Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14617

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
25/1599
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 2 Besluit omgevingsrechtArt. 7 Bijlage II BorArt. 19.2.1 bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning aanbouw in strijd met bestemmingsplan en cultuurhistorie

Eiseres heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van een aanbouw achter haar woning. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft deze aanvraag geweigerd omdat de aanbouw niet vergunningvrij is, in strijd is met het bestemmingsplan en de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”.

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waardoor de Wabo van toepassing blijft. De aanbouw overschrijdt de maximale oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken en is niet functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Daarnaast is de aanbouw dieper dan toegestaan en tast zij het open en groene karakter van het beschermde stadsgezicht aan.

Eiseres betoogt dat het college onterecht is uitgegaan van de oorspronkelijke achtergevel en dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat vergelijkbare bouwwerken elders wel vergunningen kregen. De rechtbank wijst deze argumenten af, onder meer omdat het college niet van de oorspronkelijke achtergevel mocht afwijken en de vergelijkbare gevallen niet gelijk zijn.

Het college heeft bovendien terecht geen gebruik gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid binnen het bestemmingsplan, omdat de aanbouw niet voldoet aan de voorwaarden en in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning blijft in stand.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning voor de aanbouw wegens strijd met het bestemmingsplan en cultuurhistorische bescherming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1599

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B. Vermeirssen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. S.J.C. Hocks).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een aanbouw achter de woning van eiseres aan de [adres 1] in [plaats] . Eiseres is het niet eens met weigering. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een omgevingsvergunning aangevraagd ter legalisatie van een reeds gerealiseerde aanbouw achter haar woning. De aanvraag betreft een aanbouw die is gerealiseerd aansluitend op een vergunde en in 2003 gerealiseerde uitbouw van de woning. De aanvraag ziet op de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a (bouwen) en c (handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening) van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.1.
Met het besluit van 21 oktober 2021 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag afgewezen. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het besluit op bezwaar van 17 mei 2022 heeft het college dat bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 3 september 2024 [1] gegrond verklaard en het besluit op bezwaar van 17 mei 2022 vernietigd. Het college is opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiseres.
2.4.
Met het besluit van 20 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres andermaal ongegrond verklaard.
2.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 16 juli 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Het bestreden besluit
4. Het college heeft de weigering van de omgevingsvergunning in het bestreden besluit in stand gelaten. In het bestreden besluit heeft het college het standpunt ingenomen dat de aanbouw niet omgevingsvergunningvrij is, omdat de maximale oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied wordt overschreden. Bovendien is de aanbouw volgens het college niet functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw.
Het college heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat geen omgevingsvergunning verleend kan worden voor de aanbouw. Volgens het college is de aanbouw in strijd met de bouwregels van de bestemming “Wonen” uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” en in strijd met de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”. Het college is niet bereid afwijking van het bestemmingsplan toe te staan. Volgens het college wordt niet voldaan aan de voorwaarden om binnenplans van het bestemmingsplan af te wijken en is de aanbouw in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Ook een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan is daarom volgens het college niet mogelijk. De aanbouw is volgens het college bovendien in strijd met redelijke eisen van welstand.
Herhaling bezwaargronden in beroep
5 . Eiseres heeft de rechtbank verzocht de door haar ingediende gronden van bezwaar in beroep als herhaald en ingelast te beschouwen.
5.1.
De rechtbank gaat aan dit verzoek voorbij. Het beroep is gericht tegen het bestreden besluit, waarin verweerder het primaire besluit heeft heroverwogen op grondslag van de daartegen door eiseres gerichte bezwaren. Het is aan eiseres om in beroep nader toe te lichten waarom die heroverweging door verweerder tekortschiet. Een enkele verwijzing naar de bezwaargronden volstaat daartoe niet.
Is sprake van een vergunningvrij bouwwerk?
6. Eiseres betoogt dat de aanbouw een vergunningvrij bouwwerk is, omdat de aanbouw voldoet aan de voorwaarden uit artikel 2, aanhef en onder 3, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).
