ECLI:NL:RBDHA:2026:14728
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken materiële connexiteit bij visumaanvraag
Verzoeker, van Congolese nationaliteit, diende op 21 maart 2025 een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER, welke op 16 december 2025 door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht op 28 januari 2026 de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, gericht op het verkrijgen van een faciliterend visum als gezinslid van een Unieburger.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 26 mei 2026 tijdens een hybride zitting. De beoordeling richtte zich op de ontvankelijkheid van het verzoek, waarbij het connexiteitsvereiste van artikel 8:81, eerste lid, Awb centraal stond. Hoewel formele connexiteit aanwezig was vanwege de lopende bezwaarprocedure, ontbrak materiële connexiteit omdat het verzoek om een faciliterend visum geen betrekking had op het bestreden besluit over het verblijfsdocument.
Verzoeker had nog geen lopende procedure voor het faciliterend visum en kon dit pas op 27 mei 2026 aanvragen. De voorzieningenrechter erkende de moeilijke positie van verzoeker, maar oordeelde dat het verzoek niet-ontvankelijk was omdat het niet kon worden bewerkstelligd via een voorlopige voorziening. De uitspraak werd gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van materiële connexiteit met het bestreden besluit.