ECLI:NL:RBDHA:2026:14932
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming
Eiser, van Jordaanse nationaliteit, diende op 18 december 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag bij besluit van 1 januari 2026 af als kennelijk ongegrond. Eiser stelde beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De rechtbank behandelde het beroep op 1 juni 2026, waarbij partijen niet verschenen. Tijdens de procedure meldde de minister dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank verzocht de gemachtigde van eiser om te bevestigen of er nog contact was met eiser, maar hierop werd niet gereageerd. Telefonisch gaf de gemachtigde aan dat contactpogingen waren gedaan zonder succes.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak bij vertrek met onbekende bestemming zonder contact met de gemachtigde, wordt aangenomen dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Hierdoor ontbreekt het aan een rechtens te beschermen belang bij inhoudelijke behandeling van het beroep.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter H.J. Doets.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek met onbekende bestemming en gebrek aan procesbelang.