6.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan artikel 2, aanhef en onder 3, onderdeel f, onder 2° van Bijlage II bij het Bor. Het college heeft onweersproken toegelicht dat het perceel van eiseres een oppervlakte heeft van 191,201 m2. De oppervlakte van het bebouwingsgebied – het achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw [2] – is 101,426 m2. Op grond van artikel 2, onder 3, onderdeel f, onder 2° van Bijlage II bij het Bor mag het totale oppervlak van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied daarom maximaal 50,285 m2 (50 m2 + 20% van 1,426 m2) bedragen. Niet in geschil is dat binnen het bebouwingsgebied – naast de aanbouw – reeds een uitbouw en een overkapping zijn gerealiseerd. Het totale oppervlak van deze drie bouwwerken bedraagt 72,998 m2. Het maximaal toegestane oppervlak van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied wordt daarmee ruimschoots overschreden. Dat betekent dat geen ruimte meer resteert om zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk op te richten in het bebouwingsgebied.
6.2.
Daarnaast heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanbouw ook niet voldoet aan de voorwaarde uit artikel 2, aanhef en onder 3, onderdeel b, onder 2° van Bijlage II van het Bor, omdat de aanbouw op meer dan 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw ligt en niet functioneel ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Niet in geschil is namelijk dat de aanbouw wordt gebruikt om in te wonen. Voor zover eiseres ter zitting heeft betoogd dat de eerste meter van de aanbouw vergunningvrij is omdat deze nog binnen 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw valt, slaagt dit betoog niet. De rechtbank wijst in dit verband op artikel 7, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor. Daaruit volgt dat in dit geval de gehele aanbouw functioneel ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw om aangemerkt te kunnen worden als omgevingsvergunningvrij bijbehorend bouwwerk.
6.3.
De conclusie van het voorgaande is dat het college terecht heeft aangenomen dat voor de aanbouw een omgevingsvergunning is vereist. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Is de aanbouw in strijd met het bestemmingsplan?
7. Op het perceel is het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” van toepassing. Het perceel heeft de bestemming “Wonen” en de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”.
7.1.
Ingevolge artikel 19.2.1 van de planregels gelden, voor zover hier relevant, voor het bouwen van gebouwen binnen de bestemming “Wonen” de volgende regels:
(…)
g. op het erf bij een hoofdgebouw zijn aanbouwen en bijgebouwen toegestaan, met dien
verstande dat het bebouwingspercentage van een erf bij een hoofdgebouw niet meer mag
bedragen dan 50 met dien verstande dat:
- van een erf dat, al dan niet gescheiden door delen van hetzelfde erf die als Tuin
zijn bestemd, grenst aan de bestemming ‘Verkeer – 2’ het bebouwingspercentage
100 mag bedragen;
- ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen uitgesloten’ geen aanbouwen en
bijgebouwen zijn toegestaan;
(…)
i. de horizontale diepte van een aanbouw, gemeten uit de achtergevel van het hoofdgebouw
mag niet meer bedragen dan 3 m.
8. Het college stelt zich op het standpunt dat de aanbouw in strijd is met artikel 19.2.1, aanhef onder g en onder i, van de planregels.
9. Eiseres betoogt dat het college voor de toepassing van artikel 19.2.1 ten onrechte is uitgegaan van de oorspronkelijke achtergevel van het hoofdgebouw. Er moet volgens eiseres bij de berekening van de oppervlakte van het erf worden uitgegaan van de feitelijk aanwezige achtergevel, die over de volle breedte van het perceel is uitgebouwd in 2003. Volgens eiseres heeft het college hiermee geen gevolg gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 3 september 2024.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat het erf bij het hoofdgebouw op grond van artikel 19.2.1, aanhef en onder g, van de planregels tot 50% mag worden bebouwd. Het erf is op grond van artikel 1.36 van het bestemmingsplan een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw. In haar uitspraak van 3 september 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat voor de vaststelling van het erf en het deel dat als aanbouw moet worden aangemerkt, van de feitelijk reeds aanwezige achtergevel van het hoofdgebouw moet worden uitgegaan. De rechtbank stelt vast dat het college in het bestreden besluit bij de berekening van de grootte van het erf is uitgegaan van de oorspronkelijke achtergevel van het hoofdgebouw. De rechtbank constateert dat het college bij de vaststelling van de grootte van het erf dus niet van de feitelijk reeds aanwezige achtergevel is uitgegaan zoals de rechtbank in de uitspraak van 3 september 2024 heeft overwogen. Het college heeft in zoverre geen gevolg gegeven aan de uitspraak van 3 september 2024. Het hiertegen gerichte betoog van eiser is terecht voorgedragen, maar leidt niet tot het daarmee beoogde doel. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
9.2.
