Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14745

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
NL24.48264
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 VwArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 85 Vw 2000Artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt besluit minister over mvv nareis wegens onvoldoende motivering gezinsband jongvolwassenen

Eiseres, een Iraanse vrouw geboren in 1997, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis bij haar vader, die in Nederland verblijft met een asielvergunning. De minister wees de aanvraag af omdat eiseres volgens het jongvolwassenenbeleid niet meer afhankelijk zou zijn en de feitelijke gezinsband verbroken was. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de vluchtsituatie van eiseres en haar vader, de vijandige rol van de moeder en diens familie, en de omstandigheden die het contact bemoeilijkten.

De rechtbank stelt vast dat de wil om een gezinsband te creëren of te behouden voldoende is voor het bestaan van een feitelijke gezinsband, conform het arrest XC en de Gezinsherenigingsrichtlijn. De minister heeft een te strikt beoordelingskader gehanteerd en onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de periode van onderduiken en het feit dat eiseres financieel werd ondersteund door familie van referent.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van de minister en draagt op tot een nieuw besluit met inachtneming van het juiste toetsingskader binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.48264
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedag] 1997, van Iraanse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “nareis” voor verblijf bij [referent] (hierna: referent).
1.1.
In het besluit van 26 april 2022 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres afgewezen. In het besluit van 6 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen, referent en D. Hosseini als tolk in de taal Farsi.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres aan de hand van de beroepsgronden die eiseres heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Referent heeft Iran op 29 september 2018 verlaten. Aan hem is op 7 juni 2021 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Referent heeft ten behoeve van zijn dochter, eiseres, op 2 september 2021 een mvv-aanvraag in het kader van nareis ingediend. Eiseres is in 2017 naar Turkije gereisd en heeft daar bij de Verenigde Naties om bescherming gevraagd.
Besluitvorming
5. De minister heeft de aanvraag voor een mvv afgewezen. Volgens de minister kan eiseres niet als jongvolwassene in de zin van het beleid worden beschouwd, omdat zij veel stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. Zij heeft zelfstandig en vrijwillig op 20-jarige leeftijd haar land verlaten, is in Turkije gaan wonen en heeft zich tot op heden staande weten te houden, zonder de hulp en fysieke ondersteuning en aanwezigheid van haar ouders. Daarnaast is volgens de minister gebleken dat de feitelijke gezinsband is verbroken. Niet is gebleken dat eiseres zich in een acute vluchtsituatie bevond toen zij naar Turkije vertrok in 2017 met haar moeder. Referent is pas een jaar nadat eiseres vertrok uit Iran vertrokken. De fysieke scheiding van de gezinsleden is daarmee niet direct ingegeven door een noodgedwongen vertrek. Verder zijn er zoals gezegd meer dan voldoende stappen naar zelfstandigheid gezet, niet alleen ten tijde van de asielaanvraag van referent in Nederland, maar ook in de jaren daarna heeft eiseres zich staande weten te houden zonder vader en moeder. Tot slot is er volgens de minister ook geen sprake van familieleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [1] omdat volgens de minister geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen.
Jongvolwassenenbeleid
Standpunt eiseres
6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte tot de conclusie komt dat haar geen beroep toekomt op het jongvolwassenenbeleid. Eiseres was 24 jaar oud ten tijde van de aanvraag. De minister gaat ten onrechte voorbij aan de duur van deze procedure. Eiseres voert aan dat er geen sprake is van stappen van zelfstandigheid – zij is nog steeds afhankelijk van haar vader. Hierbij heeft de minister geen rekening gehouden met de vijandige rol van de moeder van eiseres en diens familie, en de invloed op hoe eiseres en referent het familieleven konden uitoefenen. Referent heeft moeten onderduiken en het land ontvluchten, en pas in Nederland kon er weer contact ontstaan. Ten onrechte wordt de conclusie getrokken dat eiseres zelfstandig en vrijwillig op 20-jarige leeftijd Iran heeft verlaten. Zij kan zich op dit moment in Turkije niet zelfstandig staande houden. Zij kan en mag niet studeren, mag ook niet werken en is afhankelijk van haar vader. Ten onrechte wordt vervolgens de conclusie trokken dat de feitelijke gezinsband zou zijn verbroken. Eiseres is vorig jaar door de Turkse autoriteiten gedwongen om naar Iran te vertrekken, waar zij vervolgens meerdere keren is bezocht door de politie in verband met haar afwezigheid. Met betrekking tot de feitelijke gezinsband verwijst eiseres naar een uitspraak van de Afdeling [2] van 20 november 2024 [3] , waarin de Afdeling nader uitleg geeft aan het arrest XC [4] van het Hof [5] .
