Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14615

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
25/1674
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.51 Bouwbesluit 2012Art. 7:22 BouwbesluitArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetWet algemene bepalingen omgevingsrechtOmgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek overlast houtstook in twee-onder-een-kapwoning

Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om handhavend op te treden tegen overlast veroorzaakt door houtstook in de woning van de derde-partij, zijn buurman in een twee-onder-een-kapwoning. Eiser ervaart rookoverlast die zijn gezondheid schaadt vanwege luchtwegaandoeningen binnen zijn gezin.

Het college wees het verzoek af na meerdere aangekondigde en onaangekondigde controles, waarbij geen overtreding van het Bouwbesluit werd vastgesteld. De rookgasafvoer van de derde-partij voldeed aan de technische eisen en er was geen sprake van hinder in de zin van artikel 7.22 Bouwbesluit. Het college gebruikte geen fijnstofmetingen vanwege de complexiteit van het vaststellen van een causaal verband.

De rechtbank oordeelt dat het college voldoende onderzoek heeft gedaan en dat de bevindingen van de inspecteurs betrouwbaar zijn. Het enkele feit dat houtstook schadelijke stoffen kan uitstoten, betekent niet automatisch dat er sprake is van een overtreding of overmatige hinder. Het beroep van eiser wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het handhavingsverzoek tegen houtstookoverlast wordt terecht afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1674