Voor de toepassing van artikel 19.2.1, aanhef en onder i, van de planregels is
– anders dan voor toepassing van artikel 19.2.1, aanhef en onder g, van de planregels – nadrukkelijk de achtergevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw maatgevend. In deze bepaling staat immers dat moet worden gemeten vanuit de achtergevel en het begrip ‘achtergevel’ wordt in artikel 1.8 van het bestemmingsplan gedefinieerd als “de van de weg afgelegen zijde van de oorspronkelijke plattegrond van een gebouw”. Niet in geschil is dat de aanbouw dieper is dan 3 meter vanaf de achtergevel. Daarom heeft het college terecht aangenomen dat de aanbouw in strijd is met artikel 19.2.1, aanhef en onder i, van de planregels.
9.3.
Daarnaast heeft het college de aanbouw in strijd bevonden met de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”. Het college heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar een advies van de Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed (AOCE) van 16 oktober 2024. Dat advies luidde:
“Het plan bevindt zich in het gemeentelijke beschermde stadsgezicht [wijk] . Dit
stadsgezicht kenmerkt zich onder andere door de nog gave stedenbouwkundige opzet die wordt gekenmerkt door de schaal en uniformiteit. De aanbouw is vrij groot en zet daardoor bijna de hele binnentuin dicht. Het binnenterrein is nog grotendeels onbebouwd. Het karakteristieke open en groene karakter van het binnenterrein dat onderdeel vormt van de karakteristieke structuur van de wijk wordt verstoord door deze aanbouw. Het plan vormt een aantasting van de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht.”
9.4.
Eiseres betoogt dat de binnenterreinen niet expliciet beschermd worden in het aanwijzingsbesluit van het beschermd stadsgezicht en dat het advies van de AOCE daarom onnavolgbaar is. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Onder verwijzing naar de toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het [wijk] als beschermd stadsgezicht, [3] heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de besloten binnenruimten deel uitmaken van de karakteristieke structuur van de wijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende onderbouwd dat het college het advies van de AOCE niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. Wat eiseres heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat dit advies niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen of anderszins gebrekkig is. Het college heeft zich onder verwijzing naar dit advies daarom op het standpunt mogen stellen dat de aanbouw in strijd is met de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”.
Had het college moeten instemmen met afwijking van het bestemmingsplan?
10. Eiseres betoogt dat het college gebruik had moeten maken van de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 19.4 van de planregels. Eiseres wijst verder op artikel 28.1 van de planregels, op grond waarvan het college ten behoeve van afwijkingen van maten, afmetingen en/of percentages van minder dan 10% ontheffing kan verlenen van de algemene bouwregels van het bestemmingsplan.
10.1.
Ingevolge artikel 19.4, aanhef en onder b, van de planregels kan het college met inachtneming van het bepaalde in artikel 28.3 ontheffing verlenen van artikel 19.2.1, onder i, voor een horizontale diepte van een aanbouw, gemeten uit de achtergevel van het hoofdgebouw, tot 3, 5 meter.
10.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht het standpunt ingenomen dat deze binnenplanse afwijkingsmogelijkheid niet toegepast kan worden ten behoeve van de aanbouw. De aanbouw heeft een diepte van beduidend meer dan 3, 5 meter vanaf de achtergevel van het hoofdgebouw. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Daarmee wordt niet voldaan aan de voorwaarden om toepassing te geven aan artikel 19.4, aanhef en onder b, van de planregels.
10.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college evenmin aanleiding heeft hoeven zien om gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid uit artikel 28.1. Nog daargelaten of voldaan wordt aan de toepassingsvoorwaarden voor deze afwijkingsmogelijkheid, geldt dat een afwijking van het bestemmingsplan slechts toelaatbaar is als de aangevraagde activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dit staat in artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo.
10.4.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
10.5.
Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aanbouw in strijd komt met een goede ruimtelijke ordening. Met verwijzing naar een advies van de afdeling stedenbouw en planologie heeft het college toegelicht dat de aanbouw een aantasting vormt van de kwaliteit van het binnenterrein, dat een open en groen karakter heeft. Bovendien neemt het verhard oppervlak van het binnenterrein als gevolg van de aanbouw toe. Het college heeft het behoud van de stedenbouwkundige opzet van het bouwblok en het behoud van open ruimte op het erf zwaarder laten wegen dan het belang van eiseres bij het behoud van de aanbouw.