Standpunt minister
6.1.
Volgens de minister is terecht geconcludeerd dat eiseres niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Eiseres verblijft namelijk al geruime tijd buiten het gezin en heeft zelfstandige keuzes gemaakt. Eiseres leeft al sinds 2012 niet meer in gezinsverband met referent. Ten tijde van het vertrek uit Iran was eiseres al 20 jaar oud en zij heeft toen op zelfstandige wijze gehandeld door zonder haar moeder een asielaanvraag in Turkije in te dienen. Eiseres is daar alleen achter gebleven en wist zich zelfstandig staande te houden. Zo heeft zij geregeld dat zij met een aantal Iraanse meisjes een onderkomen kon huren. Ondanks dat eiseres van de Turkse overheid geen uitkering krijgt en moeilijk aan werk kan komen in verband met haar status als tijdelijk beschermde, staat daar tegenover dat referent heeft verklaard:
“Als mijn dochter wil werken moet ze hard werken en geen eerlijk of fijn werk. Stel ze gaat zwart werk doen in een bar of restaurant, betalen ze zo weinig zwart dat het niet loont.”Op basis hiervan vraagt de minister zich af of eiseres inderdaad niet kan werken of dat niet wil, omdat het niet loont, om daarmee in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien. Volgens de minister is de feitelijke gezinsband verbroken. Niet is gebleken dat eiseres noodgedwongen was te vluchten. Ook is niet gebleken dat referent gedurende zijn periode in Turkije enige moeite heeft gedaan zich te herenigen met eiseres, terwijl gesteld is dat het contact in maart/april 2019 al hersteld was. De verwijzing naar het arrest XC en de Afdelingsuitspraak van 20 november 2024 leidt niet tot een ander oordeel. Dit omdat de minister conform deze uitspraken stelt een integrale beoordeling te hebben gemaakt waarbij zowel eerdere als latere feiten en omstandigheden zijn betrokken en een eerdere periode zonder afhankelijkheid niet doorslaggevend is geacht.
Juridisch kader
6.2.
In nareiszaken beroept een meerderjarig kind zich op het jongvolwassenenbeleid als dat kind gezinshereniging wil op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw [6] met zijn in Nederland verblijvende ouder(s). Bij inwilliging van een nareisaanvraag verleent de minister een afgeleide verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een mvv met het oog op die verblijfsvergunning. De minister kan op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verlenen aan een vreemdeling die als meerderjarig kind van een referent, in de zin van het eerste lid van dat artikel, zodanig afhankelijk is van die referent, dat hij om die reden behoort tot diens gezin. Er moet dus sprake zijn van een ‘feitelijke gezinsband’. Uit paragraaf C2/4.1.2.1 van de Vc [7] volgt vervolgens dat de minister aanneemt dat een meerderjarig biologisch kind feitelijk tot het gezin van de referent behoort als er sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. [8] De minister neemt op grond van het jongvolwassenenbeleid familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM aan tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, zonder dat sprake moet zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid, als het meerderjarige kind:
- jongvolwassen is;
- met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft;
- niet in zijn eigen ouderhoud voorziet; en
- geen zelfstandig gezin heeft gevormd.
6.3.
