daarvoor geen salaris, maar slechts een onkostenvergoeding. Daarnaast heeft referent gedurende vakantieperiodes, waarin hij niet studeerde, tijdelijk in een restaurant gewerkt en daarmee slechts beperkt zakgeld verdiend. Dit ging om een bijbaan. Gelet op deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat referent financieel onafhankelijk was van zijn ouders, en dat geldt ook voor zijn werkzaamheden en bijstandsuitkering in Nederland. De minister heeft deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende onderkend.
5. Volgens de minister heeft referent aangetoond dat hij zich in Nederland zelfstandig opstelt door het vinden en verrichten van arbeid, zoals hij ook in Jordanië heeft gedaan, en dat dit niet noodgedwongen is gebeurd. Referent had in Jordanië een betaalde baan, waarmee hij stappen heeft gezet naar zelfstandigheid. Hoewel hij destijds nog bij zijn ouders in een vluchtelingenkamp woonde, blijkt daaruit dat hij in staat is werk te vinden en te verrichten. Daarmee toont referent volgens de minister ook aan in staat te zijn in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Nu hij ook in Nederland werk heeft gevonden en verricht, kan van hem worden verwacht dat hij in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Daar komt nog bij dat referent zelf heeft verklaard dat hij met zijn uitkering in zijn eigen vaste lasten kan voorzien.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
6.1.
De minister heeft in de beoordeling van het criterium samenwoning al erkend dat er sprake is van een gedwongen vertrek. Uit de voorgenoemde uitspraak van de Afdeling blijkt dat de minister het als gevolg van een vluchtsituatie zelfstandig worden van een jongvolwassene enkel mag tegenwerpen indien de jongvolwassene zich zelfstandig en moeiteloos kan handhaven. Uit het bestreden besluit volgt dat de minister aan dit criterium heeft getoetst, en concludeert dat referent zich zelfstandig en moeiteloos weet te handhaven. De minister heeft hierbij betrokken dat referent zowel in Jordanië als in Nederland heeft gewerkt.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de werkzaamheden die referent in Jordanië en in Nederland heeft verricht, onvoldoende om tot deze conclusie te komen. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de minister in de besluitvorming niet heeft betwist dat de werkzaamheden van referent in Jordanië voor Terre des Hommes vrijwilligerswerk betroffen en geen betaalde baan. De minister heeft voorts niet betwist dat de werkzaamheden in Jordanië in het restaurant zijn verricht in de vakantieperiode, waarin referent geen lessen volgde. Op zitting heeft referent desgevraagd verklaard dat het geld dat hij daarmee verdiende werd gebruikt voor het gezin. De minister heeft dit ter zitting onweersproken gelaten. De rechtbank stelt dan ook vast dat het door referent in Jordanië verdiende geld geen verband hield met zijn financiële onafhankelijkheid en zelfstandigheid, maar werd gebruikt als aanvulling op het inkomen van het gezin.
6.3.
Ten aanzien van de beoordeling van de minister van de situatie van referent in Nederland overweegt de rechtbank het volgende. Bij de beoordeling van het vereiste dat de jongvolwassene niet voorziet in zijn eigen levensonderhoud, dient de minister alle feiten en omstandigheden te betrekken die relevant zijn voor de omstandigheid dat de jongvolwassene werkt. [6] Ook dient de minister te betrekken in hoeverre de jongvolwassene er vrijwillig voor kiest om zich onafhankelijker op te stellen. [7] Ter zitting heeft referent desgevraagd verklaard dat de werkzaamheden bij het Regionaal Energieloket een tegenprestatie in het kader van de bijstandsuitkering betroffen, dat deze werkzaamheden slechts van korte duur waren en dat hij daarbij door de gemeente werd begeleid. Ten aanzien van het werk bij de snackbar heeft referent verklaard dat dit minder dan één maand heeft geduurd. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat deze werkzaamheden kunnen bijdragen aan de conclusie dat referent zich zelfstandig en moeiteloos weet te handhaven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de aard en frequentie van het werk in Nederland en de reden voor referent om te werken onvoldoende betrokken. Daarnaast heeft de minister onvoldoende meegewogen dat referent heeft verklaard dat hij nu in Nederland geen werkzaamheden meer verricht. Het criterium dat de minister hanteert voor de toepassing van het jongvolwassenenbeleid is immers niet of referent in zijn eigen levensonderhoud kán voorzien, maar of hij dat daadwerkelijk doet. [8]
6.3.
De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat referent niet aan het jongvolwassenenbeleid voldoet omdat hij in eigen onderhoud kan en heeft voorzien. De minister zal dit standpunt opnieuw moeten beoordelen, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
7. Nu het beroep al gegrond is vanwege de onjuiste toepassing van het jongvolwassenenbeleid, ziet de rechtbank geen aanleiding de overige gronden in beroep nog te bespreken. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen waarin hij op basis van alle feiten en omstandigheden moet beoordelen of sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering. Het is aan de minister om een nieuwe beoordeling te maken aan de hand van alle individuele feiten en omstandigheden.
9. De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en moet daarbij rekening houden met deze uitspraak. [9] De rechtbank geeft de minister daarvoor zes weken de tijd.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 26 maart 2025;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat de minister het door eisers betaalde griffierecht van € 194,- vergoedt; en
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
3.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Vreemdelingencirculaire 2000.
8.Zie paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
9.De Rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.