10.6.
Eiseres betoogt dat het college van een onjuiste feitelijke vaststelling van het binnenterrein is uitgegaan. Volgens eiseres is helemaal geen sprake van een groen en open binnenterrein en had een medewerker van de afdeling stedenbouw en planologie kunnen zien dat sommige percelen al volledig zijn volgebouwd.
10.7.
Dit betoog slaagt niet. Nog daargelaten dat het college gemotiveerd heeft weersproken dat het binnenterrein volledig is volgebouwd, heeft het college er terecht op gewezen dat het bestemmingsplan bebouwing op de binnenterreinen niet uitsluit. Benutting van de bouwmogelijkheden en de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheden, zou het open karakter van de binnenterreinen echter niet moeten aantasten. Dat op het binnenterrein al enige bebouwing aanwezig is, vormt op zichzelf dus geen grond om in afwijking van het bestemmingsplan meer omvangrijke bebouwing toe te staan. Het college heeft verder onweersproken toegelicht dat in de directe omgeving geen omgevingsvergunningen zijn verleend om in afwijking van het bestemmingsplan bebouwing te realiseren op het binnenterrein. Voor zover op andere percelen zonder de vereiste omgevingsvergunning bebouwing is gerealiseerd op het binnenterrein, heeft het college die omstandigheid terecht niet laten meewegen bij zijn beoordeling van het open en groene karakter van het binnenterrein. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende gemotiveerd waarom het geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om ten behoeve van de aanbouw af te wijken van het bestemmingsplan.
Gelijkheidsbeginsel
11. Eiseres betoogt dat voor twee nabije percelen op de [adres 2] en [adres 3] wel omgevingsvergunningen zijn verleend voor vergelijkbare bouwwerken. Eiseres stelt ook dat meerdere percelen gelegen op het binnenterrein tussen de [straatnaam 1] , de [straatnaam 2] , de [straatnaam 3] en de [straatnaam 4] voor meer dan 50% zijn bebouwd met bijgebouwen en dat het college deze bouwwerken wél toestaat nu daartegen niet handhavend wordt opgetreden.
11.1.
Degene die zich beroept op het gelijkheidsbeginsel moet aannemelijk maken dat sprake is van een gelijk geval dat zonder objectieve rechtvaardiging ongelijk wordt behandeld. Eiseres is daar niet in geslaagd. Het college heeft naar aanleiding van het beroep van eiseres het vergunningenarchief doorzocht en is tot de conclusie gekomen dat er geen bouw- dan wel omgevingsvergunningen zijn verleend waarmee is afgeweken van het huidige bestemmingsplan ten behoeve van aan- en bijgebouwen op het achtererf. Met betrekking tot de bouwwerken op de percelen [adres 2] en [adres 3] heeft het college toegelicht dat hiervoor al in 1952 vergunning is verleend. Die vergunningen zijn daarmee verleend voordat het huidige bestemmingsplan in werking trad en voordat het beschermd stadsgezicht werd aangewezen. Reeds daarom is geen sprake van een gelijk geval. Ten aanzien van andere percelen op het binnenterrein heeft eiseres niet concreet onderbouwd dat sprake is van een vergunde afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van aan- of bijgebouwen en heeft het college dit ook gemotiveerd betwist. Dat het college nog niet handhavend is opgetreden tegen de aanwezigheid van onvergunde bouwwerken op het binnenterrein betekent – anders dan eiseres kennelijk meent – niet dat het college heeft ingestemd met de aanwezigheid hiervan.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
11.2.
Gelet op het voorgaande heeft het college de omgevingsvergunning voor de aanbouw mogen weigeren. De aanbouw is in strijd met het bestemmingsplan en het college heeft mogen besluiten niet van het bestemmingsplan af te wijken. Deze weigering levert geen strijd op met het gelijkheidsbeginsel. Wat eiseres voor het overige heeft aangevoerd, onder meer tegen het standpunt van het college dat de aanbouw ook niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, behoeft daarom geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat de door eiseres geplaatste aanbouw niet wordt gelegaliseerd.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
mr.Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Artikel 1 van Pro bijlage II bij het Bor.
3.Als bijlage opgenomen bij de regels van het bestemmingsplan.