In de uitspraak van 29 mei 2024 [9] kwam de Afdeling tot de conclusie dat artikel 29, tweede lid, onder b van de Vw, voor zover die bepaling gaat over meerderjarige kinderen, een volledige implementatie is van artikel 10, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Het Hof heeft in de arresten van 1 augustus 2022, SW, BL en BC [10] , en XC [11] , de beoordeling van het werkelijk gezinsleven in de zin van artikel 16, eerste lid. aanhef en onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn uiteengezet. Uit het arrest XC en ook uit de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024 volgt dat er voor het bestaan van een werkelijk gezinsleven moet worden vastgesteld of er daadwerkelijk sprake is van een gezinsband of van de wil om een dergelijke band te creëren of te behouden. Zo kan het feit dat de betrokkenen voornemens zijn om elkaar, voor zover mogelijk, af en toe te bezoeken en om regelmatige contacten van welke aard ook te onderhouden — met name gelet op de feitelijke omstandigheden die de situatie van de betrokkenen kenmerken — volstaan om aan te nemen dat zij persoonlijke en affectieve betrekkingen aan het herstellen zijn en om aannemelijk te maken dat er sprake is van werkelijk gezinsleven.
6.4.
Uit voornoemde uitspraak van de Afdeling volgt dat de minister bij nareis twee
peilmomenten mag hanteren voor de vaststelling van de feitelijke gezinsband. Het eerste
peilmoment is het moment van de inreis van referent. Het tweede peilmoment is het besluit
op de nareisaanvraag. Volgens de Afdeling mag de minister de nareisaanvraag afwijzen als
op het eerste peilmoment geen feitelijke gezinsband tussen referent en de vreemdeling
bestaat. In dat geval hoeft de minister niet te beoordelen of er op het tweede peilmoment, het
besluit op de nareisaanvraag, wel een feitelijke gezinsband is.
6.5.
Verder volgt uit arrest XC dat de minister niet mag oordelen dat herstel van een
verbroken feitelijke gezinsband nooit mogelijk is. Als de minister constateert dat de
feitelijke gezinsband voorafgaand aan de inreis van een referent is verbroken, moet hij
beoordelen of de vreemdeling en de referent de feitelijke gezinsband op het moment van de
inreis van de referent hebben hersteld. Omdat het jongvolwassenenbeleid een invulling is van de beoordeling van een feitelijke gezinsband bij meerderjarige kinderen, geldt het voorgaande ook voor de toepassing van dat jongvolwassenenbeleid. Verder moet de minister er rekening mee houden als een vluchtsituatie aan de orde is. Een vluchtsituatie kan er in een individueel geval toe leiden dat een vreemdeling niet aan alle vereisten van het jongvolwassenenbeleid voldoet, bijvoorbeeld doordat een referent door de vlucht uit het land van herkomst niet meer met de vreemdeling in gezinsverband samenleeft. De minister werpt omstandigheden die uit nood zijn ontstaan en die een meerderjarig kind dwingen zelfstandiger te worden niet zonder meer tegen. Ook volgt uit het arrest dat niet verlangd mag worden dat de gezinsherenigende ouder en zijn kind elkaar financieel ondersteunen, aangezien zij waarschijnlijk niet over de daarvoor benodigde materiële middelen beschikken.
Oordeel van de rechtbank
6.6.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet alle feiten en omstandigheden heeft betrokken en daarmee niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiseres niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Hiertoe overweegt de rechtbank allereerst dat het beroep van eiseres op het arrest XC, gelet op het hiervoor opgenomen juridisch kader, slaagt. De gezinsherenigingsrichtlijn beoogt namelijk door middel van gezinshereniging de bescherming van het gezin te waarborgen en de mogelijkheid te bieden het gezinsleven voort te zetten of op te bouwen. Hierbij vraagt de Gezinsherenigingsrichtlijn bijzondere aandacht voor vluchtelingen wegens de redenen die hen ertoe hebben gedwongen hun land te ontvluchten en die hen beletten aldaar een normaal gezinsleven te leiden. [12] Dit betekent dat de wil om een gezinsband te creëren of te behouden op zichzelf al voldoende kan zijn om de feitelijke gezinsband vast te stellen. De rechtbank maakt niet op uit de besluitvorming dat de minister van dit uitgangspunt is uitgegaan bij zijn beoordeling, en heeft daarmee dus een te strikt beoordelingskader gehanteerd.
