ECLI:NL:RBDHA:2026:14771

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27309
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 5.1b VbArt. 5.1b, tweede lid, Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van maatregel vreemdelingenbewaring en beroep ongegrond verklaard

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat de overdracht naar Frankrijk onvoldoende was onderbouwd, dat meerdere gronden onterecht op hetzelfde feitencomplex waren gebaseerd, dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar lichtere maatregelen en dat hij geen informatiefolder in de Amhaarse taal had ontvangen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld door ontbrekende stukken toe te voegen, een vertrekgesprek te voeren en een laissez-passer af te geven. De overdracht naar Frankrijk was gepland en de overdrachtstermijn was geldig. De vermeende overlapping van gronden faalde omdat eiser niet had geconcretiseerd welke feiten dubbel werden gebruikt en de motivering was voldoende volgens eerdere jurisprudentie.

Verder was verweerder niet verplicht om elk alternatief voor bewaring expliciet te motiveren, zeker omdat eiser geen omstandigheden had aangevoerd die een minder dwingende maatregel rechtvaardigen. De medische klachten van eiser waren niet voldoende onderbouwd om detentieongeschiktheid aan te tonen. De informatiefolder was mondeling in het Amhaars toegelicht en eiser was tijdig geïnformeerd over zijn rechten.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27309

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Procesverloop

1. Bij besluit van 14 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 21 mei 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 27 mei 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft op 29 mei 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
3. Eiser voert kort samengevat het volgende aan. Verweerder heeft niet onderbouwd dat er zicht bestaat op overdracht aan Frankrijk. Daarnaast is ook niet met stukken onderbouwd dat de overdrachtstermijn rechtsgeldig is verlengd. Van concrete overdrachtshandelingen naar Frankrijk is evenmin gebleken. Verweerder handelt daarom onvoldoende voortvarend. Verder betwist eiser dat de zware en lichte gronden die aan hem zijn tegengeworpen een significant risico op onderduiken opleveren. Diverse gronden zien op hetzelfde feitencomplex en van lichte grond 4b ontbreekt feitelijke onderbouwing. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende onderzoek verricht naar het toepassen van een lichter middel. Ook heeft verweerder geen kenbare individuele belangenafweging verricht, omdat verweerder eisers medische klachten heeft afgedaan met standaardoverwegingen zonder concreet onderzoek naar de detentiegeschiktheid van eiser. Tot slot heeft eiser geen informatiefolder ontvangen in de Amhaarse taal, terwijl dit een fundamentele procedurele waarborg is.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
5. Ten aanzien van de Dublinoverdracht naar Frankrijk overweegt de rechtbank dat verweerder op 27 mei 2026 de ontbrekende stukken heeft toegevoegd aan het digitale dossier, waaruit blijkt dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, de overdrachtstermijn nog geldig is en verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Op 19 mei 2026 is een vertrekgesprek gevoerd en op 20 mei 2026 is een laissez-passer afgegeven. De geplande overdracht is gepland met een geboekte vlucht op 29 mei 2026.
6. Ten aanzien van de zware en lichte gronden overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft geconcretiseerd welk enkele feit of feitencomplex verweerder heeft gebruikt voor meerdere gronden. Reeds hierom kan dit betoog niet slagen. Daarnaast zou dit de bewaring ook niet onrechtmatig maken. Hiertoe verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 25 maart 2020 waarin is geoordeeld dat een feitelijke of nadere toelichting voor meerdere gronden kan worden gebruikt. [1] Nu de zware gronden en de lichte gronden 4a en 4c verder niet worden betwist, zijn deze gronden en de daarbij gegeven motivering voldoende om het risico op onderduiken aanwezig te achten. [2] Wat is aangevoerd ten aanzien van lichte grond 4b behoeft daarom geen bespreking meer.
7. De rechtbank oordeelt verder dat de motiveringsplicht niet zover strekt dat verweerder uitdrukkelijk van elk mogelijk alternatief voor inbewaringstelling moet benoemen waarom dat alternatief niet toereikend is. Zo is het voor verweerder al voldoende om te volstaan met de opmerking dat door eiser geen omstandigheden zijn aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen van een minder dwingende maatregel. [3]
7.1.
In het onderhavige geval heeft eiser gewezen op zijn medische klachten. Verweerder heeft in dat verband op goede gronden overwogen dat eiser zich voor zijn medische klachten tot een arts in het detentiecentrum kan wenden. Dat deze overweging op meerdere vreemdelingen van toepassing is, en vaker gebruikt wordt als motivering, betekent niet dat het niet ook op eiser van toepassing is. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat het in beginsel aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij detentieongeschikt is. [4] Hiervan is niet gebleken. Verweerder was daarom ook niet gehouden om nader onderzoek te verrichten.
8. Ten aanzien van de informatiefolder overweegt de rechtbank dat eiser direct voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring en door een tolk in de taal Amhaars is meegedeeld op welke gronden de maatregel zal worden opgelegd. Dit blijkt uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring. De inhoud van de informatiefolder is dus mondeling in de taal Amhaars aan eiser kenbaar gemaakt. Ook is hem meegedeeld dat hij recht heeft op rechtsbijstand. Eiser heeft met rechtsbijstand tegen de maatregel van bewaring tijdig beroep ingesteld en is door de wijze waarop hij over de maatregel van bewaring en zijn rechten is geïnformeerd dan ook niet in zijn belangen geschaad.
8.1.
De rechtbank overweegt verder dat vanuit praktisch oogpunt niet van verweerder kan worden gevergd dat hij op elk moment in iedere mogelijke denkbare taal een informatiefolder voorhanden heeft. Het is wel aan verweerder om met voortvarendheid te blijven werken aan het uitbreiden van het aantal talen waarin de folder beschikbaar is. De rechtbank roept in herinnering dat zij verweerder hier eerder op heeft gewezen, bijvoorbeeld bij uitspraak van 9 januari 2026 in de zaak met zaaknummer NL25.62658. In deze zaak was eveneens geen informatiebrief in de Amhaarse taal beschikbaar.
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [5] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2020:829.
2.Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:134.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1162.
5.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.