Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14932

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL26.802 en NL26.803
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 30b Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming

Eiser, van Jordaanse nationaliteit, diende op 18 december 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag bij besluit van 1 januari 2026 af als kennelijk ongegrond. Eiser stelde beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De rechtbank behandelde het beroep op 1 juni 2026, waarbij partijen niet verschenen. Tijdens de procedure meldde de minister dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank verzocht de gemachtigde van eiser om te bevestigen of er nog contact was met eiser, maar hierop werd niet gereageerd. Telefonisch gaf de gemachtigde aan dat contactpogingen waren gedaan zonder succes.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak bij vertrek met onbekende bestemming zonder contact met de gemachtigde, wordt aangenomen dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Hierdoor ontbreekt het aan een rechtens te beschermen belang bij inhoudelijke behandeling van het beroep.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter H.J. Doets.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek met onbekende bestemming en gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.802 (beroep) en NL26.803 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 2001, van Jordaanse nationaliteit, eiser en verzoeker, (hierna: eiser),
(gemachtigde: mr. J.W.F. Menick),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. in den Bosch).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 18 december 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 1 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 [1] en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.
1.2.
Eiser heeft ook gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn met bericht van verhindering niet verschenen op de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. De rechtbank ziet zich in het kader van de ontvankelijkheid van het beroep voor de vraag gesteld of er nog sprake is van procesbelang. Verweerder heeft namelijk bij brief van 20 mei 2026 aan de rechtbank laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. [2] De rechtbank heeft naar aanleiding hiervan bij digitaal bericht van 21 mei 2026 de gemachtigde van eiser verzocht te reageren op deze MOB-melding en mee te delen of de gemachtigde van eiser nog contact met hem heeft. Omdat de gemachtigde van eiser niet heeft gereageerd op het bericht van de rechtbank, heeft de griffier telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van eiser op zowel 26 als 27 mei 2026. Tijdens deze gesprekken vertelde de gemachtigde dat hij heeft geprobeerd om met eiser in contact te komen, maar dat dit (nog) niet was gelukt. De gemachtigde heeft vervolgens bij digitaal bericht van 27 mei 2026 de rechtbank verzocht om de zaak op basis van de reeds ingediende stukken af te doen, en daarbij meegedeeld dat zowel hijzelf als eiser niet ter zitting zullen verschijnen.
4. De rechtbank overweegt het volgende. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [3] blijkt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde over de beroepsprocedure, wordt geconcludeerd dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. [4]
4.1.
Gezien de onder 3 genoemde omstandigheden en het feit dat de rechtbank de gemachtigde van eiser na de MOB-melding meermaals in de gelegenheid heeft gesteld om inzichtelijk te maken dat hij nog contact onderhoudt met eiser, maar de gemachtigde daarin niet is geslaagd, gaat de rechtbank ervan uit dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de bescherming die hij aanvankelijk in Nederland heeft verzocht. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
6. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, is er geen aanleiding om het verzoek tot een voorlopige voorziening verder te behandelen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in zaaknummer NL26.802:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter, in zaaknummer NL26.803:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de
uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.MOB-melding.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.