6.7.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met feiten en omstandigheden die het contact tussen eiseres en referent eerder heeft bemoeilijkt. Eiseres woonde tot 2012 bij haar vader. In 2014 zijn haar moeder en referent gescheiden. Uit het dossier blijkt dat de familie aan moederszijde streng islamitisch is en dat referent problemen met hen kreeg vanwege zijn bekering tot het christendom. Eiseres heeft verklaard dat het contact met haar vader na de scheiding moeizaam verliep. Tijdens de hoorzitting gaf zij aan dat zij van haar moeders familie, vanwege hun extreme religieuze opvattingen, geen toestemming kreeg om contact met hem te hebben. In het verleden werd haar telefoon afgenomen om dit te voorkomen. Referent heeft tijdens zijn hoorzitting verklaard dat eiseres het thuis nog moeilijker zou krijgen als haar familie van dit contact op de hoogte zou raken. Verder acht de rechtbank van belang dat op de zitting door referent is verklaard dat hij en eiseres elkaar gedurende een periode van twaalf jaar na de scheiding niet gezien hebben, maar dat referent eiseres heeft geholpen met het plan om naar Turkije te vertrekken en zij elkaar enkele uren voorafgaand aan het vertrek van eiseres naar Turkije weer hebben ontmoet. Referent koos er bewust voor om eerst zijn dochter te laten vertrekken, ondanks het risico voor zijn eigen leven, om haar veiligheid te waarborgen.
6.8.
Verder heeft eiseres verklaard dat haar moeders familie haar wilde uithuwelijken en dat zij, mede vanwege haar lesbische geaardheid, in 2017 onder valse voorwendselen met haar moeder naar Turkije is gegaan, waar zij zich uiteindelijk voor asiel heeft gemeld. Haar moeder is vervolgens teruggekeerd naar Iran. De rechtbank acht van belang dat eiseres deze gebeurtenis zelf als een vlucht heeft omschreven. Door eiseres is ook verklaard dat nadat haar moeder terugkeerde naar Iran, diens broer haar benen heeft gebroken en dat haar moeder nu met pinnen loopt. Dit onderstreept volgens de rechtbank het gevaar dat uitgaat van de familie aan moederszijde. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel, rekening houdende met de vluchtsituatie van eiseres en referent, dat voldoende is gebleken van een wil om een gezinsband te creëren. Niet in geschil is ook dat zij op dit moment contact hebben.
6.9.
Dat eiseres in Turkije enige zelfstandige stappen heeft gezet, weegt gelet op het verhandelde ter zitting minder zwaar. Daarbij is ook van belang dat zij uiteindelijk daadwerkelijk door de Turkse autoriteiten is uitgezet naar Iran vanwege het verrichten van zwart werk. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat op de zitting naar voren is gebracht dat eiseres gedurende haar verblijf in Turkije werd onderhouden door familie van referent, gefinancierd met inkomsten uit grond die referent nog in Iran bezit. De minister heeft dit niet betwist. Onder deze omstandigheden staat niet vast dat eiseres zich zonder de ondersteuning van referent heeft kunnen staande houden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De minister dient namelijk – met inachtneming van het juiste toetsingskader – opnieuw te motiveren waarom eiseres geen beroep op het jongvolwassenenbeleid toekomt. Mocht de minister tot de conclusie komen dat eiseres wel onder het jongvolwassenenbeleid valt, dan dient hij een belangenafweging te maken.
8. De rechtbank draagt de minister dan ook op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en in dit besluit opnieuw vast te stellen of al dan niet sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen referent en eiser. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
9. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden.
10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden;
-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Voetnoten

1.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.ECLI:EU:C:2022:618.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie.
6.Vreemdelingenwet 2000.
7.Vreemdelingencirculaire 2000.
8.Zie paragraaf C2/4.1.2.1 van de Vc 2000 en paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000.
10.ECLI:EU:C:2022:617.
11.ECLI:EU:C:2022:618.
12.Zie overweging 8 van de richtlijn.