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. S.V. Benjamin).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen overlast door het gebruik van een houtkachel in de woning van de derde-partij op het adres [adres 1] in Den Haag. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college terecht heeft besloten dat niet handhavend kan worden opgetreden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht heeft besloten om niet handhavend op te treden. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 28 maart 2024 heeft het college het handhavingsverzoek van eiser afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 januari 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit tot afwijzing gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college en de derde-partij.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
3.1.
Het verzoek van eiser is ingediend op 29 december 2023, zodat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiser woont op het adres [adres 2] in Den Haag. Zijn woning en de woning van de derde-partij vormen een twee-onder-een-kapwoning. In zijn verzoek om handhaving heeft eiser toegelicht dat hij in zijn woning en in zijn tuin overlast ervaart door het stoken van hout door de buren. Eiser heeft toegelicht dat de rook tegen zijn woning aan waait en zijn woning binnendringt door de ligging van de woning en door de verplichte mechanische ventilatie, waardoor de rook de woning wordt ingezogen. Eiser en zijn echtgenote hebben beide een luchtwegaandoening en zijn daardoor gevoelig voor fijnstof en andere schadelijke stoffen in houtrook. Zij maken zich ernstige zorgen over de gevolgen voor hun gezondheid en voor die van hun inwonende zoon.
4.1.
Naar aanleiding van het handhavingsverzoek hebben verschillende inspecteurs van de gemeente zowel aangekondigd als onaangekondigd controles uitgevoerd op diverse tijdstippen. Er zijn controles geweest op 26 januari 2024, 2 februari 2024, 8 februari 2024, 22 februari 2024, 23 februari 2024 en 29 februari 2024. Het college heeft het verzoek afgewezen omdat de inspecteurs bij de controles in de woning van eiser en op het achtererf bij de woning geen overlast van het stoken van hout hebben vastgesteld.
4.2.
In het bestreden besluit heeft het college het standpunt gehandhaafd dat geen sprake is van een overtreding waartegen het college handhavend kan en mag optreden. Het college heeft daarbij verwezen naar de resultaten van de diverse controles. Met name heeft het college gewicht toegekend aan de bevindingen tijdens de controle van 23 februari 2024, toen hout werd gestookt in de woning van de derde-partij terwijl er een zuidwestenwind stond, waarbij eiser de meeste overlast stelt te ondervinden. Ook bij die controle heeft de inspecteur geen duidelijke rookpluim waargenomen uit de rookgasafvoerpijp. In de woning van eiser heeft de inspecteur geen geur waargenomen die met het stoken van hout of verbranding te maken heeft. Er is op het achtererf bij de woning van eiser enkel kort een lichte houtstookgeur waargenomen. Daarbij kon niet worden vastgesteld of de geur van de houtkachel van de derde-partij vandaan kwam, omdat er in de wijk nog 13 vergelijkbare rookgasafvoerpijpen te zien zijn. Verder hebben de inspecteurs vastgesteld dat de rookgasafvoer van de derde-partij voldoet aan artikel 3.51 van het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit), en dat de derde-partij volgens de gangbare en algemeen aanvaarde aanbevelingen stookt en daarvoor alleen onbewerkt droog hout gebruikt.
Beoordeling van het betoog van eiser
5. Eiser betoogt dat het college geen gedegen en deugdelijk onderzoek heeft gedaan naar de overlast, waardoor het college geen correct beeld van de overlast heeft verkregen. Hij stelt onder meer dat dat de controles niet op representatieve tijdstippen zijn uitgevoerd. De controles die plaatsvonden tijdens de ochtend zijn volgens eiser niet representatief omdat er dan doorgaans niet wordt gestookt en er dus geen overmatige hinder kan worden geconstateerd. Bovendien is ten onrechte geen gebruik gemaakt van betrouwbare meetapparatuur en is enkel waargenomen door te ruiken, wat volgens eiser onvoldoende is. Het college had volgens hem moeten meten hoeveel fijnstof de houtkachel uitstoot. Volgens eiser meet zijn eigen fijnstofmeter een hogere concentratie fijnstof direct naast zijn woning als de buren hout stoken. Eiser stelt dat er ten onrechte geen objectieve norm bestaat om te bepalen wanneer houtstook overlast veroorzaakt en hij vindt dat het college tekort schiet in zijn zorgplicht door niet handhavend op te treden.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij geen reden heeft om eraan te twijfelen dat eiser overlast ervaart door het stoken van hout door de derde-partij en dat eiser en zijn gezin
– gelet ook op hun gezondheidssituatie – zich zorgen maken over de effecten hiervan. Ter zitting is ook vastgesteld dat de derde-partij met grote regelmaat gebruik maakt van zijn houtkachel. Het feit dat eiser en zijn gezin overlast ervaren, betekent echter niet dat er ook een norm wordt overtreden waartegen het college handhavend moet optreden. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank namelijk terecht geconcludeerd dat er geen sprake is van een overtreding, gelet op het volgende.
5.2.
