ECLI:NL:RBDHA:2026:14777

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28149
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 14 Schengengrenscode (Verordening (EU) nr. 2016/399)Art. 94 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toegangsweigering en vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling gegrond verklaard

Eiser is de toegang tot Nederland geweigerd op grond van het ontbreken van een geldig reisdocument, visum of verblijfsvergunning, onvoldoende middelen van bestaan en onduidelijkheid over het doel van het verblijf. Tevens is een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd vanwege het risico op onderduiken.

Eiser betwist de gronden voor de toegangsweigering niet, maar voert aan dat het risico op onderduiken niet is onderbouwd en dat de detentie onevenredig is vanwege zijn medische situatie. De rechtbank oordeelt dat het risico op onderduiken terecht is aangenomen, mede omdat eiser zijn vertrekwens niet concreet heeft gemaakt.

De rechtbank stelt vast dat een minder dwingende maatregel niet passend is omdat dit het grensbewakingsbelang zou ondermijnen. Ook is niet gebleken dat eiser in detentie zal overlijden of onvoldoende medische zorg ontvangt. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding worden daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van toegang en de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28149

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

1. Bij besluit van (bestreden besluit 1) is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Pro Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 19 mei 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 27 mei 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft op 29 mei 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering)
2. Verweerder heeft eiser de toegang geweigerd omdat eiser:
- niet in het bezit is van een geldig reisdocument;
- niet in het bezit is van een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning;
- het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden niet heeft kunnen staven;
- niet over voldoende middelen van bestaan kan beschikken voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel niet in staat is deze middelen rechtmatig te verwerven.
3. Eiser heeft de gronden voor het weigeren van de toegang niet betwist. De rechtbank gaat uit van een rechtmatige toegangsweigering.
Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel)
4. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
5. In de vrijheidsontnemende maatregel heeft verweerder overwogen dat ten aanzien van eiser het risico op onderduiken bestaat. Verweerder heeft daartoe als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van reis- of identiteitsdocumenten;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag in te willen dienen, en zijn asielaanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser voert kort samengevat het volgende aan. Verweerder heeft niet onderbouwd dat er een gevaar bestaat voor onttrekking en ten onrechte overwogen dat eiser niet mee wil werken aan zijn vertrek. Eiser heeft namelijk ontkennend geantwoord op de vraag of eiser niet mee ging werken. Daarnaast heeft eiser bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) aangegeven dat hij terug wil keren naar de Dominicaanse Republiek. Verder is de maatregel onevenredig omdat de detentie eiser angstig maakt. De reden voor deze angst is dat eiser een hartkwaal heeft. Eiser vreest in detentie te overlijden. Verweerder had kunnen volstaan met een lichter middel.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet betwist. Verweerder heeft daarom op goede gronden een risico op onderduiken aanwezig geacht. Ten aanzien van het lichter middel overweegt de rechtbank dat het grensbewakingsbelang steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Slechts in bijzondere gevallen wordt hiervan afgeweken. [1]
9. Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijk geval geen sprake. De wens van eiser om terug te keren maakt het risico op onderduiken niet anders, omdat eiser zijn vertrekwens niet heeft geconcretiseerd. [2] Verder is niet is gebleken dat eiser voor zijn medische klachten niet bij de medische dienst van het detentiecentrum terechtkan en is niet medisch onderbouwd dat eiser in detentie zal komen te overlijden.
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [3] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
Over beide beroepen
11. Het beroep tegen bestreden besluit 1 en tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2855.
3.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.