Er geldt binnen de gemeente Den Haag geen specifieke norm die het gebruik van een houtkachel verbiedt of beperkt. Het college heeft daarom in de eerste plaats beoordeeld of de rookgasafvoer op de woning van de derde-partij voldoet aan de technische eisen die hiervoor gelden op grond van artikel 3.51 van het Bouwbesluit. Het college heeft vastgesteld dat dit het geval is en eiser heeft dit niet betwist. Daarnaast heeft het college beoordeeld of sprake is van strijd met artikel 7:22, aanhef en onder a, van het Bouwbesluit. Het college stelt zich op het standpunt dat op basis van de bevindingen tijdens de controles niet kan worden gesproken van hinder in de zin van artikel 7:22, aanhef en onder a, van het Bouwbesluit. Daarom is volgens het college geen sprake van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden.
5.3.
Artikel 7.22, aanhef en onder a, van het Bouwbesluit luidt als volgt:
“Onverminderd het bij of krachtens dit besluit of de Wet milieubeheer bepaalde is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid”.
5.4.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen, is artikel 7.22 van het Bouwbesluit, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel [1] , een restbepaling. Deze bepaling kan door het bevoegd gezag worden toegepast, indien naar zijn oordeel optreden tegen het gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein vanwege gevaarzetting, dreigende aantasting van de volksgezondheid of overmatige hinder noodzakelijk is en meer specifieke bepalingen geen soelaas bieden. Uit artikel 7.22 van het Bouwbesluit vloeit niet voort wanneer moet worden gesproken van overmatige hinder. Het is aan het college om dit in een concrete situatie vast te stellen. Het college komt daarbij beoordelingsruimte toe. Het college is niet gehouden om beleid vast te stellen waarin is bepaald wanneer sprake is van overmatige hinder. [2]
5.5.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het college onvoldoende uitvoerig onderzoek heeft gedaan naar de door hem gestelde overlast. Naar aanleiding van eisers verzoek om handhaving zijn er zes controles uitgevoerd, zowel onaangekondigd als aangekondigd, steeds met verschillende inspecteurs die in en rond de woningen van eiser en de derde-partij hebben gecontroleerd op overlast door houtstook. In elk van de rapportages is vastgesteld dat er geen sprake was van (onaanvaardbare) hinder. Verder hebben de inspecteurs vastgesteld dat er meerdere rookgasafvoerpijpen in de directe omgeving zijn, zodat moeilijk is vast te stellen welke bron de door eiser ervaren hinder veroorzaakt.
5.6.
Het college heeft ter zitting nader toegelicht dat er om die reden ook geen fijnstofmeting is gedaan. Gezien de andere factoren die het fijnstofgehalte bepalen, zoals de andere woningen in de directe omgeving waarop rookgasafvoerpijpen zijn aangebracht en de ligging van de woning van eiser aan een doorgaande weg, kan er geen duidelijk causaal verband worden vastgesteld tussen een gemeten toename in fijnstof en het stoken van hout door de derde-partij, aldus het college. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om dit standpunt van het college onjuist te achten. Daarbij betrekt de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat als gevolg van het gebruik van een houtkachel schadelijke stoffen kunnen worden geëmitteerd, onvoldoende is om te kunnen aannemen dat artikel 7:22 van Pro het Bouwbesluit daarmee wordt overtreden. [3] Ook als het gebruik van de houtkachel door de derde-partij zou leiden tot een meetbare toename van fijnstof ter plaatse van de woning van eiser, staat daarmee dus nog niet vast dat sprake is van overmatige hinder in de zin van artikel 7.22, aanhef en onder a, van het Bouwbesluit.
De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding om te oordelen dat het college in aanvulling op de uitgevoerde controles een fijnstofmeting had moeten doen.
5.7.
De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college zich niet op de bevindingen uit de controlerapporten mocht baseren. Een bestuursorgaan mag, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekende bestuurlijke rapportage, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van de rapportage weergeven. Als die bevindingen worden betwist, dan zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zulke twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. [4] Voor zover de rapportages niet op ambtseed of ambtsbelofte zijn opgemaakt, brengt dat met zich dat daaraan minder bewijskracht toekomt, maar niet dat zij zonder betekenis zijn. [5]
5.8.
De rapporten bevatten de eigen waarnemingen van de inspecteurs en beschrijven met een zeker detailniveau de wijze waarop de controles zijn uitgevoerd. De beschreven waarnemingen worden ondersteund met fotomateriaal en met gegevens over de weersomstandigheden ten tijde van de controles. Eiser heeft de bruikbaarheid van de rapporten weliswaar betwist, maar geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd die aanleiding geven tot twijfel aan de bevindingen van de inspecteurs. Evenmin heeft eiser een tegenrapport van een deskundige ingebracht waarmee de juistheid van de rapporten in twijfel getrokken worden. Dat betekent dat het college op grond van de controlerapporten heeft mogen aannemen dat geen sprake is van overmatige hinder als bedoeld in artikel 7.22, aanhef en onder a, van het Bouwbesluit of van een andere overtreding waartegen handhavend kon worden opgetreden. Het verzoek van eiser om handhaving is daarom terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
mr.Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Stb. 2011, 416, blz. 342-343
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2012 en de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1446.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1330
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1916.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1480.